BOEKEN

BOEK

De aardappels en de staat

De aardappels en de staat

Oleg Pavlov

Een grimmige, hilarische parabel in de traditie van Boelgakov, Dostojevski en Gogol. De boeken van Pavlov hebben de hedendaagse Russische literatuur duidelijk beïnvloed en benadrukken de verantwoordelijkheid van het individu, nog steeds een revolutionaire houding in Poetins Rusland.

De Sovjet-heilstaat loopt op zijn laatste benen. In de onherbergzame steppe van Kazachstan moet een compagnie goelagbewakers zien te overleven op de rotte aardappels die het verre regimentshoofdkwartier hun heeft toebedeeld. De kapitein komt op een lumineus idee: als ze dat rantsoen nu in de grond stoppen, eten ze straks van de oogst zoveel puree als ze willen.

De manschappen hebben daar het geduld niet voor. Maar hun kapitein zet door. Al snel krijgt hij de geheime militaire politie aan zijn broek: dit is verduistering van staatseigendom!

De aardappels worden de inzet van een groteske machtsstrijd op het hoofdkwartier. Intussen raakt het compagniedorpje letterlijk ondergesneeuwd, met alle gevolgen van dien voor de aardappels. In zijn wanhoop begaat de kapitein een heldendaad.

Oleg Pavlov laat in de hedendaagse Russische literatuur een uniek, aards geluid horen. De aardappels en de staat is zijn meermalen bekroonde debuutroman en werd in vele talen vertaald. Het is een modern sprookje over de eeuwige spanning tussen korte en lange termijn, staatsgezag en persoonlijk initiatief, lijdzaamheid en opoffering. Over dé vraag in tijden van crisis: als je amper de middelen hebt om het vandaag te rooien, hoe investeer je dan in morgen?

Ook leverbaar als eboek

   

Kranten kreeg de steppecompagnie, net als de aardappels, aangevoerd voor een maand, voor twee maanden, of zelfs voor de hele winter: anders kostte het te veel brandstof en zouden de soldaten maar verwend raken. Het waren kranten van een jaar oud, uit de wanordelijke leeszaal van het regiment, waar de leggers al lang en breed geplunderd waren. Maar ook boven losse flarden met berichten over grootse gewichtige gebeurtenissen uit een ver en onbekend verleden wilden de jongens nog weleens een traantje plengen.

Wanneer ze zo laat zoveel wereldnieuws ineens te verwerken kregen, raakten ze compleet losgeslagen, alsof hun leven niet toch al een verloren zaak was. Toch kon je in die beestenbende horen hoe ze toonloos herkauwden wat ze gelezen hadden om het vooral niet te vergeten. Het ene woord lokte het andere uit en de debatten laaiden op, zodat iedereen opeens een hoogsteigen mening had, en als er dan een gebeurtenis van bijzonder belang aan het licht kwam, konden er bij gebrek aan een duidelijke partijlijn klappen vallen.

Kapitein Chabarov verwachtte niets van het leven. Als hij zich al schaarde in de kring der nieuwsanalisten, loosde hij heimelijk zijn eigen diepgewortelde zwaarmoedigheid in het algemene leed over (zo dachten ze) de internationale situatie.

Ivan Jakovlevitsj Chabarov had niet uit berekening of onder dwang voor de staatsdienst gekozen, al had zijn vrije wil er ook weinig mee van doen gehad. Hij werd net als iedereen opgeroepen. Hij diende. Maar toen zijn dienstplicht erop zat haalden ze hem over te blijven als onderofficier: ‘Blijf nou, Ivan, hier ben je op je plek, jij bent toch verdomme geen burgervent?’

De krijgsman in Chabarov liet zich herkennen aan zijn sobere, grove trekken. Met zijn potige, gedrongen postuur had hij veel weg van een stevige zak aardappels. Dat maakte hem gezichtloos, vergelijkbaar met een miljoen wapenknechten zoals hij. Dat miljoen vormde een mensenbrij waarin elk individu vanzelf verdween.

Alleen was Chabarov voorbestemd om in die brij een klontje te blijven. Enfin, hij bleef in dienst voor de rantsoenen en het loon, al was dat bepaald geen vetpot. Wat er ook gebeurde, hij dacht: ik kan geen kant op, ik moet volhouden. En wat er ook gebeurde, zijn volgende gedachte was: dit is niet het hele verhaal.

Nu zat hij met verstofte kapiteinsepauletten zijn levenslang uit in een van de kampcompagnieën van Karaganda, nadat hij zich langer dan de meest verstokte zware jongen had afgetobd in Petsjora, Zeravsjan en alle kampen daartussen – verder had hij het nooit geschopt.

Het steppeplaatsje waar kapitein Ivan Jakovlevitsj Chabarov diende, heette Karabas. Zo hadden de Kazachen het ooit gedoopt. Overgezet uit hun taal luidde de naam ‘het Zwarte Hoofd’. Vandaag de dag liet zich in Karabas en omstreken geen Kazach meer zien. Ze hadden hun intrek genomen in de verafgelegen kolchozen om schapen te fokken. Nu en dan kwamen de steppebewoners langs in de nederzetting om een blik op het kamp te werpen en als het even kon de hand op wat schroot te leggen.

Wanneer ze gevraagd werd hoe het plaatsje aan zo’n duistere naam kwam, keken de Kazachen met hun spleetogen schielijk om zich heen en gaven ze toe dat ze zelf ook niet wisten waar hun voorvaderen dat zwarte hadden gezien en waar midden in deze kale steppevlakte een hoofd te bekennen viel. De puntige heuvels die de nederzetting met een grijs waas omringden, leken helemaal niet op hoofden, en zelfs al kleurden hun stenige toppen bij nat weer zwart, ze hadden meer weg van boomstronken.

Gebrek aan weidse ruimte was er dan weer niet. Moedertje Aarde werd hier belast noch ingeperkt door begroeiing, akkers of rivieren. Maar de mensen waren hier niet neergestreken om de weidse ruimte. Ze hadden een kamp gebouwd, een gevangenis, maar waarom hier precies? Het was alsof ze in het wilde weg op de grond hadden gespuugd en daar dan maar waren gaan leven.

Karabas viel uiteen in twee delen; het meest onooglijke deel was de compagnie, het andere, dat zich als een aak over de steppe sleepte, was het kamp zelf. De compagnie en het kamp waren opgetrokken als één geheel, maar met de jaren was hun uiterlijk meermalen toegetakeld en waren noodgebouwtjes even vrolijk neergezet als afgebroken.

Winkels, voorzieningen, huizen of kerken had het dorp in zijn bestaan nooit gekend. Er waren slechts troosteloze barakken, een soort kennels die werkelijk omgeven waren door het stompzinnige geblaf van herdershonden. Laarzen hadden paadjes naar de barakken uitgesleten, zo smal dat het leek of iedereen over een richeltje liep, bang om te vallen. Diezelfde paadjes braken verderop weer af, waar de gesloten ‘zone’ met al haar restricties begon.

Karabas was vrij toegankelijk via een smalspoor en de heerbaan door de steppe, die allebei ergens ver achter de heuvels eindigden. En dan was er een weggetje dat bij het kamp vandaan leidde naar een nauwelijks zichtbare dodenakker, waar de ziekenboeg de gevangenen begroef die niet werden opgeëist. Daar verscheen nu en dan een hoopje vers omgespitte aarde. Dit waren alle verkeersverbindingen, tenminste, als je het had over de in- en uitgaande wegen. Maar levendig was het verkeer in Karabas niet te noemen, of het moesten de kampluizen zijn, die naar believen overliepen van soldaat naar gevangene en weer terug.

De luizen gingen bij elkaar op visite, namen het er goed van en vermenigvuldigden zich met honderden tegelijk. De mensen vergingen van de jeuk en deden niets dan de triomferende loeders dooddrukken, met wie ze ondertussen een sterkere band hadden dan met hun bloedeigen moeder.

Afgezien van de levende have werd Karabas bevolkt door soldaten, gevangenen, vrije ambachtslieden en bewakers. De gevangenen en de soldaten zaten er zo lang als ze moesten, hetzij in dienst, hetzij in gevangenschap. In het kamp was een fabriekje opgezet waar eenvormige laarzen van een poed per stuk werden getimmerd, bestemd voor net zulke kampen. De werkdagen roken naar kwas en kropen traag en moeizaam voort, alsof ze uit een grijze oudheid kwamen aangedreven.

De militairen werden in leven gehouden met wedde en rantsoenen. De soldij was in geen tien jaar verhoogd, maar al die tijd ook niet minder geworden. Natuurlijk hadden ze het er stiekem weleens over dat ze voor de dienst die ze deden best een keertje opslag mochten krijgen. In de stilzwijgende veronderstelling dat een aanzienlijk deel van hun loon werd verdonkeremaand, modderden ze maar wat aan om er niet te veel bij in te schieten.

Ondertussen greep de leiding elke gelegenheid aan om te verklaren dat de soldaten hun werk slecht deden en hun loon voor niets kregen. Daar bleef het bij. En wat het rantsoen betreft, daar moesten ze ’s zomers op beknibbelen om tenminste iets opzij te kunnen leggen voor de winter. Ook in de herfst spaarden ze eten uit hun mond om de voorraad aan te vullen.

Maar als januari dan opeens voor de deur stond, bleken de reserves amper genoeg om aan de mussen te voeren en was het een raadsel waarvoor ze al die tijd honger hadden moeten lijden. Een gevangene eist nu eenmaal op wat hem toekomt, al moet hij zijn eigen strot doorsnijden. Een kampopzichter drukt stilletjes wel wat achterover, maar waar moet een soldaat het vandaan halen? Wat je van het regiment krijgt, kun je moeilijk nawegen. Ze zeggen dat ze leveren volgens de normen, maar hoeveel is dat dan?

Elke gram tellen ze mee, alsof ze niet doorhebben dat de boel nog indroogt, slinkt of gewoon in het niets oplost. Voedsel kun je het niet noemen, het is een en al legermargarine: je kunt evengoed water drinken, het vult voor geen meter en je ziel draait ervan om. In plaats van appels krijg je gedroogd fruit. Thee vervangen ze door een modderachtig brouwsel van theepulver. Je wordt letterlijk aan alle kanten afgeknepen. Militaire dienst kon je dit niet meer noemen, het was je best doen om niet dood te gaan, en als je toch eens je buikje rond at, voelde je opeens geen lust meer om verder te leven.

De kapitein liet zich nooit enige klacht over zijn lot ontvallen. Klagen, dat was zoeken naar de schuldige terwijl je zelf buiten schot bleef, en Chabarov was daartoe niet in staat. Toen hij bij de wachtcompagnie belandde, begreep hij al snel dat het hier in niets leek op militaire dienst. Het was voor iedereen dezelfde rampspoed, hetzelfde sleeptouw om de kampschuit plus degenen die daarop meevoeren voort te trekken, tot kotsens toe.

Daarom had hij het niet op de kampleiding en kon hij voor de reizende rechtbanken, waarbij ze massa’s nieuwsgierigen samendreven in het dorpshuis en en plein public uitspraak deden, geen achting opbrengen, zelfs niet als de man in kwestie schuldig was. Dat bleef toch een triest moment, daar hoefden net als op een begrafenis alleen familie en goede vrienden bij te zijn, zo’n arme drommel moest je niet aan de schandpaal nagelen.

Chabarov hield het sleeptouw strak en stond noch zichzelf, noch de gevangenen, noch de soldaten toe de greep te laten verslappen. Ieder zat zijn tijd in het kamp uit, maar op een plek waar je in je eentje niets anders zou kunnen dan dood neervallen, leefden ze met het hele zootje zo dicht opeen dat zelfs een lijk nog overeind bleef staan.

Alleen in de winter zakte er een lethargische stilte over het dorp en sijpelde er een witte, groezelige kalmte binnen die Karabas in een diepe slaap hulde. Maandenlang merkte je aan alles dat het leven verstilde, terwijl de kachel het in warmte hulde. De kapitein vond vergetelheid in deze weldadige hitte, die ook zijn vele wonden dichtschroeide.

Als we nu, vanaf de hoogte die we met de schildering van de kampkolonie hebben bereikt, er middenin konden duiken, zouden we als een steen neervallen op de binnenplaats van de kazerne, boven op de eeuwig dronken Ilja Peregoed, een man zo reusachtig dat je hem wel moest treffen, of je mikte of niet.

Ilja Peregoed vervulde in de compagnie alle vacante functies, het soort ondergeschikte, tijdelijke aanstellingen waarmee je nooit hogerop komt en waarin je voortdurend wordt opgescheept met de rotklusjes, zoals: ga in het depot nog maar eens de lakens tellen, of: zorg even dat ze de honden voeren. In Karabas kwamen ze altijd handen tekort en dus vielen zulke taken toe aan Peregoed, die, in de tijd dat Chabarov zijn oog op hem had laten vallen, als opzichter werkte, een rol waarin hij zo de weg was kwijtgeraakt dat hij als een klein weesjochie door de kapitein was meegenomen naar diens eigen compagnie.

Ilja’s hart en ziel liepen op wodka. Hij hield er alleen niet van zich te verplaatsen en dus was hij, als een beer in zijn hol, gewoonlijk te vinden op een van zijn posten, meestal in het depot. Peregoed had zich geïnstalleerd in het donkere hok, dat hij vulde zoals een dode zijn kist. Als je binnenkwam stuitte je op de overledene, zo zat hij daar: zijn kolossale hoofd met kozakkenkuif leek elk moment van de berg die zijn romp was te kunnen rollen.

Een arm van de reuzenridder, een helling van de berg, ging plotseling omhoog en in het halfdonker hoorde je het geklok al en daarna de zucht van verlichting als Ilja zijn dorst had gelest. ‘Wie ben jij dan wel, ben je een kozak?’ vroeg hij dan recht voor z’n raap als hij de binnenkomer niet herkende. En daarna gaf hij zelf antwoord: ‘Ík ben een kozak!’

Onnodig te zeggen dat Peregoed in al zijn functies geen klap uitvoerde, hij was dan ook tot niets in staat behalve ontzag inboezemen. De honden werden niet gevoerd, de lakens niet geteld, maar de wanorde die door zijn toedoen in de compagnie ontstond, maakte iedereen vrolijker; ze dolden graag met hem, hij was het enige verzetje dat ze hadden. Peregoed had nog nooit in zijn leven een klap uitgedeeld, uit angst dat er doden zouden vallen.

Wanneer ze hem sarden, brulde hij alleen ter afschrikking: ‘Neem je míj in de zeik? Een kozak?’ Of hij werd zwartgallig en boos, en dan sloeg hij waar iedereen bij was met zijn vuist een gat in het een of ander, een muur of zo, en dan had hij onmiddellijk weer ieders ontzag. Maar van tijd tot tijd werd hij zelf door angst overmand, zoals een ander zeurende botten krijgt wanneer het gaat regenen. Op een keer, toen het weer eens zover was, fluisterden ze hem in dat de dievenwagen hem kwam halen.

Ilja kroop in de kazerne onder de bedden, terwijl de jongens hem maar wat graag in spanning hielden: ‘Blijf liggen, dan vinden ze je niet.’ En hij lag daar roerloos, hij geloofde alles wat ze zeiden. Hij werd onder de bedden vandaan gehaald door Vasil Velitsjko, de politiek officier, die altijd de waarheid sprak en opkwam voor de verdrukten.

Over Vasil Velitsjko zouden de mannen zelf alles kunnen vertellen: hij was van het slag dat niets maar dan ook niets geheim kan houden. Met hem hadden we moeten beginnen als Peregoed niet was opgedoken. Die had best wel even kunnen wachten, zo snel raakte je ’m niet kwijt. Hij overleefde iedereen op z’n sloffen zolang je maar wodka in zijn loopwerk goot. Maar ja, je kunt nu eenmaal niet om hem heen.


Download het fragment als PDF

'De Rus Oleg Pavlov (45) is een fascinerende figuur. Hij werd als dienstplichtig soldaat in de nadagen van de Sovjet-Unie eropuit gestuurd om een kamp in Kazachstan te bewaken, maar werd wegens mentale instabiliteit uit het leger ontslagen. De aardappels en de staat is zijn wraakroman. In het woeste Kazachstan krijgen goelagbewakers te weinig voedsel om te overleven, te veel om te sterven. Als kapitein Chabarov het lumineuze idee krijgt om aardappels te verbouwen, moet hij eerst zijn hongerige manschappen trotseren, daarna zijn superieuren. Deze wrange komedie zit vol soldaten die erop los slaan en alcoholische tranen plengen, de haat tegen de hoogste rangen zit diep. Geslaagde satire op de Sovjettijd, ook in Rusland goed ontvangen.' - Elsevier ****

'Oleg Pavlov weet het verhaal dicht bij zijn lezers te brengen door soldaten en officieren te schetsen die dankzij hun soms bizarre trekjes concreet en herkenbaar zijn. Hij laat in zijn personages iets universeels oplichten. Wat meteen overtuigt in deze roman is de schrijftrant.' - Friesch Dagblad

'De heerlijk wrange hilarische toon die dit boek kenmerkt, is direct gezet. Het is het lichtgroteske, het mild absurdistische van het dagelijks leven in een besloten gemeenschap dat deze vertelling, bijna een sprookje, zo aanstekelijk en intens menselijk maakt. De aardappels en de staat is een eerbetoon aan het individu, aan iemand die niets meer te verliezen heeft en tegen de gevestigde orde ingaat, een saluut aan het initiatief, aan een mens die zich echt nuttig wil maken, geschreven in de zo typische Midden- en Oost-Europese pijnlijk aanstekelijke laconieke taal. Een mooie oprechte roman, zuiver en vol leven. Oleg Pavlov is een hedendaagse Russische klassieker.' - Tzum.info

‘Oleg Pavlov is zonder twijfel een van de beste hedendaagse Russische schrijvers.’ – Art Press

‘Een komedie zo zwart en bitter als surrogaatkoffie.’ – Daily Mail

‘Oleg Pavlovs roman herinnert aan Joseph Hellers Catch 22. Pavlovs oog voor het groteske en zijn zwarte humor laten ons de pogingen om van een volstrekt zinloos bestaan iets zinvols te maken, ademloos en geboeid volgen.’ – Review of Contemporary Fiction

‘De wereld van Oleg Pavlov is doordrongen van de heel specifieke combinatie van tragedie, absurdisme en zwarte humor die al sinds het werk van Nikolai Gogol door de aderen van de Russische literatuur stroomt.’ – Marcel Theroux

‘Captain of the Steppe combines a traditional Russian faith in the humanising power of literature with a boisterous energy and imagination. Pavlov wrote two further army novels which, along with Captain of the Steppe, have become known as the Tales of the Last Days trilogy, and we can be grateful that both are due for publication by And Other Stories.’ - Michael Nicholson, The Times Literary Supplement

Recensie op Tzum

De heerlijk wrange hilarische toon die dit boek kenmerkt, is direct gezet. Het is het lichtgroteske, het mild absurdistische van het dagelijks leven in een besloten gemeenschap dat deze vertelling, bijna een sprookje, zo aanstekelijk en intens menselijk maakt.

Bron: Tzum.info

Recensie in Elsevier

Deze wrange komedie zit vol soldaten die erop los slaan en alcoholische tranen plengen, de haat tegen de hoogste rangen zit diep. Geslaagde satire op de Sovjettijd, ook in Rusland goed ontvangen.

Bron: Elsevier.nl

bekroond met de Solzjenitsyn Prijs