BOEKEN

BOEK

Wij wonderkinderen

Wij wonderkinderen

Hugo Hartung

Duitsland 1913. Tijdens de viering van de Slag bij Leipzig klimt scholier Bruno Tiches stiekem in een luchtballon die speciaal voor deze dag wordt opgelaten. Hij wil de kans de Keizer van boven te zien niet laten schieten. In de jaren die volgen waait Bruno met alle winden mee die Duitsland teisteren. Hij is een van de eerste volgelingen van Adolf Hitler en weet tijdens de oorlog op te klimmen in de hiërarchie.

Veertig jaar na het ballonavontuur blijkt Bruno, tot verbijstering van een oude klasgenoot, ook na de oorlog succesvol. In (dubieuze) zaken en zelfs als leider van een populistische beweging in de politiek blijft hij winstgevend opereren.

Zelf heeft de idealistische klasgenoot altijd geprobeerd zijn overtuiging te volgen. Door zich zo fatsoenlijk mogelijk te gedragen krijgt hij van Bruno Tiches en nog veel ergere heren in het bruine uniform flink wat te verduren. Hij wordt ontslagen als journalist, heeft geen inkomen en zijn vriendin emigreert. Zonder de jonge onderhuurster uit Denemarken met haar charmante accent was er in deze jaren niets, maar dan ook niets geweest om te lachen.

De meerdere keren verfilmde roman Wij wonderkinderen vertelt over het leven van twee leeftijdgenoten: Bruno de opportunist, die ten slotte te lui is voor een grote nazi-carrière, en zijn steeds melancholieker wordende klasgenoot, die zich moeizaam door de ellende van het ‘Duizendjarige Rijk’ probeert te worstelen. Nee, ze zijn allebei geen helden.

Hugo Hartungs ‘ondanks alles vrolijke roman’ Wij wonderkinderen is in Duitsland uitgegroeid tot een klassieker van de naoorlogse literatuur.

   

Ik kan me nog goed het moment herinneren waarop Bruno tegen me zei dat we van nu af aan een dagboek moesten bijhouden. Het jaar herinner ik me niet meer zo precies, maar het was in een warme zomer vóór de Eerste Wereldoorlog, want Ilse droeg een dun, mouwloos bloesje, zo doorschijnend dat het in het meisjesinternaat Groothertogin Eleonore eigenlijk niet was toegestaan. Bruno dacht dat alle grote mannen een dagboek hadden bijgehouden: de oorlogshelden, de ontdekkingsreizigers van Afrika, en Casanova.
‘Wie is Casanova?’ vroeg Ilse.
‘Dat vertel ik je op de terugweg,’ antwoordde Bruno.

Ik weet niet hoe het kwam dat ik er op de terugweg niet bij was. Het was inmiddels avond geworden. Ik was bij tante Remmy op bezoek geweest, die in een klein, oud paviljoen naast het slot woonde, en ik was mooi op tijd naar de afgesproken ontmoetingsplaats gekomen. Toch zag ik Ilse en mijn klasgenoot niet meer en ik moest de lange weg door het park naar huis alleen afleggen.

In de berg papieren van Bruno’s nalatenschap heb ik geen dagboek uit die tijd teruggevonden. Al kan het best dat hij toch tegelijk met mij met schrijven is begonnen. Maar met vijftien, zestien vind je zulke teksten vaak stom en je houdt ermee op en vernietigt alles – zelf had ik er al vrij snel geen zin meer in. Soms vallen ze ook in handen van je ouders. Het zou me zelfs nu nog interesseren wat er toen eigenlijk was tussen Ilse en Bruno. Zij was de dochter van een kantonrechter en mijn eerste liefde – wat je met dertien dan liefde noemt. We hadden het over ‘een vlam hebben’ en de betuigingen van zo’n prille genegenheid beperkten zich tot blikken en een kneepje in haar hand en het aanbieden van snoepjes in zilverpapier.

Bruno had Ilse ‘van me afgepikt’, zoals wij dat op de middelbare school noemden en ik ben ervan overtuigd dat hij er toen in het park op weg naar huis mee was begonnen. Het was een zachte avond met een heldere maan.

Ik heb geschiedenis alleen maar als bijvak gedaan, maar dat heeft me tegenover historische bronnen wel heel consciëntieus gemaakt. Op de redactie van een tijdschrift nemen ze het waarschijnlijk niet zo nauw, want de redacteur van het blad schreef me uitdrukkelijk dat ik het toegezonden materiaal van Bruno Tiches zo vrij mogelijk moest gebruiken. In sommige gevallen ontkom ik daar waarschijnlijk zelfs niet aan, want mijn schoolkameraad mag dan een ongewone carrière hebben gemaakt, bepaalde dingen zijn door hem behoorlijk simpel en soms ook nogal indecent weergegeven. Dan moeten er wel aanpassingen worden aangebracht. Ook ligt het me helemaal niet om ‘de facts te dramatiseren’, zoals die tijdschriftenjongens dat van me willen.

Bruno’s handschrift is trouwens gemakkelijk leesbaar, maar niet sympathiek. Een vlak, middelmatig schoolhandschrift, dat de schrijver vooral in latere jaren heeft gedwongen tot een fermer schrift. Daarmee is hij zelfs al vrij vroeg begonnen. Waarschijnlijk heeft hij als jongeman een keer een grafologisch leerboek in handen gekregen, en heeft hij het handschrift van wilskrachtige mannen bestudeerd, van Caesar tot Napoleon. Bruno dacht bij zichzelf: als ik hun handschrift naboots, dan word ik net als zij. Hij heeft met dit middel vrij veel succes gehad.

Dat het niet makkelijk wordt om uit de stapels dagboeken het juiste boek uit te kiezen, zie ik al aan de allereerste aantekeningen van mijn klasgenoot Tiches die bewaard zijn gebleven. Ze gaan over de grote militaire oefeningen in 1912, die ik me nog vrij goed kan herinneren. Op een zachtblauwe, met goud doorstikte herfstdag stond ik met mijn vader langs de stoffige invalsweg naar de stad. De lucht was kristalhelder en v̩rdragend, en soms vielen er rijpe kwetsen op ons hoofd. Vanuit een veldschuur waren dorsvlegels te horen en toen Рin een ander ritme Рmuziek. Daarna steeg er stof op. Ik had een bittere, blauwe sleepruim in mijn mond tegen de dorst. Plotseling begon de bodem merkwaardig te deinen.
‘Cavalerie,’ zei mijn vader aan mijn linkerhand, en oom Bense (van vaderszijde! Tante Remmy komt uit de familie van mijn moeder) aan mijn rechterhand mummelde vanachter zijn pruimtabak: ‘Het vijfspan van de huzaren!’

Het was een werveling van golvend rood – ‘Attila,’ hoorde ik oom Bense zeggen – bezwete paardenlijven glansden, en als je je ogen dichtdeed maakten de vele hoeven een wonderlijk opzwepend geluid.

De sleepruim in mijn mond smaakte plotseling zoet. Ik had een platonische liefde voor alles te paard, maar in ons stadje waren er maar twee politieagenten en die gingen zelden samen te paard uit rijden. Alleen als er een moord of diefstal in een dorp was gepleegd of moedwillig brand in een veldschuur was gesticht.

Ook als ik mijn ogen stevig dichtdeed, kon ik ook niet dagdromen dat ik een dichtgesnoerde, rode huzarenbuis droeg. Vorig jaar had ik op het schuttersfeest vijf vrijkaarten voor een rit op de paardenrenbaan mogen inwisselen, die vader had gekregen voor een goedkope levering van hooi. Nooit eerder was ik zo ver van de aarde af geweest, nooit eerder had ik zo vertwijfeld tegen haar aantrekkingskracht gevochten. Het zwarte paard werd almaar groter en groter, en ik werd van het ene onwaarschijnlijke deel van zijn lijf naar een nog onwaarschijnlijker deel geslingerd. De muziek stak haar blikkerige tong naar mij en de vijandige draver uit. De vier andere vrijkaarten heb ik Tiches cadeau gedaan.

Toen kwamen de kurassiers – met zwart-witte vaandel –, thuis reden er maar elf kurassiers op onze afgedekte badkuip, sinds de twaalfde door het putje was verdwenen. Maar hier waren er honderden, met vier keer zoveel dravende paardenbenen. Zilver blonken hun borstharnassen, en zilver stonden de vogels op hun helmen, met geketende, vastgeklonken pootjes – anders waren ze op de deinende muziek zeker als leeuweriken naar de septemberhemel opgevlogen.
‘De koning van Saksen!’ riep vader.

De man die daar hoog te paard zat zag eruit als de vermomde, blozende bouwmeester Kubitschke van vaders stamcafé. Toch zette ik mijn pet af.
Maar oom Bense stootte me aan en zei: ‘We zijn toch geen Saksen!’
Meteen daarna stootte hij me weer aan, hij zei: ‘Onze groothertog!’ En hij trok de pet van mijn hoofd.

Ik zag van achteren een ietwat gezette, in zijn uniform geperste man met zweetdruppeltjes in zijn nekhaar, en daar raakte ik niet van in een dynastieke jubelstemming.

Nu dreunde de aarde, het stof op onze lippen smaakte flauw, blinkende pieken staken als bliksemafleiders in de lucht. Door alle trillingen vielen er veel kwetsen op ons hoofd.

‘Onze infanterie,’ zei oom Bense, en hij stak borst en kin vooruit.

Hij spuwde zijn pruimtabak uit om met getuite lippen een mars mee te fluiten, die als een riem zijn buik strak aantrok. Het rook wrang.

En daarna kwam de metamorfose, die zelfs oom Bense sprakeloos maakte. De bliksemafleiders verhuld. Alles wat blonk werd asgrijs.
‘De nieuwe uniformen,’ zei vader, ‘veldgrijs.’
Maar de velden om ons heen waren kleurig vergeleken met deze vreugdeloosheid: stoppelgoud en diep aardappelloofbruin.
Omdat er ook geen muziek meer kwam, liepen we van de straat weg, dwars door de velden naar huis. We waren nogal terneergeslagen, en oom Bense zei dat alles de schuld was van de sociaaldemocraten...

Zo ziet het er in mijn herinneringen uit. Maar mijn schoolkameraad Tiches – als hij niet achteraf het hoofdstuk over zijn jeugd in zijn dagboek heeft veranderd – moet ditzelfde volkomen anders hebben beleefd.
‘In deze grijze uniformen zullen ze ooit onze nauwe grenzen openbreken,’ schrijft hij letterlijk.

Na ons vertrek moet er nog heel veel grijs zijn langsgekomen, tot diep in de neerdalende avond, en hoe meer het grauw met de avond versmolt, des te geestdriftiger werd Tiches. Hij zag zichzelf, avondgrauw op grauwe aarde, iets kouds tegen zijn wang...

Ik weet werkelijk niet goed hoe ik met deze euforische, uniformvrome passages moet omgaan. Ikzelf wil ze niet uitgeven en in de jaren na 1945 had ik ze niet eens mogen uitgeven. Maar nu zal ik ze wel moeten uitgeven. Het tijdschrift en de algemene situatie zullen erom vragen.


Download het fragment als PDF

‘Deze prachtige roman over het Duitsland van 1918 tot 1945 verscheen al in 1957. Het boek sloeg in als een bom, werd talloze malen herdrukt en verfilmd. Desondanks werd het in Duitsland door de officiële literatuurkritiek genegeerd. Prachtige poëtische beschrijvingen en messcherp cynisme wisselen elkaar af. Aan deze soms amusante, soms ontroerende vorm van autopsie waren de Duitse literaten vijftig jaar geleden nog niet toe. In dat spoor bleef ook al die tijd een vertaling uit. Deze schade wordt nu hersteld, en terecht. Ook de vertaling [van Janneke Panders] verdient een prijs.’ – NBD|Biblion

'Wij wonderkinderen van Hugo Hartung was controversieel in de jaren '50. Vandaag is de opnieuw vertaalde klassieker van de naoorlogse Duitse literatuur nog actueel. Een verhaal van overleven en liefhebben in een moeilijke tijd. De gruwelen van nazi-Duitsland zijn door andere schrijvers misschien uitputtender en diepgravender beschreven, maar het beeld van deze periode is niet compleet zonder de kleine overlevers die Hugo Hartung voor ons in deze roman tot leven heeft gewekt.' - De Standaard

'De roman Wir Wunderkinder (1957) van de Duitse schrijver Hugo Hartung kwam te vroeg, schrijft uitgever Christoph Buchwald in het nawoord. De satirische toon bij de beschrijving van het Derde Rijk was 'in de ogen van links en rechts even verdacht'.' - de Volkskrant ***

'Hugo Hartung laat zijn hoofdpersoon R. op luchtige en vaak ironische wijze vertellen over het leven in Duitsland in de eerste helft van de twintigste eeuw.' - 8weekly.nl ***

Blogrecensie van Wij wonderkinderen

Is het mogelijk om een luchtige roman te schrijven over het leven in Duitsland tussen 1912 en 1955? Een periode met twee wereldoorlogen, de val van het keizerlijke Duitsland, de chaos van de Weimarrepubliek, de economische crisis en de nazitijd met haar miljoenen slachtoffers? Het antwoord is: ja.

Bron: Boekvoorboek.blogspot.nl

Recensie in dialoog door Daan en Thomas Heerma van Voss

De schrijversbroers Daan en Thomas Heerma van Voss bespreken een roman die onlangs in de aandacht is geweest, of juist aan alle aandacht dreigt te ontsnappen.

Bron: DaanHeermavanVoss.nl

Bespreking op Literatuurplein.nl

Wij wonderkinderen is een heerlijk boek dat op vele niveaus te lezen is. En bedenk dat een schelmenroman tot de allermoeilijkste tak van de literaire sport behoort.

Bron: Literatuurplein.nl

Bespreking op 8weekly.nl

Ondanks alles een vrolijke roman van ons leven is de wat wrange ondertitel van deze semi-autobiografische roman. Hugo Hartung laat zijn hoofdpersoon R. op luchtige en vaak ironische wijze vertellen over het leven in Duitsland in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij doet dat onder anderen door reconstructie van de levensloop van zijn jeugdvriend Bruno Tiches, aan de hand van diens nagelaten dagboeken.

Bron: 8weekly.nl

Recensie op Volkskrant.nl

De roman Wir Wunderkinder (1957) van de Duitse schrijver Hugo Hartung kwam te vroeg, schrijft uitgever Christoph Buchwald in het nawoord. De satirische toon bij de beschrijving van het Derde Rijk was 'in de ogen van links en rechts even verdacht'.

Bron: Volkskrant.nl

Recensie in De Standaard

Wij wonderkinderen van Hugo Hartung was controversieel in de jaren 50. Vandaag is de opnieuw vertaalde klassieker van de naoorlogse Duitse literatuur nog actueel. Een verhaal van overleven en liefhebben in een moeilijke tijd.

Bron: DeStandaard.be

Vertaalster Janneke Panders over Wij wonderkinderen

Duitsland 1913. Tijdens de viering van de Slag bij Leipzig klimt scholier Bruno Tiches stiekem in een luchtballon die speciaal voor deze dag wordt opgelaten. Hij wil de kans de Keizer van boven te zien niet laten schieten. In de jaren die volgen waait Bruno met alle winden mee die Duitsland teisteren. Hij is een van de eerste volgelingen van Adolf Hitler en weet tijdens de oorlog op te klimmen in de hiërarchie.

Bron: Athenaeum.nl