BOEKEN

BOEK

Uit het dagboek van een konijnenfokker

Uit het dagboek van een konijnenfokker

Erling Jepsen

Karen Blixen had een farm in Afrika, aan de voet van het Ngong-gebergte – daarmee opent haar bestseller Out of Africa. Allan Jensen is bijna dertien en heeft zijn eigen farm. In Zuid-Jutland, aan de voet van de heuvel van Gram. Zijn grondbezit is bescheiden: twee bij drie meter, achter in de moestuin van zijn ouders. Allan fokt er konijnen en maakt er een heus bedrijfje van. Zijn knechten Frode (12) en Mette (10) werken voor snoep en helpen hem de konijnen te voeren, tot ze klaar zijn voor de slacht.

Daar, in de tuin, lijkt de wereld overzichtelijk. Maar naarmate zijn dertiende verjaardag nadert, ziet Allan meer en meer hoe vreemd de wereld eigenlijk is. In huis verdragen zijn ouders elkaar nog maar nauwelijks, en in het dorp gebeuren allerlei rare dingen, waarover hij maar beter kan zwijgen, zo heeft hij geleerd. Want als hij zich ook maar even laat gelden, zijn de dorpsbewoners er snel bij om hem te herinneren aan de misstappen van zijn vader.

Als volwassene constateert Allan dat er van het oude Gram uit 1968 niet veel meer over is. Niets herinnert meer aan hoe de onderhuidse spanningen in het dorp tot een hoogtepunt kwamen na de komst van een donkere vrouw en een incident met een oud jachtgeweer en geïmproviseerde explosieven. Maar als je de oudste bewoners vraagt of ze nog weten wat er toen is gebeurd, roepen ze allemaal: ‘De opstand van 1968!’

Hoeveel vergetelheid hebben wij eigenlijk nodig, vraagt Jepsen ons, om écht gelukkig te worden? En hoe denken de konijnen erover?

Ook leverbaar als eboek

   

Ik had een farm in Zuid-Jutland, aan de voet van de heuvel van het dorpje Gram. Mijn farm lag aan de noordkant van het dorp, en twintig kilometer verder naar het noorden stroomde de rivier de Kongeå, die de grens vormt tussen Zuid-Jutland en de rest van Denemarken. Binnen een straal van veertig kilometer had je naar het westen toe de Waddenzee, naar het oosten de Kleine Belt en naar het zuiden Duitsland. Onze godsdienstleraar beweerde dan ook met grote stelligheid dat we in het hart van Zuid-Jutland woonden.

Zoals de naam al zegt, ligt dit landsdeel in het zuiden van Denemarken, en Denemarken is het zuidelijkste land van het Hoge Noorden. Mijn farm lag met andere woorden in het zuidelijkste deel van het Hoge Noorden, en de Zuid-Jutse bevolking kun je dus met recht de zuiderlingen van het Hoge Noorden noemen. We zijn niet donkerder van huid, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de inwoners van de zuidelijke staten van de VS, maar de taal, het klimaat en de mentaliteit waren er, en zijn dat tot op zekere hoogte nog altijd, tamelijk uniek.

Kopenhagen lag bijna 300 kilometer oostwaarts en dat versterkte het gevoel dat je in een uithoek van het land woonde, want binnen onze landsgrenzen kan je nauwelijks verder weg van de hoofdstad verwijderd zijn. Dat de bewoners van Zuid-Jutland meer waarde hechtten aan het weerbericht van de Duitse tv, dat over hun streek ging en dat het weer beter voorspelde, dan aan het Deense weerbericht, was op zich al veelzeggend. In de herfst, wanneer das Wettervorhersage storm vanuit het westen voorspelde, werden er de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen: de mensen haalden de vlaggenstok neer, vergrendelden de ramen en haalden hun transistorradio en kaarsen tevoorschijn.

Mijn farm lag twee meter boven de zeespiegel, wat aanzienlijk is in deze contreien. Sporadisch trad de Gram Ã…, die ik vanuit mijn raam kon zien, buiten zijn oevers waardoor er grote plassen ontstonden in de omringende weilanden en een paar keer heeft zelfs mijn moestuin blank gestaan. Maar het water trok zich langzaam terug of zakte weg in de grond. Mijn dieren zijn nooit echt in gevaar geweest, en slechts een deel van de oogst is verloren gegaan.

Het voorjaar bereikt onze streek dankzij de zuidelijke ligging trouwens eerder dan de rest van Denemarken, en het Zuid-Jutse voorjaar is dan ook iets bijzonders. De flora en fauna zijn misschien niet zo rijk als elders, al ligt het er maar net aan hoe je het bekijkt: de paardenbloem die door de lokale bevolking trollenblad werd genoemd, deed het er overal goed en zo helder geel heb ik die nergens anders zien bloeien. Als de bloemen oplichtten in de ochtendmist, die door de nabijheid van de zee nogal eens boven de velden hing, was het alsof ze zo uit de grond schoten, alsof ze speciaal voor jou gemaakt waren.

Als de mist dan in de loop van de dag was opgetrokken, kon je kijken zo ver het oog reikte. Het landschap was net een prairie, vlak en verlaten, en zelden stak er iets boven het maaiveld uit. Een uitzondering was de heuvel van Gram. Die stak wel zesenhalve meter boven de zeespiegel uit, goed zichtbaar, vooral voor mensen zoals wij, die in het laagland bij de rivier woonden. Bij helder weer kon je de heuvel vanaf elke plek bij mijn farm zien. Op de fiets was ik in minder dan tien minuten aan de top, met tegenwind deed ik er een kwartier over. Als het ’s nachts had gevroren en de weg glad was, moest ik afstappen en met de fiets aan de hand naar boven lopen en dan deed ik er wel een halfuur over. In al die jaren die ik in Zuid-Jutland doorbracht, heb ik vaak op de top van de heuvel van Gram gestaan en uitgekeken naar alle vier de windsteken. De plek had als bijnaam ‘de Windheuvel’ en dat was niet voor niets.

Vaak woei het er zo hard dat ik me met een hand aan een verkeersbord moest vasthouden en met de andere aan mijn fiets. De velden strekten zich uit tot in het oneindige, leek het wel. In het westen was aan de horizon een donkere streep te zien waar alles leek op te houden. Je zou denken dat dit het einde van de wereld was, maar daar lag het bosrijke natuurgebied Stensbæks Plantage. Hier kon je in december kerstbomen kopen en tijdens de rest van het jaar tuinkabouters. Aan de andere kant van het bos lag de Waddenzee.

Het voorjaar kwam zelden in één keer, maar maakte eerst een paar schijnbewegingen. Soms was ik er aan het eind van de dag van overtuigd dat mijn dieren naar buiten konden, maar de volgende ochtend was alles weer in mist gehuld als in een lijkwade, en dan twijfelde ik weer.

Mijn twijfel verdween zodra de wereld opnieuw voor mijn ogen werd geboren, en dit schouwspel voltrok zich dag na dag. In het laagland werd je er voortdurend op gewezen dat niets zeker was, en ik geloof dat de kleuren van het landschap daardoor extra diepte en gewicht kregen. In het voorjaar ging je hart sneller kloppen bij de aanblik van de bossen, watertjes en bloemenweiden, en je wilde maar wat graag met je armen in de lucht in de rondte springen, maar je deed het niet want het was alsof iemand je vastgreep en tegenhield. Ik wist dat er plaatsen op de wereld waren waar alles opwaarts streefde, omhoog naar de gouden hemel, maar hier was de hemel zelden van goud en je voelde de zwaartekracht aan je trekken.

Zelfs de jeugdige inwoners hadden er de neiging om enigszins voorovergebogen te lopen. Geen mens kon makkelijk ademhalen in die vochtige lucht en astma was een veelvoorkomende ziekte. Als je jarenlang in dit laagland hebt gewoond en terugkijkt op die tijd, dan realiseer je je tot je verbazing dat je als het ware op de aarde hebt rondgekropen. Ja, vaak zelfs eronder.

De Zuid-Jutten, en vooral degenen die ten westen van Gram woonden, waren zich bijzonder bewust van de vergankelijkheid van het bestaan en wezen elkaar geregeld op de ‘ernst van het leven’. Wanneer ze bijvoorbeeld een toost uitbrachten in het café, zeiden ze: ‘Proost, zolang we nog vrienden zijn!’ Want voor je het wist had iemand iets verkeerds gezegd, en de vechtpartij van de vorige zaterdag waren ze nog niet vergeten.

Wanneer het geluk iemand toelachte, of hij nu de voetbaltoto had gewonnen of eindelijk een nakomeling had gekregen, dan kon de persoon in kwestie opmerken: ‘Het leven is zo gek nog niet.’ Maar dat werd dan gezegd met een enigszins bedachtzame stem en een gezicht waar geen enkele blijdschap van viel af te lezen. Deze erkenning van de schoonheid van het leven riep ook een zekere angst en weemoed op, want je wist nooit hoelang alles nog zou duren en of je het wel verdiende.

Om dezelfde reden werd er zelden iets gevierd. Wat je al helemaal niet liet zien, was dat je trots was, dat deed een Zuid-Jut nu eenmaal niet. Of zoals onze godsdienstleraar van de plaatselijke middelbare school het altijd zei: ‘Jullie zijn Zuid-Jutten, dat is niet iets om trots op te zijn. Wees vooral dankbaar.’ Hij vond het erg belangrijk dat we het verschil wisten tussen trots en dankbaarheid. Trots was een gevoel dat naar buiten gericht was, dat je aan anderen liet zien, die daardoor jaloers konden worden. Dankbaarheid daarentegen was naar binnen gericht en gaf innerlijke voldoening, en daarin lag de beloning besloten.

Voor zover ik weet waren er geen leerlingen die durfden te vragen waarvoor we eigenlijk dankbaar moesten zijn. Dat moest je zelf maar bedenken. En juist het talent om niets te vragen, maar er in stilte ‘het jouwe’ van te denken, was een talent dat bij iedereen goed ontwikkeld was.

Die typische ochtendmist had je zelden aan het eind van de zomer. Dan waren er alleen weer periodes van droogte waardoor de lucht vol stof was. In mijn jeugd hadden de boeren de nare gewoonte om alle bosjes weg te halen die de akkers van elkaar scheidden om zo sneller te kunnen zaaien en oogsten. Daardoor kreeg de wind vrij spel en die blies de zanderige bovenlaag de lucht in waardoor je nog minder zicht had dan bij mist. De zandkorrels prikten in je ogen als je buiten aan het werk was en de wind bracht het zand naar plekken waar het niet vandaan kwam.

Het sloeg neer in de drinkbakjes van de dieren, stoof onder deuren en ramen door en midden op de weg vormde het zandduinen die door de auto’s weer op wervelden. Als je op een windstille zondag in de tuin zat, verscheen er soms aan de horizon een kleine stofwolk die langzaam dichterbij kwam. Dat kon betekenen dat er een auto naderde. In die tijd was het in om ‘een ritje te maken’ en vrienden en familie te verrassen met een bezoekje, maar alleen op zondag. Dus ook al verwachtte je geen bezoek, je zette wel vast water op, want je wist maar nooit.

Het duurde vaak wel even voor de stofwolk zo dichtbij was dat je de auto kon zien en voor hetzelfde geld waren het mensen die je helemaal niet kende, zondagsrijders van buiten het dorp. De ouderen uit de streek konden elke stofwolk duiden en ze zetten zelden voor niets water op. Ze konden namelijk van grote afstand, puur door de contouren van de stofwolk, al zien wat voor auto het was. De alleroudsten onder hen beweerden zelfs dat ze aan de stofwolk konden zien of er een man of een vrouw achter het stuur zat.

In onze streek had je een mooi wildbestand. Het gewoonst waren de hazen, vossen, fazanten en patrijzen, maar in het grote bos van Gram zaten ook reeën. Soms stak er een everzwijn vanuit het zuiden de grens over. Everzwijnen waren niet bepaald populair en er werd op ze gejaagd door de boeren, omdat de mannetjes graag de stallen binnendrongen om de tamme zeugen te dekken. Dat is twee keer gebeurd in mijn tijd, en ik weet nog goed hoe de biggetjes eruit zagen die het resultaat waren van een dergelijk vergrijp. Ze waren donkerder dan andere biggen, hadden meer haar en sommige waren gestreept. Hoewel er niets mis was met ze en hun vlees heel lekker moest zijn, wilde de slachterij ze niet van de boer kopen.

De dieren moesten aan particulieren verkocht worden en dat was evenmin makkelijk want het gerucht ging dat ze ziektes bij zich hadden. Ziektes die het mannetje had meegebracht uit Duitsland.

Een paar keer schijnt een mannetje met hulp van een stel herrieschoppers uit het buurdorp Sønder Hygum een stal binnengekomen te zijn. Er was een weddenschap gaande over hoeveel zeugen zo’n everzwijnmannetje in een nacht kon dekken. De dorpsagent pakte drie jongemannen op en confisqueerde een paar foto’s, waarop het everzwijnmannetje in actie te zien was. Het gerucht ging dat het dier de vijfendertig gehaald had en mijn vader beweerde dat de agent de foto’s in zijn slaapkamer had opgehangen. Hoe hij dat wist, zei hij er niet bij.

Ik heb nooit gehoord hoe het met dat everzwijn is afgelopen, maar men zegt dat het everzwijn in het algemeen moeilijke tijden doormaakt in Zuid-Jutland en dat er zich maar een klein groepje ophoudt in het bos bij het dorpje Øster Lindet. Het zou ontzettend jammer zijn als hen hetzelfde lot zou treffen als de wolven en de beren die je nu alleen nog maar in de dierentuin kunt zien. Ik ben oprecht de mening toegedaan dat ze moeten proberen om de wolf en de beer in de Zuid-Jutse natuur uit te zetten. Pas dan is het plaatje van mijn geboortestreek weer compleet en ik wed dat er gebieden zijn waar ze probleemloos in de natuur zullen opgaan.
Een ander dier dat volgens de mensen ziektes vanuit het zuiden met zich meebracht was de vos. Die scheen rabiës te hebben, ook wel hondsdolheid genoemd, en als er een vos gevonden werd op een landweg, stuiptrekkend en met schuim om de bek, dan was het hele dorp in rep en roer.

Het beest werd niet alleen afgeschoten maar men begoot het met benzine en gooide er een lucifer op. Het verkoolde lijk werd begraven zonder dat een mens of dier het had aangeraakt, want hondsdolheid was erg besmettelijk. Naar verluidt was een hond uit het dorpje Tiset gebeten door een vos, waarna het beest een postbode aanviel, die diezelfde avond zijn schoonmoeder in de hals beet zodat het bloed eruit spoot. Het is niet vreemd dat vossenholen regelmatig werden uitgerookt en dat vossen werden doodgeschoten om de ziekte voor te zijn.

Zo slecht is het de raven gelukkig niet vergaan. Om de een of andere reden hebben die altijd de voorkeur gegeven aan Zuid-Jutland boven de rest van Denemarken en voor zover ik weet zijn er meer dan twintig broedparen, waarvan er een paartje in het grote bos van Gram leeft. Ik wed dat dit hetzelfde paartje is dat daar eind jaren zestig zat, want raven kunnen wel honderd, ja, soms nog ouder worden. Graaf Brockenhuus-Schack, die een goede bekende van me is en wiens vader een amateur-ornitholoog was, vertelde me dat de raven die als eerste bij de Tower of London geringd werden nog altijd leven, en dat ringen vond plaats aan het begin van de twintigste eeuw.


Download het fragment als PDF

Uit het dagboek van een konijnenfokker heb ik met plezier gelezen. Het had voor mij een beetje de zelfde sfeer als David Grossmans Het zigzagkind, een leeftijdsloos verhaal. Jepsen geeft een goede sfeerbeschrijving van het dorp en het rustige leven in de jaren zestig . De compleet andere ‘jaren 60’ zijn aan dit dorp totaal voorbij gegaan. Ik heb erg moeten lachen om die droog komische opmerkingen en maffe situaties waar de kinderen in terechtkomen.’ - Boekhandel Van Stockum Den Haag

'Denkbeeldig zie je Jepsens ogen twinkelen terwijl hij nog een slokje van zijn koffiepunch neemt en besluit dat Frode een bom legt onder zijn hele verhaal. Klabam.' - Fleur Speet op Athenaeum.nl

‘God nog aan toe, wat kan Jepsen schrijven. Je kunt niet anders dan lachen, je verbazen en weer van voren af aan beginnen.’ – Politiken

Bespreking op Athenaeum.nl

Is iedereen niet eigenlijk een vreemdeling in zijn eigen besloten samenleving? Dat is een van de vragen die de nieuw vertaalde roman van de Deen Erling Jepsen oproept. In Uit het dagboek van een konijnenfokker (Den sønderjyske farm, vertaald door Edith Koenders) volgen we de tienerjaren van Allan, een dertienjarige die konijnen fokt voor de slacht en dat met heel veel liefde doet. Dat gegeven leidt tot een onderhoudende roman over een stel malle Denen.

Bron: Athenaeum.nl