BOEKEN

BOEK

Sneeuwengelen

Sneeuwengelen

Stewart O'Nan

Stewart O'Nan is een van de grote Amerikaanse vertellers en hij wordt terecht vergeleken met Cormac McCarthy, Richard Yates en Annie Proulx. Hij is een grandioze waarnemer van het menselijk gedrag, altijd vol mededogen. Hem is gelukt wat alleen grote schijvers voor elkaar krijgen: waarachtig en ontroerend te zijn.

Een besneeuwde wintermiddag in het stadje Butler, Pennsylvania. De veertienjarige Arthur Parkinson repeteert met de blaaskapel van zijn highschool. Plotseling klinken er schoten, bedreigend dichtbij. Wat Arthur hoort zijn de schoten op Annie Marchand, zijn vroegere babysitter en het object van zijn eerste erotische begeerte.

Annie is een mooie jonge vrouw, maar niets in haar leven lijkt te lukken. Ze houdt van haar man Glenn, maar hij vlucht in de drank, ze verafgoodt haar dochtertje Tara, maar toch schiet haar hand vaak uit, ze is graag bij haar beste vriendin, maar bedriegt haar met haar man. Onmacht brengt Annie in situaties die ze niet kan beheersen.

Ook in Arthurs leven loopt het een en ander mis. Zijn ouders gaan scheiden. Het verhaal van Arthurs familie wordt verweven met de lotgevallen van Annie, en samen vormen ze de basis van deze intieme geschiedenis over de prijs die betaald moet worden voor liefde en verbondenheid.

Waar overschijden we - meestal zonder het zelf te merken - grenzen bij onszelf en bij anderen? En waarom haten we de mensen die ons het meest nabij zijn soms zo hartstochtelijk?

Stewart O'Nan is een van de grote Amerikaanse vertellers en hij wordt terecht vergeleken met Cormac McCarthy, Richard Yates en Annie Proulx. Hij is een grandioze waarnemer van het menselijk gedrag, altijd vol mededogen. Hem is gelukt wat alleen grote schijvers voor elkaar krijgen: waarachtig en ontroerend te zijn.

   

In de herfst dat mijn vader vertrok, speelde ik in de fanfare, in het midden van de tweede rij trombones, want ik zat nog in de eerste klas. Op dinsdag en woensdag oefenden we in het muzieklokaal, maar op vrijdag nam meneer Chervenick ons mee naar buiten, met onze donzen jacks, onze petjes van de Pittsburgh Steelers en onze zware laarzen; en dan namen we de voetbrug over de snelweg naar het sportveld van de middle school, waar we net als het footballteam in rechte bochten en haarspeldbochten liepen, en daar oefenden we ook een manoeuvre die meneer Chervenick een ‘binnenwaartse draai’ noemde, want ter afsluiting van elke pauzeshow beschreven we–met honderdtweeëntwintig man–een trechtervormige draaikolk, bedoeld als verwijzing naar de bijnaam van onze school,'de gouden tornado's'. We kregen het nooit helemaal onder de knie, maar elke vrijdag probeerde meneer Chervenick ons ertoe aan te zetten; met zijn chocoladebruine leren jasje, zijn zachtleren handschoenen en zijn glanzende leren schoeisel draafde hij over het glibberige, bevroren gras en dwong ons allemaal in formatie, tot dat hij het spuugzat was en een weerspannige hoboïst niet meer gewoon in lijn bracht met de rest, maar hem of haar bij de schouders pakte, met als gevolg dat de hele blazerssectie tot stilstand kwam, en daarna het koper en het slagwerk, en dan konden we weer helemaal opnieuw beginnen.

Half december op een late vrijdagmiddag waren we aan het oefenen voor de tornado. Het begon al te schemeren en er viel sneeuw, maar die zaterdag was onze laatste thuiswedstrijd en meneer Chervenick had de conciërge ertoe overgehaald om de lampen aan te steken. Er was die dag al meer dan twee centimeter gevallen en het was onmogelijk de lijnen te zien. ‘Fout, fout, fout!’ riep meneer Chervenick. Het meisje dat met de xylofoon zeulde, gleed uit en verstuikte haar enkel, en daarna blies hij drie keer op zijn fluitje, wat inhield dat we moesten aantreden voor een laatste aanmoedigende preek, waarna we konden gaan. Chervenick beklom de drie treden van zijn kleine verhoging op wieltjes en liet ons daar een minuut lang in stilte staan, zodat maar goed tot ons zou doordringen hoe teleurgesteld hij in ons was. De sneeuw hoopte zich op in onze haren. Achter de vlokkenzee die door het licht van de hoge lampen omlaag dwarrelde, klonken de dreinende, ratelende sneeuwkettingen van een truck met oplegger die over de snelweg reed. In het dal, weggemoffeld onder het wolkendek, lag het gloeiende wegennet van Butler, met zijn donkere rivier en draaiende molens. ‘We hebben dit jaar allemaal heel erg ons best gedaan,’ zei hij, waarna hij even pauzeerde en rook uitblies, alsof hij een heel stadion toesprak en wachtte tot zijn woorden waren rondgegaan. Naast me stond Warren Hardesty, die iets mompelde –een grap, een weerwoord– en daarna hoorden we iets wat ik meteen herkende (van mijn eigen .22, van de Mossberg van mijn vader, van het nieuws op tv over Vietnam) als geweerschoten. Een aantal knallen, kort achter elkaar. Het leek wel knetterend vuurwerk en het klonk boven de kale bomen uit, aan de andere kant van de snelweg. Dat was vlakbij. Het hele fanfareorkest draaide zich als één man die kant op, iets wat meneer Chervenick nog nooit voor elkaar had gekregen.

Verstuur het omslag als e-card

Bron: Covercards.nl

Bespreking door Mieke van der Weij

Sneeuwengelen is het romandebuut van Stewart O’Nan (1961). Aanvankelijk had hij een technisch beroep, maar hij koos er toch voor te doen wat hij het leukst vond: schrijven.

Bron: NCRVGids.nl

Bespreking op LiterairNederland.nl

Het beeld dat overblijft nadat de kruitdamp is opgetrokken, is dat van een puberale jongeman die het allemaal niet zo goed weet en die noch de dood van Tara en Annie, noch de diepe kloof tussen zijn ouders weet te plaatsen. Adembenemend zoals O’Nan ons dat overbrengt.

Bron: LiterairNederland.nl

bekroond met de Faulknerprijs