BOEKEN

BOEK

Schoenenpaleis Pallas

Schoenenpaleis Pallas

Amelie Fried

Zij schreef dit onthutsende boek voor hen en voor alle anderen die willen weten hoe de oorlog in het dagelijks leven ingrijpt, bijvoorbeeld in het leven van een schoenenverkoper.

1933. De nazi’s roepen op tot een boycot van alle joodse winkels. Ook Franz en Martha Fried, eigenaren van de gerenommeerde schoenwinkel Pallas, worden het slachtoffer van de agressie. De winkel moet sluiten, Franz Fried wordt op straat in elkaar geslagen. Hij doet publiekelijk zijn beklag en kan lange tijd niet bevatten dat hij geen rechten meer heeft.

Ten slotte wordt Franz Fried gearresteerd en in een concentratiekamp opgesloten. Om ten minste zijn schoenwinkel te redden zwicht hij voor de druk en laat zich scheiden van zijn vrouw. Maar daardoor raakt hij in nog groter gevaar, want hij verliest de bescherming die een huwelijk met een ‘Arische vrouw’ hem bood. Hij weet het kamp en de oorlog alleen door een ongelooflijk toeval te overleven.

Na de bevrijding leidt de familie weer een ‘normaal’ leven. De vader van Amelie Fried wordt krantenuitgever, maar deze man van het woord zwijgt zijn leven lang over het verleden. Wat betekent het voor kinderen en kleinkinderen als er niet gesproken wordt over de geschiedenis van de familie, als ouders en grootouders een heel tijdperk gewoon wissen?

‘Als opgroeiend kind heb ik geleden onder de afstand tussen mijn vader en mij, en ik deed er alles aan om zijn liefde en waardering te winnen, meestal vergeefs. Natuurlijk dacht ik dat de distantie aan mij te wijten was. Ik begin nu pas iets te begrijpen van zijn krenking en afwijzing.’

Amelie Fried probeert erachter te komen waarom de Frieds en bijna al hun lotgenoten er zo verbeten het zwijgen toe deden en doen. Ze moet haar familiegeschiedenis letterlijk ontdekken. Ze vindt dat haar kinderen er recht op hebben die te kennen. Zij schreef dit onthutsende boek voor hen en voor alle anderen die willen weten hoe de oorlog in het dagelijks leven ingrijpt, bijvoorbeeld in het leven van een schoenenverkoper.

   

7 november 2004. Mijn man Peter belt uit New York, waar hij heeft meegelopen in de beroemde marathon, een gebeurtenis waar we allemaal wekenlang koortsachtig naartoe hebben geleefd. Opgewonden vraag ik hoe het is gegaan, wat zijn tijd was, en of zijn vrienden ook goede prestaties hebben geleverd. Hij antwoordt op mijn vragen, maar maakt een merkwaardig afwezige indruk.

Opeens vraagt hij: ‘Zegt de naam Max Fried je eigenlijk iets?’
‘Nooit van gehoord,’ zeg ik.
‘Raar. Die Max Fried heeft dezelfde ouders als jouw grootvader.’
Ik begrijp het niet meteen. ‘Wat bedoel je met: hij heeft dezelfde ouders als mijn grootvader? Dan zou hij toch…’
‘… een oudoom van je zijn.’

‘Ik weet niet of mijn opa broers of zussen had,’ zeg ik. ‘Eigenlijk weet ik helemaal niets van hem.’ Ik krijg een onprettig gevoel. ‘Hoe kom je daar eigenlijk op?’
‘Ik was in het Leo Baeck Institute,’ legde Peter uit, ‘en daar heb ik het Gedenkboek van de Joden uit München doorgebladerd. Toen kwam ik een Max Fried tegen, getrouwd met Lilli Fried, die van zichzelf Schwarzschild heette.’

‘En daarvoor moest je helemaal naar New York reizen?’ vroeg ik spottend, want het Gedenkboek is samengesteld door medewerkers van het Stadsarchief in München. Dan schiet me te binnen dat de meeste mensen die in het Gedenkboek voorkomen de nazitijd niet hebben overleefd.
Een ogenblik valt de lijn stil.

Ten slotte zegt Peter: ‘Max en Lilli Fried werden op 13 maart 1943 gedeporteerd en in Auschwitz vermoord.’