BOEKEN

BOEK

Portret van een onbekend meisje

Portret van een onbekend meisje

Aleksandr Skorobogatov

Sasha en Katia hebben hun toekomst samen helemaal uitgestippeld. Maar wanneer hun omgeving erachter komt dat Katia zwanger is, moet het jonge stel plotseling het gevecht aangaan met hun vrienden en familie – en met de onontkoombare realiteit van Sovjet-Rusland.

De zon scheen ongewoon fel op de dag dat Sasha haar voor het eerst ontmoette, dat staat hem jaren later nog helder bij. Ze speelden een spel met de andere buurtkinderen, maar elke herinnering daaraan verbleekt bij de indruk die Katia achterliet. De volgende ochtend wist Sasha niet hoe snel hij het klaslokaal uit moest rennen, en vloog direct naar haar huis – ze is alleen maar mooier geworden, hoe heeft ze dat in één dag voor elkaar gekregen?

De liefde slokt het tweetal op – ze geven zich volledig aan elkaar over. Aanvankelijk tot vertedering van hun ouders, maar al snel stuit het jonge stel op wat toelaatbaar is en wat verboden. Wanneer haar vader ontdekt dat Katia zwanger is, worden hun toekomstdromen ruw verstoord. De wereld die zij voor zichzelf creëerden, blijkt onacceptabel voor ouders, leraren en politieagenten in een land waar iedereen vóór alles de Partij moet volgen.

Portret van een onbekend meisje is een rauwe, zinderende geschiedenis van een eerste, even mooie als destructieve liefde, en tegelijk een harde afrekening met een regime dat mensen breekt, puurheid en onschuld straft en levens verwoest. Skorobogatov betovert zijn lezers met zijn unieke zinnelijke stijl, die de jeugdherinneringen van Sasha op bewonderenswaardige wijze tot leven doet komen.

Ook leverbaar als eboek

   

Wat is het vreemd om de jaren te tellen die sinds die dag verstreken zijn: het blijken er onverwacht veel te zijn, maar ik vergis me niet. De rekensom, hoe groot ook, klopt wel degelijk. Ik was dertien, april was net voor de helft voorbij (ik herinner me de datum nog); wanneer ik terugdenk aan die vervlogen kindertijd in de lente, vraag ik me af: als ik nu eens door een wonder, tegen de wetten van het tijdsverloop, de geboorte en de wisseling van de gebeurtenissen in, plots de gevolgen van mijn ontmoeting met haar had kunnen voorzien, wat zou ik dan hebben gedaan?

Zou ik dan besloten hebben die ontmoeting te vermijden, mijn verdere levensloop te veranderen, zowel mezelf als anderen te vrijwaren van alle overbodige, verdrietige en gewoonweg vreselijke dingen die deze ontmoeting teweegbracht, van alles wat me jarenlang heeft toegeschenen als geluk, en helaas voor altijd mijn leven heeft bepaald, en niet alleen het mijne? Misschien wel, alleen werden die gevolgen me niet geopenbaard, werd de tijd niet teruggedraaid, vonden de gebeurtenissen toch plaats en wisselden ze elkaar af volgens de wetten van het hemelse mechanisme, dat zuinig omspringt met wonderen, zelfs in veel dramatischere omstandigheden.

In de zachte gloed van de vroege avondzon stak ze met snelle, lichte passen en gebogen hoofd de binnenplaats schuin over – zo zag ik haar voor het eerst, ze was nog maar pas verhuisd naar ons appartementsgebouw en voor mij had ze nog geen naam – en enkele uren later ontspon er zich een spel in ons portiek, zo’n spel waar wij, kortgeleden nog kinderen, eigenlijk al te groot voor waren, maar het weinig vindingrijke lot, ook al was het me in die tijd nog gunstig gezind, kende geen andere manier om ons aan elkaar voor te stellen.

Vandaag kan ik niet meer zeggen wat precies de zin was van het spel en met welke bedoeling twee spelers in het portiek moesten gaan staan – terwijl de rest buiten op de banken zat – en, als ik me niet vergis, vragen moesten bedenken voor de anderen. Wat ik nog wel weet, en zelfs voel, is hoe pijnlijk zoet mijn borst samenkneep, hoe mijn adem stokte toen haar handen volgens de regels van het spel de mijne aanraakten: ze had mij uitgekozen, en ik moest met haar mee. Kort daarop keerden we terug, maar dat was enkel de eerste keer zo; toen ik de tweede keer met haar in het portiek belandde, vergat ik niet alleen dat we een spel aan het spelen waren, maar ook dat er op ons gewacht werd.

Op haar knie zat een bruinig korstje van een genezend wondje waar ze mijmerend haar vingers over liet gaan, en ik kon maar niet begrijpen waarom dat wondje me zo opwond, waarom ik mijn blik moeilijk kon afwenden van dat wondje, van haar knie en van haar vingers die ernaartoe gleden, en waarom ik er zo naar verlangde om het wondje aan te raken met mijn lippen, met mijn lippen de warme zachtheid van haar huid te voelen, haar vingers vast te nemen. Maar dit was natuurlijk verschrikkelijk, volkomen ondenkbaar en onmogelijk, het zou dan ook nooit gebeuren, ik zou zoiets nooit durven doen, ik had zelfs niet de moed om een halve stap dichter bij haar te gaan staan, ik zou haar voor altijd krenken, ze zou me voor altijd een schoft vinden, ze zou meteen weggaan en me nooit meer willen zien, sterker nog, ze zou vol weerzin aan me denken, en mijn hart zou hoe dan ook uiteenbarsten: ofwel wanneer ik haar zou aanraken, ofwel wanneer ze zou weggaan.

We liepen terug naar buiten toen het al aardedonker was (iedereen was weggegaan zonder te wachten tot we terugkwamen), en we hadden blijkbaar de hele lange avond in het portaal staan praten over dingen waarover je praat wanneer alles wat ertoe doet bijvoorbeeld zo’n wondje is dat ze had overgehouden aan een valpartij tijdens een of ander kinderspel, of de omtrek van haar fijne lippen, een korte zucht waardoor haar borst lichtjes omhoogging, haar stille stem, de blik in haar donkere ogen, en het er helemaal niet toe doet wat er gebeurt in de vreemde wereld om ons heen.

De volgende ochtend vonden er lessen plaats op school, en daarna ging ik meteen naar haar toe, zonder eerst langs huis te gaan. Het was een dag waarop de zon fel en doordringend scheen, en dat is geen spel van een plasticine geheugen dat moeite doet om boven elke gelukkige dag uit een ver verleden een binnengesmokkelde zon te laten verrijzen, die zo stralend en voor onze contreien zo ongebruikelijk is, dat je zo ook wel ziet hoe vreemdsoortig ze is. Ik belde aan, en ze deed open. Om een of andere reden verbaasde het haar dat ik naar haar huis was gekomen terwijl we elkaar pas de vorige dag hadden ontmoet.

En mij verbaasde het dat ze in ̩̩n dag tijd de kans had gezien om te veranderen, nog prachtiger te worden. En hoewel mijn adem opnieuw stokte van verrukte opwinding, was ze me al zo vertrouwd, dat ik het gevoel had dat ik haar al jaren kende. Ze kwam het trappenhuis in gelopen, ging enkele treden naar boven en bleef zo boven me staan dat het zonlicht uit het portiekraam op haar rug viel, en haar haar flikkerde op alsof er levend goud rond haar hoofd straalde, op haar schouders viel, achter haar rug stroomde. Dat alles herinner ik me nog alsof het nu gebeurt Рde opwinding, de vreugde, en al die zonneschijn die me jarenlang zou verblinden; het was een tijd waarin het leven me het ene geschenk na het andere gaf, en er, zo leek het wel, niets, helemaal niets voor in ruil vroeg.

Algauw, na enkele dagen tijd, was ik zodanig gegrepen en in beslag genomen door onze liefde, dat alle andere gebeurtenissen uit mijn late kindertijd overgingen in een andere, aanzienlijk minder belangrijke dimensie: ze bestonden wel, ik nam er zelfs deel aan, en de meest aandachtige, diep nadenkende en ervaren toeschouwer zou me niet uit de rij leeftijdsgenoten kunnen pikken en me determineren op basis van mijn leven in een andere wereld – en toch was dat precies wat er gebeurde: iedereen werd een vreemde voor me, en alles werd onnodig voor mij, alles behalve zij.

Niemand van mijn vrienden had er ook maar een flauw benul van hoe snel we alle mogelijke grenzen, alle beschermende versperringen en verdedigingsconstructies overstaken die een verenigd toezichtcomit̩ van het lot op de weg van onze vroege, te onstuimige liefde had gezet, hoe snel onze liefde helemaal volwassen werd, hoe snel we zo dicht naar elkaar toegroeiden, zoals dit zelden of waarschijnlijk nooit gebeurt tussen mensen Рzo dacht ik, en dat was niet het enige waarin ik me vergiste.

De avondzon zakte achter het huis, en daarachter liep de weg die we over moesten om de straatjes in te gaan langs de bloeiende tuinen in de richting van de verre meren, waar we in het begin vaak kwamen. De richting op zich deed er niet toe, wat ons aantrok waren verlaten plaatsen die me massa’s geluk beloofden omdat ik dicht bij haar was tussen de bescheiden landschappen van onze contreien; we konden elkaar bijna onbeperkt zien bij de deur in het trappenhuis; in het begin mocht ik zelfs bij haar thuis komen wanneer haar ouders er niet waren.

Onze wandelingen leidden ons in drie richtingen: het bos, dat we na een minuut of tien lopen al bereikten, een echt bos met alles erop en eraan; de vijvers en op weg erheen de industriële landschappen – bedrijven en fabrieken die hier op het vreemde af talrijk aanwezig waren – en tot slot het arme, in alle opzichten naargeestige deel van onze wijk met gelijkvloerse gebouwen dat haar oorspronkelijke landelijke trekken had behouden; de denkbeeldige grens ervan was de school die ik bezocht.

In het begin kon ik nog enkele dagen na elkaar zonder haar leven, en soms zelfs langer – laten we zeggen dat ik niet stierf of gek werd toen ze die eerste zomer op kamp werd gestuurd, iets wat een jaar later zeker wel het geval zou zijn, maar ik overleefde het en wist me te handhaven, hoewel ik mezelf opvrat bij de gedachte dat ze in het kamp weleens haar oog zou kunnen laten vallen op iemand anders – maar kort daarop, tijdens onze eerste herfst samen, moest ik haar echt elke dag zien, en als het kon nog veel vaker.

Haar terugkeer uit het kamp viel samen met het kwellende vooruitzicht dat de lessen op school weer zouden beginnen. In die tijd had ik lang haar (in een iets vroegere kindertijd had ik ervan gedroomd om een indiaan te zijn) en was dat in de mode, maar ik werd gedwongen om het te laten knippen: dat idiote mens van een conrector was al enkele keren in de klas komen foeteren, ik werd bij de directeur geroepen, ze belden mijn moeder op – al die drukte om niets, door die zielloze wezens zonder een greintje fantasie, humor of zelfstandigheid, niet in staat een naaste te begrijpen, ook al was die naaste maar een schooljongen, veroordeeld tot tien jaar studie in een school van het algemeen vormende type.

Ik ging naar een kapperszaak waar een meisje werkte dat er op een handige manier voor kon zorgen dat de lengte van mijn haar er toch acceptabel uitzag voor school, zonder al te veel weg te knippen: kortharigen waren ofwel voorbeeldige leerlingen (maar dat had geen enkel nut: het schoolregime was niet van plan om ze vervroegd vrij te laten wegens goed gedrag), ofwel mensen die onvolwaardig leken, gespeend van elk natuurlijk gevoel voor schoonheid.

Bij de kapper wachtte me een ontgoocheling: het juiste meisje was er niet, haar plaats was ingenomen door een profane kapster wie het geen moer kon schelen wat naar mijn normen een toelaatbare haarlengte was. In een oogwenk was mijn haar zo kortgeknipt dat ik, toen ik met mijn halfblinde ogen in de spiegel keek en daarna bij de kapper naar buiten stapte en naar mijn weerspiegeling in de winkelruiten keek, geen haartje meer op mijn hoofd kon onderscheiden; het was wel voelbaar, op de tast, maar het was monsterlijk kort.

Het kale gedrocht liep door de stad in de richting van zijn huis, waar Katia zo goed als zeker met vriendinnen zou rondhangen bij het portiek. Ik nam de bus niet, maar begaf me te voet naar ons huis. Binnen een halfuur verandert je haarlengte nauwelijks, maar daar hoopte ik ook niet op: in mijn wanhoop bedacht ik alleen maar dat ik een ontmoeting met haar moest zien te vermijden.

Toen ik om de acht verdiepingen hoge wolkenkrabber in de kleur van verveling was gelopen, liep ik onze wijk in, terwijl ik het naargeestige deel ervan links van me liet liggen. Zo kwam ik langs de school. Door de tuinen kroop ik naar het portiek. En ja hoor: haar stem was boven de rest uit te horen, en ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om mijn weg voort te zetten en haar in deze schandelijke toestand onder ogen te komen. Tot het bijna donker was, liep ik in rondjes door de eentonige straten van onze wijk en koos de meest uitgestorvene uit.

Pas toen ik zeker wist dat Katia weg was, rende ik naar het portaal – om haar tot mijn verbijstering op het bankje te zien zitten, zo ontroerend, eenzaam achtergebleven om op mij te wachten. Ik zei nauwelijks dag, keerde mijn verminkte hoofd amper naar haar toe, vloog het portiek in en galoppeerde de trap op naar de tweede etage, en als ik daarna niet zat te janken, opgesloten in de badkamer voor de spiegelplank, dan kwam dat zeker niet omdat ik niet wanhopig genoeg was.

Hoelang moest ik me thuis verstoppen om haar niet onder ogen te hoeven komen? Een maand, of twee? Dat is bijna de helft van een leven, in die tijd zou ze vergeten wie en wat ik ben, hoe ik eruitzie en hoe ik heet! Mijn lieve moeder troostte me zo goed ze kon, maar vooral mijn reflectie in profiel, dat ik opbouwde met behulp van twee spiegels, liet me geen enkele hoop: het mooiste meisje van de school, ze zou niet meer van me houden!

Maar de dag erna, toen ik Katia ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch tegen het lijf liep, was ik verbijsterd door de diepte van haar liefde: ze zei dat ze me zo ook best knap vond, en dat dit ongewone kapsel me wel stond, en nog van alles...

Toen we ’s avonds na een lange boswandeling terugkeerden via de woestenij, begroeid met grassoorten die noch ik, noch de wetenschap kende en die ons vervulden met een sterke, scherpe, erg aangename geur, hield ze even de pas in en zei ze dat ik er met mijn nieuwe kapsel in profiel zelfs nog beter uitzag. Ik vroeg me af wanneer mijn moeder met haar contact had gezocht, of was het onmogelijke echt gebeurd en vond ze het niet walgelijk om me zo te zien, gekortwiekt tot op mijn hersens?

Nadat ik haar naar huis had gebracht, bleef ik nog tot laat rondhangen met wat schoolvrienden, en op de terugweg naar huis bleef ik staan voor de ramen van haar appartement die vanbuiten bedekt waren met dikke hoge struiken; ik keek om me heen en ging de voortuin in, onwillekeurig mijn adem inhoudend, alsof ik iets misdadigs of slechts deed – en juist op dat ogenblik ging het licht in haar kamer aan. Zonder te merken dat het raam enkel was afgesloten met tulen gordijnen, die net doorzichtig genoeg waren om haar schaduw op de lichte stof te kunnen onderscheiden, trok Katia haar bloesje over het hoofd, en mijn hart vergat te kloppen: ik zag haar borst, speciaal voor mij lieflijk, zacht en nauwkeurig afgetekend, met de fijne nuances van de schaduw op de half doorzichtige stof.
Het licht ging uit.

Het kloppen van mijn hart kwam opnieuw op gang, door een zwakke windvlaag begonnen de struiken te ruisen, onder het balkon liep een kat voorbij, haar holle, lichtgevende ogen flakkerden mijn richting op, en ze verdween geruisloos in een gat onder het betonnen platform voor het portiek.

Ergens sloeg een deur dicht, een ver, amper hoorbaar vliegtuig zette zijn onderbroken vlucht voort, beetje bij beetje hervatte de aarde haar draaiing rond haar as en haar ster – kortom, alles kwam op een of andere manier weer tot leven, en ik bleef maar in de struiken bij het raam staan, hopend dat het licht weer aan zou gaan en dat haar schaduw opnieuw op het half doorzichtige gordijn zou vallen, dat het lot me nog een onverdiend, maar welkom geschenk zou geven. Het licht ging aan, alleen waren de dikke overgordijnen nu helemaal dichtgeschoven, en die avond kreeg ik haar niet meer te zien.
 


Download het fragment als PDF

'Aleksandr Skorobogatov komt met een roman over de tragische eerste liefde van twee pubers in de Sovjet-Unie van de jaren zeventig. De sensatie van die eerste keer schrijft hij zinderend op. Hij tovert een wereld tevoorschijn van grauw beton en zinnelijk verlangen. Als in een klassieke Russische roman blikt de volwassen Sasja terug op zijn kindertijd. Skorobogatov beschrijft het in de lange meanderende zinnen die zijn stijl ook in zijn eerdere boeken kenmerken. Het wordt allemaal zo rijk beschreven dat Skorobogatov je weet je ontvoeren en te betoveren met zijn mooie taal. Net als in zijn eerdere werk weet hij de armoedige Sovjet-Unie van de jaren zeventig treffend te verbeelden. Maar op zijn best is Skorobogatov toch in zijn liefdesbeschrijvingen. Of het nu een ontroerende en erotische vrijscène tijdens een visuitje betreft of Sasja's obsessieve verlangen.' - NRC Handelsblad ****

'Snedig als het moet, sensueel als het mag én subtiel. Zo zit je snel kniediep in deze roman, vol melancholieke, afgewogen beelden en roezige zinnen. En passant weet Skorobogatov goed de sfeer van het stilaan verkruimelende Sovjet-rijk weer te geven, in een Wit-Russische uithoek vol drankzucht, verveling en vechtpartijen. De rijkgeschakeerde taal van Skorobogatov legt een milde gloed over het geheel. Portret van een onbekend meisje is een ontdekking van formaat.' - De Morgen

'De breed uitwaaierende verteltrant, de veelvuldige dronkenschappen en de daaruit voortvloeiende vechtpartijen, de dramatische afloop, in alle opzichten is de Wit-Russische Aleksandr Skorobogatov (1963) een pendant van de Russische verhaaltraditie.Wat schrijvers als Dostojevski, Tsjechov en Gogol ruim een eeuw geleden deden, doet hij nu in moderne vorm: de Russische ziel vormgeven in lyrische taal, in verhalen over liefde en wraak, opportunisme en eer. Niet het verhaal, maar het plezier van het spelen met taal, staat bij Skorobogatov voorop. En dat spel beheerst hij tot in de puntjes.' - Gooi- en Eemlander ****

‘Hij weet een sfeer te scheppen waarin je zelf in de puurheid en de onschuld van een dergelijk liefde gaat geloven. En tegelijk beseft hoe wankel toch de liefde in het algemeen is. De roman is met veel ziel geschreven, heeft een prachtige melancholische ondertoon. De gebruikte taal – in de vertaling schemert precies genoeg Russisch door – heeft iets ongekends bedwelmends. De zes jaar van liefde en strubbelingen zijn zo mooi, zo sensueel geschreven dat je als vanzelf in ‘hogere sferen’ komt. Deze beroepslezer heeft even een dag vrij moeten nemen van de stapel met voorliggende boeken om van de nawerking van deze geweldige roman bij te komen.’ – Literatuurplein.nl

‘Een absolute ontdekking.’ – De Morgen

‘Skorobogatov roert niet alleen andere thema’s aan dan zijn collega’s, maar schrijft ook uitzonderlijk goed.’ – NRC Handelsblad

‘Aleksandr Skorobogatov zet op moderne én overtuigende wijze de grote literaire traditie van het negentiende-eeuwse Rusland van Dostojevski en Gogol voort.’ – Gazet van Antwerpen

‘Dit boek sleurt je mee van de eerste bladzijde tot de laatste. Een verhaal met vele lagen, vol ironie en zwarte humor.’ – De Standaard over Aarde en water

Interview met Aleksandr Skorobogatov

De niet-schrijvende mens heeft de mogelijkheid zich steen voor steen op te bouwen. De schrijver moet steeds weer opnieuw bij het fundament beginnen. Op zijn achttiende, toen hij aan de toneelschool studeerde, besloot Aleksandr Skorobogatov (1963) zich, gelukkigerwijs voor de rechtgeaarde literatuurliefhebber, volledig aan het schrijven te wijden. Maar van publiceren kon in het Sovjettijdperk geen sprake zijn. Skorobogatovs teksten waren weliswaar goed genoeg, maar ideologisch onacceptabel. En in die dagen was er in Wit-Rusland slechts één staatsuitgeverij. Totdat de Berlijnse Muur viel was hij derhalve veroordeeld tot ‘zelfwerkzaamheid’.

Bron: Literatuurplein.nl

Bespreking in NRC Handelsblad

De Wit-Russische, al jaren in Antwerpen wondende schrijver Aleksandr Skorobogatov (Grodno, 1963) is een eigentijdse vertolker van dat grote gevoel in zijn vijfde roman Portret van een onbekend meisje. Zíjn eerste liefde speelt zich af in de Sovjet-Unie van de jaren zeventig, een grauwe wereld van betonnen flats, waar iedereen elkaar in de gaten houdt. De hoofdpersonen zijn de dertienjarige Sasja en zijn even oude buurmeisje Katia.

Bron: NRClux.nl

Bespreking op Literatuurplein.nl

Op zijn achttiende, toen hij aan de toneelschool studeerde, besloot Aleksandr Skorobogatov (1963) zich, gelukkigerwijs voor de rechtgeaarde literatuurliefhebber, volledig aan het schrijven te wijden. Maar van publiceren kon in het Sovjettijdperk geen sprake zijn. Skorobogatovs teksten waren weliswaar goed genoeg, maar ideologisch onacceptabel. En in die dagen was er in Wit-Rusland slechts één staatsuitgeverij. Totdat de Berlijnse Muur viel was hij derhalve veroordeeld tot ‘zelfwerkzaamheid’.

Bron: Literatuurplein.nl

Blogrecensie van Portret van een onbekend meisje

Portret van een onbekend meisje is een vertelling over verantwoordelijkheid en schuld, keuzes en gevolgen, zin en zinloosheid, en vooral over trouw zijn aan jezelf in een onvoorspelbare wereld. Van de verloren gewaande puurheid blijft er uiteindelijk toch nog iets over... een aardse versie waarmee de mens het moet doen maar die hij zelf in de hand heeft. De toonzetting van deze roman roept een verwantschap op met de iconen uit 19de eeuwse Russische literatuur: Dostojevski, Gorki, Tolstoi, Tsjechov… en Gogol naar wie de schrijver in de titel verwijst. Portret is Gogols kortverhaal over een hebberige keuze die de hoofdpersoon duur komt te staan maar klaagt ook de leegheid en de hypocrisie van de heersende klasse aan. Om van de klassieken en ook van Alexandr Skorobogatov te kunnen genieten, moet je bereid zijn om je van het hedendaagse tempo los te weken en je te laten meevoeren door meanderende gevoelens en scènes. Als je dat kunt, vertellen de breed uitgesponnen reflecties en zelfreflecties je wie het ‘onbekende meisje’ is! ****

Bron: Scriptor-Boekrecensies.blogspot.com

Aleksandr Skorobogatov te gast bij Nooit Meer Slapen

Schrijver Aleksandr Skorobogatov werd geboren in de Wit-Russische stad Grodno. Daar, nabij de Poolse grens, in een uithoek van het Sovjetimperium, groeide hij op in de jaren zestig en zeventig; de jaren van de Grote Stagnatie. Terwijl hij vanaf begin jaren negentig in Antwerpen woont, blijft zijn oude vaderland hem inspireren. Vijf romans schreef hij tot nu toe, waarvan de laatste nu ook in Nederlandse vertaling verschijnt. 'Portret van een onbekend meisje' vertelt de geschiedenis van een even mooie als destructieve liefde, en is tegelijk een harde afrekening met een regime dat mensen breekt, puurheid en onschuld straft en levens verwoest. Pieter van der Wielen spreekt met de Russisch-Vlaamse schrijver Aleksandr Skorobogatov.

Bron: VPRO.nl