BOEKEN

BOEK

Nina Simone

Nina Simone

Gilles Leroy

Gilles Leroy vult met compassie in wat in de boeken over Nina Simones indrukwekkende carrière niet aan de orde komt. Wat bezielde de diva in haar muziek, wat dreef haar in haar politiek engagement, in haar vaak eigenwijze keuzes? Leroy vertelt Simones weg naar de top als een kronkelende weg vol teleurstellingen, alcohol, eenzaamheid en desillusies.

Het enige tegengif: haar onvergetelijke stem. Na haar succes in de VS met het hartverscheurende I Loves You, Porgy, lukte het haar met Ain’t Got No/I Got Life internationaal door te breken. In Nederland stond ze daarmee wekenlang in de Top 40. Haar managers verdiende goed. Maar Nina Simone had ook kanten die de platenbazen vreesden: haar strijd voor burgerrechten en haar pacifisme.

Nadat ze uit protest tegen de Vietnamoorlog geen belasting meer betaalde en de VS ontvluchtte, leefde ze in Afrika, Zwitserland en van 1988 tot 1992 in Nederland. Haar leven wordt steeds chaotischer, het wordt bijna onmogelijk nog op te treden. Hulp kwam van een Nederlandse vriend: hij leidde haar terug naar een stabiel leven. In de jaren negentig veroverde Nina Simone een nieuw publiek en gaf concerten die legendarisch zijn geworden. Nina Simone is uitgegroeid tot een icoon van de twintigste eeuw. Gilles Leroy laat zien hoe zij haar successen keer op keer heeft betaald met een fragiel, kwetsbaar bestaan.

Ook verkrijgbaar als eboek

   

Een nieuweling

Steeds moet hij het adres controleren dat hij met viltstift op de binnenkant van zijn linkerhand heeft geschreven. Als de jongeman dan eindelijk stilhoudt voor het goede nummer, wordt hij getroffen door de eenvoud van de woning. Hij had een indrukwekkende, luxueuze villa verwacht, maar nu staat hij voor een fors, nogal burgerlijk vakantiehuis zonder enige stijl of inspiratie. Boven de intercom aan het hek hangt een camera.
Een naargeestige tuin, het grasveld is een soort strooien mat met gaten en de verschroeide tamarisken zien er meelijwekkend uit, net als de oleanders in potten die van niemand water krijgen. Als je dan na dit beeld van verwaarlozing ook nog het zwembad ziet, waar in het bruine water kleine dierenlijkjes en stinkende algen drijven – een affront in deze buurt, een belediging van de goede smaak –, dan vraag je je af waarom je nog zin zou hebben bij het huis aan te bellen. Maar de jongeman (hij heeft het silhouet van een puber die nog verder moet groeien in de lengte en in de breedte, zijn lichaam heeft een soort anachronistische jeugdigheid vergeleken bij de eerste rimpels in zijn gezicht), die kindman dus, is nog steeds onder de indruk van het idee dat hij nu de donkere vrouw gaat ontmoeten die hem beschreven is als een buitenissig schepsel dat ook iets monsterlijks heeft.
De deur gaat open en een gang wordt zichtbaar die geheel in duisternis is gedompeld. Wanneer zijn ogen aan het donker gewend zijn, realiseert hij zich dat het geen gang is maar een grote salon waar de elektrische luiken zijn neergelaten. ‘Hallo.’ De blonde, jonge vrouw heeft een plat Engels accent en een scherp gezicht als een spitsmuis. ‘Ik ben Wendy, de kleedster en persoonlijk verzorgster. U bent zeker Ricardo? Kom maar mee, ze verwacht u. Maar ik moet u waarschuwen, het is niet zo’n goede dag.’ ‘Misschien beter morgen dan? Zal ik morgen terugkomen?’ Wendy glimlacht om Ricardo’s schrik en zijn haast om weer te vertrekken. Ondanks het halfdonker hebben zijn scherpe ogen en neus de omvang van de ravage al vastgesteld: contouren van oude maaltijden op de salontafel en bijzettafeltjes, een veelheid aan rommel en de muffe lucht van stoffigheid. Beter om hem te smeren, ja.
‘Morgen is het misschien nog erger,’ zegt de verzorgster, en met een stevige hand in zijn rug duwt ze hem de trap op. Boven, op de overloop, staat een deur half open. Wendy schuift hem verder deze kamer in, waar het nauwelijks minder donker is. De luiken zijn een paar centimeter omhoog geschoven. De bezoeker ziet vaag een bed, en op dat bed de vorm van een lichaam. Een groot, massief lichaam. Eindelijk spreekt er een stem: ‘Ik heb niks gevraagd. Ik weet niet wat ze je beloofd hebben, maar mij is niets gevraagd.
Ik ben omringd door nietsnutten die ik een godsvermogen betaal, maar ik ben nog steeds degene die beslist wie ik hier over de vloer wil hebben. Zeg eens iets wat me ervan overtuigt dat ik je in dienst moet nemen? Om te beginnen, spreek je inderdaad Engels?’
De kandidaat drukt zich uit in een soort winkel-Engels, een beetje eenvoudige taal maar begrijpelijk en redelijk vlot.
De stem in het duister: ‘Hoe heet je?’
De kindman: ‘Ricardo.’
De stem: ‘Waar kom je vandaan, Ricardo?’
Hij: ‘Van de Filippijnen.’
De stem: ‘En geloof je in God, Ricardo?’
Hij: ‘O ja, Miss Simone, ik ben een goede katholiek.’
De stem barst in lachen uit, het hele lichaam schudt, zo hard dat het bed eronder kraakt. Wat een donkere huid heeft ze. Als ze lacht, ziet hij alleen haar tanden en het glanzende wit van haar ogen.
Miss Simone: ‘We geven hier geen donder om God en zijn heiligen. Daar had ik je mooi te pakken. Kun je koken?’ Ricardo wiebelt van zijn ene voet op de andere, hij frummelt aan het kinbandje van zijn helm en weet niet meteen wat hij moet zeggen.
‘Ze hadden het over schoonmaken, en strijken... niet over koken. Maar ik kan wel koken. Ik doe het graag.’
‘Ik zeg het nog een keer: dit is mijn huis, en ik deel hier de bevelen uit. Er is wel een kokkin, die kleine dikke, Mireille heet ze, misschien ben je haar al tegengekomen?
Nee? Verdorie, ze heeft meer snorharen dan jij. Ze vergiftigt me, ’t is maar dat je het weet. Met kleine hapjes tegelijk probeert ze me om zeep te helpen. Wat moet dat met die helm die je daar vasthoudt? Heb je een motor?’
‘Gewoon een scootertje, mevrouw, zodat ik van de ene klant naar de andere kan rijden.’
‘Mooi, dan kun je mijn speciale boodschappen doen. De chauffeur doet boodschappen voor het hele huis, en jij doet boodschappen voor mij. Je bent aangenomen.’ Ricardo beweegt niet.
‘Je kunt gaan, mannetje. Tot morgenochtend.’
‘Wat ik nog wilde vragen... Is het hier altijd zo donker...? Zonder licht? Ik kan niet werken in het donker.’
‘Sorry, dat had ik even moeten zeggen. Vandaag is het migrainedag, een heel erge aanval, en alleen in het donker is het een beetje uit te houden. Morgen zetten we alle ramen wijd open, dan zie je de zee. En nog wat: er wonen drie mensen onder mijn dak. Wendy, die heb je al ontmoet, vervolgens is er Teardrop, mijn chauffeur en lijfwacht, en dan heb je nog de Kid, mijn agent, secretaris en tourneeleider. Van de vier kamers doe je de mijne elke dag, die van de Kid één keer per week. De anderen, Wendy en Teardrop, houden hun eigen kamer bij. En je hoeft niet bang te zijn voor de hond. Hij is wel groot en zwart maar het is een goeiige sul. Hij heet Shalom. En hij krijgt alleen eten van mij.’
Ricardo vertrekt met een lijstje speciale boodschappen: twee flessen Baileys, twee flessen gin en een sixpack Schweppes. Op straat kijkt hij om zich heen. De vlakke zee, waarin bij gebrek aan golven en branding de vuiligheid uit de riolen van Marseille schuimt. Appartementsgebouwen, afgezaagde platanen, zieltogende pijnbomen en antennemasten. Als hij een vergelijking zou maken, dan vindt hij het strand uit zijn jeugd veel en veel mooier. Als hij zichzelf tenminste zo’n vergelijking toestond.
Hij ziet weer het moment dat ze op de tast in de la van haar nachtkastje zocht naar een biljet van vijfhonderd francs voor de boodschappen. Ook haar nagels glansden in het donker, parelmoer als de binnenkant van een schelp, en haar lange, soepele vingers, mannenvingers haast, bevestigden wat ze over haar hadden gezegd: de handen van een pianiste. Iemand die veel gespeeld had.
Godzijdank had ze hem niet de vraag gesteld die hij vreesde: of hij wel wist wie ze was, of hij haar muziek kende, en haar leven, haar geschiedenis, al die dingen waarop hij met ‘nee’ had moeten antwoorden.
Ooit zal hij zelf een computer hebben en op alles een antwoord vinden. De computer van Mr. Bobby, zijn belangrijkste werkgever, is vergrendeld met een code, en ook al zou Mr. Bobby hem op een avond per ongeluk de code verklappen, dan nog zou Ricardo er niets mee kunnen. Voor de supermarkt aarzelt de jongen. Hij heeft nog niets getekend. Hij heeft niet eens ‘ja’ gezegd. Hij kan nog omkeren, het aanzienlijke biljet teruggeven aan Miss Simone en dan maken dat hij wegkomt. Het huis is zo vies, zo duister en rommelig dat ieder ander net als hij zou terugdeinzen voor zo’n zware klus.
‘Ga er niet heen,’ hadden de mensen uit het dorp gezegd aan wie hij de weg vroeg. ‘Ze heeft het Kwaad in zich en niemand weet of het de duivel is of dat ze gewoon een hersenstoornis heeft. We hopen vurig dat ze verhuist.’ Als de winkelier bij de kassa de inhoud van het winkelwagentje ziet, reageert hij niet anders: ‘U bent vast nieuw hier. Gaat u voor haar werken? Arme u.’


Download het fragment als PDF

'Gilles Leroy zet haarfijn uiteen hoe Nina Simone gebruikt werd door impresario's, platenbazen en minnaars. De aftakeling aan het einde van haar leven raakt een snaar - juist omdat die zo intiem, zonder poespas, beschreven wordt. In haar laatste dagen weet Leroy de vrouw die ooit larger than life was menselijkheid te geven. Ontnuchterend.' - Opzij

'Hoewel de waarheid vast en zeker een aantal deuken heeft gekregen werkt de directe aanpak van Gilles Leroy wel. De lezer hoort de stem, meer gebroken dan geheel, van een vrouw die terugblikt op haar leven. De auteur toont ons de kloof tussen het wervelende artistieke bestaan en de emotionele prijs die daar keer op keer voor betaald moest worden.' - De Leeswolf

‘Dat Eunice Kathleen Waymon, in 1933 als een van acht kinderen in North Carolina geboren, de wereldster Nina Simone geworden is, lijkt een wonder – en dat met al die tegenwerking!’ – B.B. King

‘Dit eerbetoon aan de onvergetelijke Nina Simone zal een snaar laten trillen in muziekliefhebbers. Een roman om naar te luisteren.’ – ELLE

'Een bijzonder getrouw en liefdevol portret van een onafhankelijke vrouw met een groot talent voor muziek, maar met veel pech in haar leven.' - NBD|Biblion

Bespreking door Leestafel.info

Een prachtige, indrukwekkende roman.

Bron: Leestafel.info