BOEKEN

BOEK

Het juiste moment

Het juiste moment

Grimbert Rost van Tonningen

Giesel Vaandrager neemt een tijdje vrij om te doen wat hij altijd al wilde: de geheimen rondom het naziverleden van zijn familie ontrafelen. Hij reist naar Goslar, waar zijn vader en zijn grootmoeder na de oorlog in een klooster hebben gewoond op de vlucht voor de haat van de Nederlanders.

Daar ontmoet Giesel de intrigerende Ruth Tannenbaum uit New York. Net als Giesel onderzoekt zij het verleden, maar dan dat van haar Joodse familieleden. Uit hun dialoog groeit een liefdesrelatie; hun tumultueuze zoektocht naar antwoorden doet de geliefden via Parijs en San Francisco uiteindelijk in Amsterdam belanden.

Hoewel hun verschillende achtergronden onoverkomelijk lijken, zijn andere factoren – een midlifecrisis of het vermogen tot zelfopoffering – misschien nog wel van grotere betekenis. Is een gezamenlijke toekomst wel mogelijk, en wat is dan het juiste moment om die te beginnen?

   

1
Goslar
dinsdag 22 mei

Het historische restaurant van hotel Der Achtermann, in de oude stadstoren, was een aanbeveling van mijn reisgids. Het etablissement had voor mij iets oer-Duits, met zijn tijdloze frutsels en tierelantijnen. Er zat nog niemand, ik ging aan een hoektafel zitten en bestelde een glas droge witte wijn met de mededeling dat ik pas later wilde dineren. Het was iets voor zessen ’s avonds.

Aan beide zijden van de Gaststube waren grote nissen, waarboven namen stonden als ‘Kaiser’, ‘Bismarck’, ‘Knappen’ en ‘Ratsherren’. De muren waren bedekt met donkerhouten lambriseringen en ingebouwde houten kasten met glaswerk. Boven de tafels hingen enkele kroonluchters waarin echte kaarsen brandden, net als in de kandelaars die op de tafels stonden. Door de glas-in-loodramen zag ik de straat en het park voor het hotel.

De eerste confrontatie met Goslar was me niet meegevallen. Veel seniorentoerisme, overmatige Duitse kleinburgerlijke gezelligheid, ook in dit eerbiedwaardige oude hotel. Ik probeerde een krachtig opkomende somberheid te overwinnen door de folder van ‘Kloster Frankenberg’ te bestuderen. Pa had daar de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog gewoond.

Zijn broers konden zich later niets meer herinneren van hun verblijf in Goslar, maar mijn vader wel, heel goed zelfs. Hij was de oudste, en net oud genoeg om een kleuterschooljaar bewust mee te maken. Hij had er weleens over verteld, maar alleen als hij om een of andere reden – geëmotioneerd – aan het verleden moest denken. Korte verhalen maar dan wel gedetailleerd, bijvoorbeeld over hoe hij gewoond had.

Hij had nooit met ons naar deze middeleeuwse keizerstad willen gaan. Twee jaar geleden had hij een hartaanval gehad, slechts zestig jaar oud, een maand na zijn vervroegd pensioen. Dood. Ineens was hij ‘weg’, alsof hij zijn familie, en dan vooral zijn zoons, nog even een poets wilde bakken door ons plotseling achter te laten. Hij was tweemaal getrouwd geweest, en had tussen zijn huwelijken vele vriendinnen gehad. Als succesvol advocaat was hij altijd druk geweest, maar het liefst was hij bezig met romantische klassieke muziek. Pianospelen was zijn passie.

Ik herinnerde me ook dat pa door zijn te royale leefwijze vaak geldzorgen had gehad. Met die hang naar luxe leek hij de narigheid te willen compenseren die hij had geleden. Hij had zich financieel echter altijd weten te redden. Ma was aardig, intelligent en aantrekkelijk, maar ze had het tempo en de voortdurende zucht naar verandering van haar ongedurige echtgenoot niet aangekund en was na de scheiding hertrouwd met een wat evenwichtiger man, met wie ze nu tot haar volle tevredenheid in Spanje leefde. Ik prijs mij altijd gelukkig dat ik iets van haar rust heb geërfd.

‘Nog een wijntje?’ vroeg de ober, die kennelijk ongeduldig begon te worden.
‘Graag,’ antwoordde ik. Om me heen kijkend zag ik dat ik niet meer alleen was. Er bevond zich een klein gezelschap in de ‘Bismarck’, en een andere gast, een mooie, slanke vrouw met een grote bos zwart krullend haar in een donkerrood ruw wollen mantelpak. Ze zag er een beetje uit als Penélope Cruz. Eind dertig schatte ik, iets jonger dan ikzelf. Ze zat op het podium bij het raam en las een tijdschrift. Het verbaasde me dat ik haar niet had zien binnenkomen. Bang om als gluurder te worden betrapt, dwong ik mezelf naar de reisinformatie te kijken.

Morgen zou ik ontvangen worden door de directrice van het bejaardencentrum, wat het klooster inmiddels geworden was. Toen ik haar uit Nederland had gebeld en zei dat mijn vader er had gewoond, was ze onmiddellijk bereid geweest om mij te ontmoeten en rond te leiden. Het leek me een bijzonder vriendelijke vrouw, want ze had natuurlijk niets aan zo’n plotseling voorbijkomende toerist.

‘Wilt u nu gaan eten?’ vroeg de ober. Ik onderdrukte mijn opkomende irritatie en nam het toegestoken menu aan.
‘We hebben vandaag asperges.’
‘Heeft u ook biefstuk?’ vroeg ik.
‘Alleen van het hert, voor twee personen,’ klonk het bits.
De man had geen idee wat klantgerichte service betekende.
‘O, dan kies ik wel wat anders.’
‘Maar misschien wil mevrouw dáár wel meedoen,’ probeerde de ober in een onverwachte bui van toeschietelijkheid.
‘Zij is ook alleen.’ Waarschijnlijk was hij gemotiveerd om er een grote bestelling van te maken.
‘Nee, liever niet,’ zei ik snel.
‘Ik kan het mevrouw anders best even vragen,’ hield de ober aan.

Wat een hufter, dacht ik, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn afkeer. Hij liep naar haar toe, overlegde en ze glimlachte in mijn richting. Dat beantwoordde ik wat schaapachtig, gegeneerd door de onverwachte naderende ontmoeting.
De ober kwam weer terug aan tafel en fluisterde me toe: ‘Ik mag voor u beiden haar tafel dekken. Mevrouw spreekt echter geen Duits, alleen Engels.’
‘Dat is geen probleem.’ Ik voelde aarzeling maar vermande me, alles was beter dan het juk van deze bediening verder te ondergaan. Ik stond op, ging naar de vrouw toe en gaf haar een hand. ‘Giesel Vaandrager, aangenaam kennis met u te maken.’
‘Ruth Tannenbaum.’ Vriendelijk gebaarde ze me te gaan zitten.
‘Wat brengt u naar Goslar?’ vroeg ik, slecht op mijn gemak.
‘Mijn grootouders hebben hier gewoond, voordat ze in 1938 naar Amerika vluchtten. Ik wilde eens kijken hoe het er hier uitziet.’ Ze zei het onbevangen, alsof we het over het weer hadden.
Ik voelde een schok door me heen gaan – ze was hier met ongeveer hetzelfde doel als ik.


Download het fragment als PDF

'De onverminderde, onderhuidse aanwezigheid van de oorlog  maakt de roman tot een fragiel en mooi werk.' - Recensieweb ***

Boekverslag op Scholieren.com

Wie veel over de literatuur over de Tweede Wereldoorlog wil lezen, kan hier een mooie en originele keus maken.

Bron: Scholieren.com

Interview op Lezen.tv

In de debuutroman van Grimbert Rost van Tonningen – zoon van de NSB-leiders Meinoud en Florrie Rost van Tonningen – staat de (on)overbrugbaardheid van verschillen tussen dogmatische orthodoxe culturen centraal. (24 minuten)

Bron: Lezentv.nl

Bespreking op Recensieweb.nl

De onverminderde, onderhuidse aanwezigheid van de oorlog  maakt de roman tot een fragiel en mooi werk.

Bron: Recensieweb.nl

Interview op Kunststof radio

Interview met Grimbert Rost van Tonningen over Het juiste moment in Kunststof radio.

Bron: NTR.nl