BOEKEN

BOEK

De nacht dat het dode kraaien regende

De nacht dat het dode kraaien regende

Marcel Beyer

‘Leven is observeren,’ zegt de grote Oostenrijkse zoöloog Ludwig Kaltenburg, die met zijn dieren in het beroemde instituut in Dresden huist.

‘Leven is observeren,’ zegt de grote Oostenrijkse zoöloog Ludwig Kaltenburg, die met zijn dieren in het beroemde instituut in Dresden huist. Tot hij, eerst geprezen en dan veracht, na de bouw van de Muur in 1961 van de ene op de andere dag naar Wenen verdwijnt. Wie is Ludwig Kaltenburg? Een sluwe opportunist, of een naïeve wetenschapper die zich afzijdig houdt van de politiek. Of is hij misschien allebei?

Niemand heeft deze excentrieke wetenschapper tijdens zijn jaren in de DDR beter gekend dan de jonge Hermann Funk, de verteller van de roman. De traumatische nacht van het bombardement op Dresden maakt van Hermann een weeskind en bepaalt zijn verdere leven. De vogels die in februari 1945 brandend uit de hemel vallen, laten hem niet meer los. Hij wordt ornitholoog en gaat bij Kaltenburg, zijn tweede vader, studeren en werken.

Hermann Funk wordt de stille observator van de beroemde wetenschapper die aan de vooravond van zijn dood op de terugkeer van zijn geliefde kauwtjes wacht. Funk vertelt over de triomfen en de teleurstellingen van Kaltenburg, en hij onthult in een meesterlijke scène hoe Kaltenburg aan het eind van zijn leven zijn manuscripten bladzijde voor bladzijde versnippert als nestmateriaal voor de dieren om hem heen.

De nacht dat het dode kraaien regende is een ongelooflijk indringend portret van een charismatische man, die ‘het eenzame leven van een roofvogel’ leidt en daarvoor zijn redenen heeft.

   

Ludwig Kaltenburg wacht tot zijn dood in februari 1989 op de terugkeer van de kauwen. Nog in zijn laatste winter zegt hij tegen bezoekers vol vertrouwen dat ooit een koppel van de door hem zo geliefde en bewonderde, witogige kraaivogels de schoorsteen van zijn studeervertrek zal uitzoeken als nestplaats om met hun broedsel een nieuwe kauwenkolonie te stichten. ‘Ik weet dat ze pas over een paar maanden aan hun nest beginnen,’ zegt hij tegen de medestanders, scholieren of journalisten die bijna een uur nodig hebben gehad om vanuit Wenen door het Neder-Oostenrijkse sneeuwlandschap hiernaartoe te komen. Hem staat de toekomst voor ogen. Gewikkeld in een wollen deken zit de grote zoöloog Ludwig Kaltenburg bij het raam, het ruitjespatroon en het volle witte haar, hij kan amper nog horen, maar zijn tegenwoordigheid van geest heeft niet geleden.

‘De vogels slaan op de vlucht voor de rook,’ zegt hij, en daarom vindt hij het niet raadzaam de haard in de kleine aanbouw van de vroege ochtend tot de late avond te laten branden. Er staat een aantal elektrische kacheltjes om de oude Kaltenburg heen. Hij is ontspannen. ‘De jonge kauwen zullen het zonder mij moeten zien te redden, daar ben ik me terdege van bewust.’

Voor de gasten beleefd bezwaar kunnen maken en zeggen dat de hooggewaardeerde hoogleraar hen uiteindelijk allemaal zal overleven, schetst Kaltenburg de afdaling van een zogenoemde schoorsteenkauw naar zijn nest, dat in diepe duisternis ligt. De vogel springt na enige aarzeling en wat getrippel met zijn snavel vooruit zijn onnatuurlijke hol in, maakt een draai, vindt met gespreide vleugels houvast aan de ruwe schoorsteenmuur, strekt zijn poten uit en komt op zijn klauwen terecht. Dan gaat hij voorzichtig, je zou bijna zeggen: stapje voor stapje, de diepte in, twee meter of meer. Het gestommel, het gereutel, het glijden. Momentopnamen van die vele keren per dag herhaalde gang van zaken wekken de indruk dat de kauwen van grote hoogte hulpeloos naar beneden storten, maar het tegendeel is waar, elke beweging getuigt van een doordacht handelen en van grote behendigheid.

Niemand durft de professor tegen te spreken. Zijn laatste kolonie is vele jaren geleden in verval geraakt, maar nog steeds is er geen grotere kauwenkenner dan Ludwig Kaltenburg. In de ijzige maand januari beschrijft hij voor zichzelf en zijn gasten het doen en laten van komende generaties kauwen, en als hij zijn rolstoel omdraait, verkeert menig bezoeker even in het onzekere of hij de rubberbanden op het parket hoort of al de zachte kreet van een kauw, die bedrieglijk veel lijkt op het geluid van die piepende banden. Kaltenburg neigt zijn hoofd alsof hij luistert. De radiators zoemen. In de rookvang strijkt de vleugel van een kauw langs de beroete stenen.

'Dertien jaar geleden, toen Meulenhoff nog een voorname literaire uitgeverij was, is er één roman van Marcel Beyer in het Nederlands vertaald, Vliegende Honden. Daarna zijn wij hem hier uit het oog verloren, hoewel hij gestaag doorschreef. Het wordt tijd dat een andere Nederlandse uitgever hem een nieuwe kans geeft. Zijn toon, zijn stijl en zijn oorspronkelijkheid verdienen dat.' - de Volkskrant

Bespreking op 8weekly.nl

De Duitse schrijver Marcel Beyer stelt met De nacht dat het dode kraaien regende veel lastige vragen – en doet dat met imponerende vakkundigheid.

Bron: 8weekly.nl

Recensie op NRCBoeken.nl

Steeds meer Duitse schrijvers omarmen de wetenschap. Daniel Kehlmann, Hans Magnus Enzensberger en Juli Zeh, allen houden zich in hun proza bezig met natuurkunde of een soortgelijk exact vak bezig, en doen alsof dat voor hen een makkie is.

Bron: NRCBoeken.nl

Bespreking in de TROS Nieuwsshow

De nacht dat het dode kraaien regende is een ongelooflijk indringend portret van een charismatische man, die ‘het eenzame leven van een roofvogel’ leidt en daarvoor zijn redenen heeft.

Bron: Radio.Tros.nl

geselecteerd voor de longlist van de IMPAC Dublin Literary Award 2014