BOEKEN

BOEK

De brief

De brief

Pieter Toussaint

Pieter Toussaint vertelt humoristisch en indringend over lotsverbondenheid, vriendschap en liefde, over het verlangen ergens bij te horen, bij familie, een vriend of vriendin – en de noodzaak het soms te stellen zonder.

Een Nederlands echtpaar, hun twee kinderen en een geschifte oom komen met hun caravan in een Poolse greppel terecht. Wouter, een van de kinderen, nog geen tien jaar oud, kan de humor van de situatie moeilijk inzien: zijn moeder is al tijden overstuur en vader doet in zijn nervositeit alles fout.

Alleen met zijn oom, die altijd een flierefluiter geweest is en over de hele wereld heeft gezworven, kan Wouter goed opschieten. Niet dat het veel helpt. Wouter is meer aan het vallen dan aan het opstaan: halfhartig een koers kiezend die tussen het voor-beeld van zijn ouders en dat van zijn oom heen en weer zwalkt, beweegt hij zich voort in de richting van waar hij ergens zijn toekomst vermoedt.

Pieter Toussaint vertelt humoristisch en indringend over lotsverbondenheid, vriendschap en liefde, over het verlangen ergens bij te horen, bij familie, een vriend of vriendin – en de noodzaak het soms te stellen zonder. Maar hoe doe je dat?

   

Wouter kende hem van de keren dat hij bij hen had gelogeerd. Vroeger, toen hij de wereld nog rondreisde. Met de geur van andere landen in zijn huid, in zijn baard en in de kleding, die Wouter niet thuis kon brengen. En natuurlijk de vreemde cadeaus die hij meebracht. Uit hout gesneden poppetjes, een vogelschedel die met krullerige patronen was beschilderd, een ketting van gedroogde kevers, die metalliek groen opgloeide in het zonlicht, een mannetje van gedroogde vruchten, en een peniskoker die bij Wouter tot zijn neus reikte.

Ze hadden er allemaal hard om gelachen, die wiebelende stok voor zijn buik.
De spannende verhalen, de geur van oom Herman die langzaam het huis veroverde, en de staat van opwinding die iedereen in bezit leek te krijgen. Hij vond het altijd jammer als hij weer weg ging.

Hij had hem al jaren niet meer gezien. Oom Herman reisde niet meer. Hij noemde zich een gestrand schip, toen hij Wouter, bij wijze van begroeting, op zijn schouder sloeg. Wouter herkende hem nauwelijks: het korte grijze haar, de ingevallen wangen en de grote bril met hoornen montuur. Alleen zijn stem en zijn woorden hadden hun scherpte behouden. De rest was ingedroogd.

In het jaar voorafgaand aan de reis naar Polen was oom Herman opgenomen in een psychiatrische inrichting. Hij had met doorgesneden polsen - niet diep genoeg, maar toch angstwekkend bloederig - aangebeld bij zijn buurvrouw.
'In zijn onderbroek, en verder niets.'

Dat waren de woorden van zijn moeder, die niet leek te kunnen kiezen tussen afschuw en compassie.

Het idee om hem op vakantie mee te nemen kwam van Wouters vader. Hij was al sinds zijn jeugd bevriend met Herman en vond het zijn plicht iets voor hem te doen. Het gaf aanleiding tot verhitte discussies en ruzies tussen Wouters ouders. Zijn moeder was er mordicus op tegen.

'Zo iemand heeft rust nodig. Geen onbekende omgeving en zo. Het is bekend dat vakantie hoog staat op de stresslijst.'

Zijn vader bleek het voorstel al aan oom Herman te hebben gedaan, en diens enthousiaste reactie maakte

iedere discussie onnodig. Herman ging er allang vanuit dat hij mee zou gaan.
Oom Herman had erop gestaan zelf te rijden, in zijn Peugeot 504, wat Wouters ouders in staat stelde tot aan de Poolse grens hun ruzie voort te zetten. Paul luisterde naar bandjes van Lou Reed en Brian Ferry. Hij drukte de cassetterecorder tegen zijn oor en scheen de ruzies niet te horen. Wouter keek naar buiten, naar de lege Oost-Duitse autowegen.

Tot aan de Poolse grens, die ze overgingen ter hoogte van Szczecin. Daarna werd alles anders. Ze parkeerden op de parkeerplaats bij de douanepost. Toeristen moesten met al hun papieren naar een kantoortje waar ze werden doorgelicht en, indien geschikt bevonden, ingeboekt als halfgewenste gasten van de Poolse staat.
'Zorg dat hij in godsnaam geen stomme dingen zegt, waardoor we hier twee dagen mogen blijven staan,' gaf zijn moeder mee aan zijn vader, die zenuwachtig zijn papieren bij elkaar graaide.

'Met zijn roman De brief bewijst Pieter Toussaint hoe schitterend een debuut kan zijn. Hij schrijft zo ongekunsteld mooi, zo gespeend van elke vorm van melodrama of valse romantiek, dat ik niet kan wachten tot deze wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Leiden zijn baan aan de wilgen hangt en fulltime gaat schrijven.' - Esquire

Besprekingen op de Leestafel.info

Ik vind het een veelbelovend debuut. Een sterke opbouw, waardoor het misschien wat minder originele verhaal goed tot zijn recht komt.

Bron: Leestafel.info

Verstuur het omslag als e-card

Bron: Covercards.nl

genomineerd voor de Anton Wachterprijs 2006