BOEKEN

BOEK

De bloemen van Mimì Orlando

De bloemen van Mimì Orlando

Mario Desiati

In 1975 emigreert de jonge Mimì met haar ouders naar Zwitserland, ver weg van haar thuis in het arme Puglia waar het altijd naar de zoute zee ruikt. In Züich, waar haar vader werk heeft gevonden, wordt het gezin verwelkomd door de geur van fabrieken en het fijnstof van asbest.

Mario Desiati vertelt Mimì’s verhaal tegen de historische achtergrond van het gastarbeidersleven en het zware fabriekswerk, de slachtoffers die de giftige stoffen maakten en de decennialange nasleep daarvan.

In de jaren negentig is Mimì terug in Puglia. Het valt haar op dat alle mannen van het dorpsplein verdwenen zijn – die zijn of doodziek, of niet meer teruggekomen uit de asbestfabrieken. Het najagen van hun dromen van welvaart en een betere toekomst hebben ze met hun gezondheid of zelfs met de dood moeten bekopen. Ze weet dat zij haar leven anders moet aanpakken dan de generatie van haar dierbare ouders. De tijden zijn veranderd, maar hoe kan Mimì niet zeggen. Ze voelt het: in de opvoeding van haar dochter, in haar werk en in de liefde.

Ook verkrijgbaar als eboek

   

1975
Het huis van glas


Haar voorouders hadden hun leven gewijd aan het zoeken naar een veilige plek.

Iedereen heeft baat bij een voorvader die zo’n plek heeft gevonden en daar zijn holletje heeft gevestigd. Een toevluchtsoord waar je kunt wachten tot er betere tijden aanbreken tot de wind gaat liggen, de lucht minder koud wordt, of je kinderen groot zijn en voor je kunnen zorgen of je oogleden kunnen sluiten. Of gewoon een schuilplaats waar je rustig kunt gaan slapen.

Domenica Orlando, die door iedereen Mimì werd genoemd, leerde dat al vlug.
Mimì was vernoemd naar Domenica, een moedige heilige, die voor de wilde dieren was gegooid, in bordelen had moeten wonen en met het zwaard was doodgemarteld. Ze werd altijd met een zwaard en een lichtkrans afgebeeld.

De Orlando’s woonden niet ver van het stadje Scorrano, dat elk jaar, in de eerste twee weken van juli, vol overgave de verering van zijn beschermheilige vierde met een uitbundige zee van licht, de grootste en meest luisterrijke feestverlichting van heel Europa: verlichte siergevels, paviljoens, zuilengangen en decoraties zorgden ervoor dat het kleine centrum er al van verre uitzag als een koepel van schitterend licht, oogverblindend.

De ouders van Domenica kwamen ’s avonds met de laatste boemeltrein naar het stadje toe en bleven er de hele nacht luisteren naar de orkesten die elkaar onder de gelakte houten baldakijnen afwisselden. ’s Ochtends, na de mis, stapten ze weer in het boemeltje, dat nu gevuld was met heerlijke geuren, zoetigheden, gesuikerde amandelen, lavendelboeketjes en gedroogde olijftakken. Ze waren nog helemaal verblind door het feest.

In de zomer van 1960 beleefde het pasgehuwde paar Orlando, Antonio en Rosanna, een van de mooiste nachten van hun leven. Ze hadden eerst op het aansteken van de feestverlichting gewacht en toen de hele nacht rondgewandeld in afwachting van het klokgelui bij zonsopgang dat de plechtige kerkdienst zou aankondigen. Ze hadden lang zitten praten onder de hemel van Scorrano, alle contouren werden door de kunstverlichting van de aan de heilige opgedragen bogen en zuilengangen iets opgelicht.

In een weide naast een trullo hadden ze naar de poorten van het stadje zitten kijken, naar de loodrechte lijnen van de siergevels en de donkere mensenmenigte. Zongebruind door de buitenlucht en glanzend door de lichtjes van de heilige Domenica omhelsden ze elkaar met glinsterende ogen. Rosanna’s handen tastten naar het gezicht van Antonio, ze streelde met de knokkels van haar vingers zijn wangen om zijn dichte baard te voelen, en ze zoenden elkaar hartstochtelijk.
Zo kwam Mimì.



Soms geven de omstandigheden er aanleiding toe periodes in ons leven een naam te geven. Zo noemde Mimì haar puberteit ‘de tijd in het huis van glas’.


 Van achter een dunne, beslagen ruit waarop ze graag strepen trok met haar vingertoppen, zag ze het lot van de komende maanden. Een in het zwart geklede man liep over het veld, zijn rubberlaarzen zakten weg in de aarde. Ze hoorde ratelende donderslagen die een zomerse onweersbui aankondigden. De bliksemstralen daalden neer op de horizon van Rio, waar kleine boerenakkers lagen.

Mimì had altijd in een stulp tussen de olijfbomen en molslavelden gewoond, maar ze had nog nooit zo’n loodgrijze lucht gezien, met zoveel bliksemflitsen, dunne lijnen, als de fijne vertakkingen van een zenuw of de rode, draadvormige bloedvaten zoals die in een biologieboek staan. Terwijl de hagel zachtjes op het dak begon te tikken, stapte de in het zwart geklede man in een zoetige stankvlaag het huis binnen, zo’n landlucht die in je kleren gaat zitten en die door vochtigheid ontaardt in de geur van rotte kersen. Het was haar vader, en met een ernstig gezicht kondigde hij aan: ‘Morgen is jullie laatste schooldag, we gaan naar Zwitserland.’


Mimì had al besloten dat ze ook die ochtend niet naar school zou gaan. Ze wilde sowieso nooit gaan en ze vond het ondraaglijk en onredelijk om alleen voor die laatste keer wel te gaan. Haar vader en moeder zouden bij zonsopgang op het land gaan werken, en dan hun olijven naar de pers op de Piazza Santa Sofia brengen.


Op een paar kilometer van hun huis lagen de rotsachtige kust van Serra, de trullo’s, de vijgencactussen en de rotspunten. De hele zomer had zij in haar eentje rondgezworven op de puntige stenen van Scalamacio en Funnuvoiere, de twee rotsachtige baaien van het stadje. Ze huppelde er op blote voeten heen, als een lenig zeedier, een zwerfkat, een wilde lynx. Wie haar op een zonnige dag zocht, wist dat hij haar op een rotspunt in de zilte zeelucht zou vinden, met haar armen om haar knieën geslagen en de geur van zout in haar haren.

Die herfstochtend, ver van de zomer verwijderd, voerde Mimì een korte innerlijke strijd, heel even maar, en wist toen wat haar te doen stond.
Ze liep naar de voordeur, legde haar hand op de ruit, duwde de deur zachtjes open en zei haar ouders gedag. Na een lang, gespannen moment smeet ze de deur weer dicht, zo hard als ze kon. Er klonk een dreun, de sponningen kraakten, maar toen keerde de ochtendstilte terug in huis.

De bus die de kinderen in Tricase naar school bracht, kwam over het grind van de landweg aanrijden. Met sputterende motor bleef hij staan en elke dag stapten er drie kinderen in. Maar die ochtend waren het er twee.
Mimì had wel gedag gezegd en de voordeur dichtgedaan, maar ze was niet naar buiten gegaan.

Even had ze de snijdende kou van de zeelucht en de noordwestenwind gevoeld en was toen weer achter de deur gaan staan, met ingehouden adem en haar oren gespitst op ieder geluid dat anders was dan normaal.

Haar ouders zaten aan een boerenontbijt van brood en gedroogde tomaten. Het was acht uur, ze hadden er al drie uur werken op zitten en genoten nu van een paar minuten rust. Ze waren bekaf, maar tevreden. Van opzij zag Mimì haar vader met een groot stuk brood tegen zijn borst, het leek wel een dier dat op het punt stond geofferd te worden. Met een mes, een oude dolk met afgebroken lemmet, maakte hij dunne sneden van het harde brood, en door de inspanning zwollen de aderen in zijn nek op.

Mimì ging naar de slaapkamer, waar haar broer nog lag te slapen. Ze liep gebogen door het gewicht van de schooltas, knoopte haar lange, vilten winterjas waarin ze niet goed kon bewegen open, hurkte neer bij de poten van het bed, schoof een paar dozen met lappen stof opzij en kroop onder het bed, waarna ze de dozen zorgvuldig weer op hun plaats zette zodat ze goed verstopt zat, ze lag er bijna onder begraven.
En ze wachtte.

Ze ademde zachtjes, om geen geluid te maken, terwijl ze tegen de muur aan lag; haar moeder kwam de kamer binnen om Biagino wakker te maken. Door een kier tussen de dozen kon Mimì haar blote enkels recht uit de klompen zien steken. Haar moeder stond daar hooguit een minuut, maar voor Mimì leek het wel een eeuwigheid.

Even later rolde Biagino uit bed. Zijn ogen zaten nog vol slaap, zijn zwarte krullenbos zag eruit als een omgekeerd vogelnestje en zijn gezicht was rozig als de binnenkant van een eierschaal. Biagino wist dat Mimì onder het bed lag en ging op zijn hurken zitten om haar te kunnen zien.

‘Ga je weer niet naar school vandaag?’
‘Hou je mond, Biagino,’ klonk Mimì’s stem gesmoord vanachter de dozen.
‘Wat krijg ik van je als ik het aan niemand vertel?’
‘Een muntje voor het tafelvoetbal.’
‘Tegen wie moet ik dan spelen?’
‘Tegen mij.’
‘Ik speel niet tegen meisjes.’
‘Dan krijg je twee muntjes. Als je je mond maar houdt, Biagino.’

De hele ochtend bleef ze daar, gehuld in het zwijgen dat ze van haar broertje had gekocht, weggedoken in haar schuilplaats, als een gewonde vogel die een beschut holletje had gevonden tegen de barre en boze buitenwereld. Ze zat daar vaak, om niet naar school of catechisatie te hoeven, om uit de buurt te blijven van de jongens die aan haar lange zwarte haren trokken en van haar roddelende klasgenootjes die niets begrepen van haar eenzame buien en eigenaardigheden – zoals blootsvoets over de rotsen van Serra rennen, naar het hoogste punt klimmen en dan met een handstandsprong van de platte rots duiken die de ‘trampoline’ werd genoemd, iets voor jongens eigenlijk.

Mimì Orlando was een meisje dat haar dagen ver van iedereen vandaan doorbracht Ze was trots en fier, ook al waren haar ouders landarbeiders, en ging gekleed in lange, tuniekachtige jurken, zelfbedachte creaties gemaakt van de mousseline die ze in huis vond.

‘Dat kind heeft een hoop fantasie, dat is niet meer normaal; ze praat altijd in zichzelf; ze is gek of van de duvel bezeten.’ Zo werd er over haar gesproken.
In haar nog korte leven had Mimì maar één keer het gevoel gehad dat iemand haar echt begreep: het was een forse kerel met een blozend gezicht, een flanellen broek, gebroken wit, een vuurrode koetsiersjas, een witte halsdoek en een strooien hoed.

Hij had op een orgeltje gespeeld in de zon, voor de bouwput op het plein waar de nieuwe kerk in aanbouw was. Als roze spinnen ontlokten zijn handen melodieën aan het instrument, en zijn ogen met kraaienpootjes speurden zo nu en dan de menigte af op zoek naar een bereidwillige gever. Mimì was tien, ze ging helemaal vooraan staan, voelde hoe haar voetzolen haar ertoe aanzetten danspasjes te improviseren en begon in haar eentje te dansen. Het was zondag en de oude dametjes die in fluweel gewikkeld aan de wandel waren keken naar de muzikant.Het hele stadje bleef vol bewondering maar op afstand, vanaf de stoep, naar de vreemdeling kijken. Hij kwam niet uit Tricase en misschien was hij niet eens Italiaans, maar romantische muziek maken kon hij als geen ander.

Toen hij ophield met spelen en Mimì met dansen, gaf hij haar een turkooizen ring: ‘Om je te beschermen, want in jou zit zowel grootsheid als tragiek.’ Mimì begreep niets van zijn woorden, zo meeslepend en helder als de muziek was geweest, zo verwarrend was de overhandiging van de ring. Maar sindsdien dacht Mimì, elke keer als ze zich anders voelde dan de mensen om zich heen , haar dorpsgenoten of leeftijdsgenootjes, aan dat magische moment toen zij was uitverkoren door de buitenlandse muzikant.


Download het fragment als PDF

‘Een archaïsch verhaal over leven en dood. Met grote souplesse combineert Desiati de meedogenloze realiteit met de poëzie van de oude sprookjes die zijn personages door het leven dragen.’ – La Repubblica

‘Meesterlijk! Een roman vol tegenstellingen, over mensen die worstelen met passie en nuchterheid, individualiteit en gemeenschap, zekerheid en ontreddering. Maar uiteindelijk culmineert alles uiteindelijk in een triomf van het leven.’ – Alieni Metropolitani

'Stel je eens voor dat je uit pure financiële noodzaak in een stoffige asbestfabriek aan het werk moet, terwijl je weet wat de desastreuze gevolgen voor je gezondheid zullen zijn. Mario Desiati beschrijft in het op waarheid gebaseerde De bloemen van Mimì Orlando hoe honderden Italiaanse gastarbeiders aan dit doemscenario zijn overgeleverd. Het verhaal zelf heeft niet veel om het lijf. Het taalgebruik is echter bijzonder gedetailleerd en spreekt zonder meer tot de verbeelding.' - Cultuurbewust.nl

'Een indrukwekkend hommage aan een hele generatie Italiaanse emigranten die voortijds aan hun einde kwamen door het werken met asbest.' - NBD|Biblion

Bespreking door Cultuurbewust.nl

Stel je eens voor dat je uit pure financiële noodzaak in een stoffige asbestfabriek aan het werk moet, terwijl je weet wat de desastreuze gevolgen voor je gezondheid zullen zijn. Mario Desiati beschrijft in het op waarheid gebaseerde De bloemen van Mimì Orlando hoe honderden Italiaanse gastarbeiders aan dit doemscenario zijn overgeleverd. Het verhaal zelf heeft niet veel om het lijf. Het taalgebruik is echter bijzonder gedetailleerd en spreekt zonder meer tot de verbeelding.

Bron: Cultuurbewust.nl