BOEKEN

BOEK

De aanstoot

De aanstoot

Gijs IJlander

De aanstoot is een bijzondere liefdesgeschiedenis, gekenmerkt door het conflict tussen traditionele waarden en de oprukkende moderne tijd, de aantrekkingskracht van het nieuwe en de angst voor alles wat vreemd is. De roman is geïnspireerd door het verblijf van Pablo Picasso in Schoorldam in 1905.

Op een avond in 1905 doet een beurtschipper op het Noord-Hollands Kanaal een lugubere ontdekking. Hij vindt een lijk in het water, trekt het aan boord en levert het volgens voorschrift zo snel mogelijk af bij het bevoegd gezag. Het daaropvolgende onderzoek wijst in de richting van een moord.

Deze gebeurtenis laat schipper Wijnand Kops niet los. Het leven aan wal, waarvan hij doelbewust afstand had genomen, krijgt geleidelijk aan weer greep op hem. Als zijn schip in de winter vastligt in het ijs, gaat hij op zoek naar de achtergrond van de moord en leert een gemeenschap kennen waarin iedereen alles van elkaar weet, maar niemand een schuldige kan aanwijzen.

De vergunninghoudster van Het Jagertje weet meer dan ze kwijt wil, evenals de knecht die de vlotbrug bedient. Men vreest dat de onnozele Neel, die voor een buitenlandse kunstenaar geposeerd heeft en zich door hem heeft laten bezwangeren, haar mond voorbij zal praten.

De aanstoot is een bijzondere liefdesgeschiedenis, gekenmerkt door het conflict tussen traditionele waarden en de oprukkende moderne tijd, de aantrekkingskracht van het nieuwe en de angst voor alles wat vreemd is. De roman is geïnspireerd door het verblijf van Pablo Picasso in Schoorldam in 1905.

   

Het is een warme dag geweest en omdat er water in de lucht zit is het broeierig warm. De lucht is vol met geuren: van het bloeiende fluitenkruid in de wegberm, van vlierbloesem, van pasgemaaid gras, van mest en stinkend slootwater. Een volheid van geuren die loom maakt en mensen naar het water drijft.

Op de aanlegsteiger van Het Jagertje, een schipperslogement met café op het kruispunt bij de vlotbrug, zitten twee meisjes die hun kousen hebben uitgedaan en hun blote voeten in het groene water van het kanaal laten bungelen. Hun gegiechel is van verre hoorbaar, het enige geluid, zo lijkt het, in de weidsheid van het polderland. Een rimpeling van klank, dan is het weer stil: het ruisen van het riet langs de beschoeiing, het zoemen van een muggenzwerm.

Bij het logement zijn wat stoelen buitengezet, men drinkt koffie, een enkeling bier, gesproken wordt er niet. Sommigen zijn na het avondeten hierheen komen lopen om naar passerende schepen te kijken en te genieten van de invallende schemering. ‘Vergunning A’ staat er op een geëmailleerd bord.

‘Kom, we lopen even naar het kanaal en drinken wat bij Dieuw de Waard.’
Er zijn niet veel schepen rond deze tijd, er staat nauwelijks wind, een handvol schippers heeft al besloten dat het genoeg geweest is voor vandaag, ze hebben aangelegd bij Het Jagertje.

Het is de vraag of het schip dat van links, uit het noorden, aan komt varen nog voor donker in Alkmaar kan zijn. Moet de brug nog open vandaag? Menigeen staart naar het bruine zeil dat traag dichterbij komt en sluit met zichzelf een weddenschap. Jaap, de knecht van Dieuw, die de brug bedient, kijkt op zijn zakhorloge. Halfnegen is het, hij zal er nog één keer aan moeten geloven, want binnen een half uur is dat schip wel hier.

Daar klinkt het gelach van de meisjes weer. Een moeder staat op en steekt de weg over om poolshoogte te nemen.
‘Hoe moeten jullie nou met natte voeten weer naar huis toe? Kijk nou, je jurk heeft in het water gehangen. Jullie zijn me toch een stelletje...’
Hoog in de lucht antwoordt een weidevogel, een laatste riedeltje voor dat het donker wordt.

Jaap komt met lome bewegingen overeind en loopt op het brugdek toe om de vergrendeling los te maken. Hij blijft nog even wachten bij de leuning tot een korte stoot op de scheepshoorn klinkt. Het is de Agatha, die hier van morgen ook al langs is gekomen, in alle vroegte op weg naar Nieuwediep; de schipper heet Wijnand Kops. Jaap kent bijna alle schippers die het kanaal bevaren, hoe lang doet hij dit werk al niet? Het is een vreemd slag volk, de schippers; ze varen hier midden door het land, toch doen zij of ze met het land niets te maken hebben. Ze spreken over ‘de wal’, alsof hun eigen wereld een andere is. Kops is een geval apart; hij is van huis uit geen schipper, maar de zoon van een reder uit Hoorn die het zaakje van zijn vader heeft verknald en van armoe is gaan varen. Geen kwaaie verder, daar niet van.

Jaap schopt de vergrendeling los en loopt naar de lier op de kant waarmee het brugdek opzij wordt getrokken. Vol overgave laat hij de zwengel rondgaan, de tandwielen ratelen. Zodra de brug open is, pakt hij de stok met de klomp en gaat op het vaste brugdeel staan. De Agatha vaart voorbij met net genoeg wind in de zeilen, de klomp aan het touw zwaait naar voren, de schipper vangt hem op en doet er geld in.

‘Avond!’
‘Avond!’
Jaap gooit de ene lier los, loopt naar de andere om de brug weer te sluiten. De hekgolf van het schip klotst tegen de beschoeiing en laat de rietkraag ruisen. Die komt nog wel in Alkmaar vandaag, voor het passeren van de brug heeft hij niet eens vaart hoeven minderen.

De moeder van de meisjes is met een doek in de weer, voeten worden afgedroogd en weer in kousen gestoken. Ze zitten op klapstoelen onder het blauwe ‘Vergunning’-bord.
‘Hoe heb ik het nou met jullie!’

Er is een veter in de knoop geraakt. De kinderen willen nog iets drinken, maar daarvan kan geen sprake zijn. Ze moeten lopend naar huis, het is ruim een kwartier naar het dorp. Als ze op weg gaan, voegt zich een man bij hen die daar al die tijd heeft gezeten, maar geen woord gesproken heeft; dat zal de vader zijn.
Jaap bergt de zwengel op, kijkt over zijn schouder naar de Agatha, die al een heel eind verder is.

'We schrijven 1905 en verplaatsen ons naar de weidsheid van het polderland boven Alkmaar, naar het Noordhollands Kanaal met zijn vlotbruggen en cafeetjes. Saaie lintdorpen als Koedijk liggen ‘stram en zorgelijk in het land.’Het waait er altijd en er wonen binnenvetters die weinig ophebben met gekkigheid en zeker niet met schilders die de lucht komen schilderen, want is die niet overal hetzelfde? In Schoorldam, ook zo’n dorp, schilderde Pablo Picasso in dat jaar een boerenmeid, naakt met een wit kapje op. De aanstoot is zo’n roman die door zijn helderheid en zijn min of meer toevallige verwijzingen en parallellen eenvoudig lijkt maar dat allerminst is. IJlander schrijft beeldend, heeft weinig woorden nodig en ontroert met zijn ingetogen empathie voor Neel en Wijnand. Daarnaast is de compositie hecht en in evenwicht, verwijst het einde naar het begin en is de roman ook nog eens een echte whodunnit.' – Wim Vogel in Haarlems Dagblad

'Een buitenlandse kunstschilder in een Noordhollands boerendorp in de polder, wat mot dat? Paulo moet hij heten, een klein kereltje uit Frankrijk, die in 1905 voor een tijdje een leegstaand doktershuis komt bewonen. Waarom? Om de Hollandse wolkenlucht te schilderen. Voor zulke gasten moet je op je hoede zijn. De Koedijkers mogen dan nog zo’n aanlokkelijke wolkenlucht boven hun koppen hebben hangen, ze zijn gesteld op een eerzaam bestaan. Ook IJlander is een kunstenaar die de uitzonderlijkheid van de Hollandse luchten onderkent. Met woorden schildert hij een tijdsbeeld, maar door zijn liefdevolle aandacht voor eeuwigheden als wind en weer lijkt zijn portret van de bedrukte vaderlanders daarbeneden zelfs iets van de Hollandse existentie tout court weer te geven. Die belangstelling voor het lot van twee simpele Nederlanders anno 1905 en 1906, onder dezelfde wolkenlucht die op dit moment boven onze kanissen hangt, wordt door IJlander met kalm vakmanschap opgeroepen. Je hebt niets met ze, je kríjgt wat met ze, omdat de vraag van hun leven niet aan hun tijd gebonden is.' – Arjan Peters in de Volkskrant

'IJlander bewaart zijn onthulling vakkundig tot de laatste pagina’s. Dan is duidelijk geworden dat alle ellende vooral blijkt terug te voeren op de achterdocht en laster van een kleine dorspgemeenschap, waar de vraag ‘Wat zullen de mensen wel niet denken?’de belangrijkste drijfveer is. Daar past geen excentrieke Spaanse schilder van naaktportretten. Dat is aanstootgevend. In zijn roman heeft Gijs IJlander overtuigend uitgebeeld waar de benepenheid en argwaan van een kleine gemeenschap toe kunnen leiden.' – Thomas van den Bergh in Elsevier

'Hoe ingenieus het verhaal in elkaar zit, kan eigenlijk alleen worden verteld door de ontknoping prijs te geven. Omdat we dat de schrijver niet kunnen aandoen, moet u mij maar op mijn woord geloven. Het boek is strak gecomponeerd, maar doet toch ‘los’ aan. Gijs IJlander schrijft bijna schrale zinnen, maar ze hebben grote zeggingskracht.' – Frank van Dijl in Algemeen Dagblad

'Je bent in het proza van IJlander altijd geneigd naar tegenstellingen te zoeken. Er gebeuren in de boeken die hij sinds 1988 publiceert immers nogal wonderlijke dingen. Dergelijke contrasten kun je met wat goede wil ook weer in De aanstoot zien. Botsen hier niet de oude normen en de nieuwe tijd, via het argwanende Koedijk en de lichtzinnige Picasso? Vaak eindigen IJlanders romans catastrofaal. In dit geval is het slot juist een soort verzoening. De roman is onderhoudend en fantasievol genoeg om op deze plaats het antwoord niet te verklappen. Op ̩̩n ding na: de moord van Koedijk was nooit gepleegd als Picasso daar niet was geweest.' РHans Warren in de PZC

Bespreking op Hotel-Boekenlust.nl

Omstreeks 1900 komt er in het dorpje Koedijk een kunstschilder wonen in het verlaten doktershuis. De dorpelingen noemen hem Paulo, maar vinden hem maar een vreemde snoeshaan.

Bron: Hotel-Boekenlust.nl