BOEKEN

BOEK

Bugatti boven water

Bugatti boven water

Dea Loher

Tijdens een groot feest in het Zwitserse Locarno wordt Luca Mezzanotte door een groep tieners in elkaar geslagen en overlijdt aan zijn verwondingen. De reconstructie van de misdaad roept alleen maar meer twijfels op. Wat is er daadwerkelijk met Luca gebeurd, en vooral: waarom? De bewijsvoering tegen de verdachten lijkt een incomplete puzzel, al zijn er voldoende getuigen.

‘Laat ons dan tenminste iets leuks voor hem doen,’ zegt Jordi, een vriend van Luca. Zo ontstaat het plan om met Luca’s oude duikersclub zijn droom te realiseren en het autowrak van de legendarische Bugatti van de bodem van het meer naar boven te halen. De riskante berging van de opvallend intacte auto wordt een gigantisch feest en een eerbetoon aan Luca. Maar de zoektocht naar het verhaal achter de gezonken wagen neemt een onverwachte wending.

Bugatti boven water laat zien hoe inventief wij zijn om onszelf uit de verlamming van verdriet, ongeluk en zinloos kwaad te redden. ‘Zoiets verzin je niet,’ zei Dea Loher in een interview. ‘Zonder de moord op Luca was die Bugatti misschien nooit boven water gekomen, net als de ware geschiedenis erachter.’

Ook leverbaar als eboek

   

Luca en Angelo namen de bus die om 19.23 van Gordemo naar Locarno reed, onderweg stapte ook Gianni in. Het was vrijdag 1 februari 2008 en de nacht van de Stranociada, het carnaval. Gianni had zijn gezicht geschminkt als Jack la Zucca, zijn haar was roze gekleurd en hij lette er zorgvuldig op dat het in dikke bossen onder zijn zwart-wit gestreepte wollen muts uitstak, één lok had hij zo naar voren gekamd dat hij voortdurend over zijn gezicht viel. Ook zijn nagels waren roze, maar die van Luca lichtpaars; ze hielden ze naast elkaar om te vergelijken, Gianni klakte met zijn tong, Luca lachte.

Alle drie droegen een zwarte spijkerbroek en een zwart-wit gestreept T-shirt, Angelo had bovendien een getailleerd zilveren jasje aangetrokken en een zwarte omslagdoek over zijn schouders geworpen die tot zijn dijbenen reikte en hem een beetje op een vogel deed lijken; hij had halflang zwart haar en zijn gezicht was wit geschminkt.

Luca had een zwarte pruik over zijn kortgeschoren haar getrokken; om zijn linkeroog waren drie brede cirkels geschilderd, concentrisch rond het donkere rondje van de iris en pupil; ook zijn lippen waren zwart, om zijn hals had hij een zwarte sjaal geslagen en er hing ook nog een ketting met drie hartjes van matglanzend acrylglas, die echter vanwege de sjaal maar af en toe te zien waren, als hij zich vooroverboog of een onverwachte beweging maakte.

Luca had zijn zware militaire kistjes aan zijn voeten, Angelo zwarte gymschoenen en Gianni droeg bergschoenen. Hij zei dat bij een gelegenheid als de Stranociada en het natte winterweer zijn goede schoenen te snel smerig zouden worden en dat vond hij vervelend.

Ze waren met z’n zessen en ze hadden rond acht uur afgesproken in Bianca’s garage, in de buurt van het station. Een dag eerder hadden ze vast twee kratten bier à vijftien flessen gehaald en daar neergezet.

Bianca had geruite overschoenen voor haar winterlaarzen opgeduikeld, ze droeg fluorescerend blauwe netkousen onder een zwarte taftrok, een soort bustier van blauw-zwart geruit polyester, een rode veren boa en een kort zwart leren jasje dat er erg dun uitzag. Ze scheen heel veel werk te hebben gemaakt van haar kapsel, dat in een indrukwekkende zwarte golf boven haar voorhoofd naar voren welfde en vrij van haar hoofd eindigde in een opwippende punt; het zag er stijf en bijna onverwoestbaar uit, en misschien was het wel een pruik.

Vervolgens verschenen Toni en Marina en ze waren net zo gekleed als anders, in een donkerblauwe spijkerbroek en een wollen trui, en vanwege de kou droegen ze daaroverheen hun anorak.

Niemand zei er iets van dat Toni en Marina zich niet hadden verkleed. Ze waren te opgewonden om rustig op de door Bianca aangeboden klapstoelen te zitten; ze legden hun schoenen op de zittingen, kiepten de stoelen schuin achterover en wipten ermee terwijl ze zich bedienden van de cigarillo’s die Toni en Marina hadden meegebracht.

In feite waren het geen cigarillo’s, maar de sigaretten die ze anders ook rookten; ze noemden ze alleen anders en deden alsof het cigarillo’s waren, ze hielden ze vast tussen hun gestrekte vingers, trokken er langzamer aan en bliezen de rook aanstellerig uit. Het hoorde bij hun spel. Nu namen de jongens twee aan twee een krat bier, de meisjes sloten de garage af, en samen gingen ze op weg naar Castello Grigio.

Het Castello was een club voor fans van internetspelletjes, vooral van fantasy en rollenspellen, en alle zes troffen ze elkaar daar regelmatig, tot de harde kern behoorden ongeveer dertig leden. Ze hadden de sleutel voor de achterkamer en arriveerden daar om 20.45. De vorige dag had Gianni via e-mail nog een stuk of twaalf kennissen uitgenodigd naar het trefpunt te komen. De volgende twee uur bleven ze in de achterkamer, er kwamen mensen langs, die dronken bier, rookten een sigaret en vertrokken weer, eentje bracht een fles jenever mee, de anderen waren ervan uitgegaan dat Gianni en zijn vrienden voor voldoende bier zouden zorgen.

In totaal zaten er gemiddeld tien mensen aan de tafeltjes te roken en te praten. De twee kratten waren algauw leeg, niemand had veel meer dan een flesje gedronken, Gianni had er één borrel bij achterovergeslagen, Toni twee en Luca had alleen bier gedronken.

Om 23.15 vertrokken ook de zes uit de garage die het als gastheren en vrouwen tot het laatst hadden uitgehouden. Ze wilden bij een van de kramen iets eten en daarna de feesttenten bezoeken die her en der op de pleintjes in het oude centrum stonden. De tenten werden door lokale organisaties gerund, meestal sportclubs, en waren gewijd aan een bepaald motto en een muziekrichting, alleen op de openluchtpodia op het Piazza San Antonio en het Piazzetta Respini was livemuziek te horen. Maar toen ze de achterkamer hadden afgesloten en het Castello in het donker achterlieten, raakten de leden van de groep elkaar kwijt.

Toni en Marina kwamen als eersten aan op het Piazza San Antonio en nadat ze bij een kraam hotdogs en friet hadden gegeten, gingen ze de tent binnen en troffen daar een paar kennissen. Toen ze na ruim een halfuur weer naar buiten kwamen, probeerden ze zowel Luca als Bianca op hun mobiel te bereiken. Beide telefoons waren blijkbaar uitgeschakeld. Bij Gianni’s nummer ging de mailbox open. Ze lieten een kort berichtje achter: Waar zijn jullie, bel terug. Het was even voor middernacht. Toen ze een paar minuten na middernacht nog eens probeerden een van hun garagevrienden te spreken, bereikten ze Angelo, die hun vertelde wat er was gebeurd.

Luca en Angelo waren meteen naar de hoofdtent op het Piaz¬za San Antonio gegaan en dronken allebei een klein bier van 0,33 liter. Daar hadden ze niet meer dan tien minuten voor nodig. Gianni en Bianca hadden buiten op straat gewacht, ze wilden roken en ze wilden met hun mobieltjes foto’s maken van de gekste maskers die voorbijkwamen.

Daarna besloten de vier een rondje te maken. Ze liepen eerst de Via dell’Ospedale af, richting ziekenhuis, langs de kantoorboekhandel, lieten de tent op het Piazzetta dei Borghesi rechts liggen, liepen de Via San Antonio af en sloegen linksaf de Via delle Corporazioni in, ook zonder hier een blik in de tent te werpen. De straten waren vol opgewonden, overmoedige mensen, sommige niet te herkennen onder hun maskers, andere in hun gewone kleren. Ze moesten oppassen dat ze elkaar niet uit het oog verloren. Hun doel was een café in de Via Borghese.

Diezelfde dag ontmoette Valon ’s middags een kennis, die hem gevraagd had te helpen bij het schilderen van zijn huis. Dat huis bestond uit een kamer, de keuken en een piepkleine douche. De kennis heette Franco, zijn achternaam wist Valon niet. Ze kochten twee emmers witte latex en brachten die naar Franco’s huis. Van 16.00 uur tot 18.00 uur werkten ze samen; ze schoven de weinige meubels in de woon-slaapkamer bij elkaar in het midden, haalden de paar posters van de muur en rolden ze op, plakten plinten en deurposten af en begonnen te verven. Om 18.00 uur ging Franco naar zijn werk, hij was als kelner werkzaam bij Ristorante Piccolo Giardino; als hij om 21.30 vrij was, wilde hij terugkomen om Valon verder te assisteren; de tweede voordeursleutel liet hij voor hem op de keukentafel liggen.

Ruim twee uur later, om 20.30, belde Valon op Franco’s mobiel dat hij al klaar was met verven en nu wegging. Dat klopte met hun afspraak, Valon zou alleen de eerste laag latex in de woonkamer aanbrengen, Franco en zijn kameraad wilden de keuken verven en zouden de tweede laag doen. Valon nam Franco’s tweede sleutel mee. Hij ging naar huis om te eten en voegde zich daarna bij Branko, die beneden voor het huis op hem stond te wachten.

Samen liepen ze naar een benzinestation in de Via Bernardino Luini, waar ze een krat bier kochten. Branko zal later zeggen dat het 0,5-literflessen waren geweest; Valon zal beweren dat het om 0,33-literflessen ging. De kassabon bewaarden ze niet, en de verkoper werd niet gevonden, zodat geen van beide verklaringen kon worden bevestigd en tot hun voordeel moest worden aangenomen dat het een krat met 0,33-literflessen was geweest. Het merk was Feldschlößchen.

Branko betaalde, en ze gingen met het krat bier naar het schoolplein voor de San Francescoschool, waar ze een aantal vrienden en bekenden troffen, in het totaal waren het ongeveer twintig personen die in groepjes op het plein stonden. Na een halfuur kwam Ilija erbij, nadat hij eerst met Branko had gebeld. Ilija zal zeggen dat er behalve zij nog vijf of zes jongens aanwezig waren die marihuana rookten, en dat Valon en Branko ook marihuana hadden gerookt, maar hijzelf niet, omdat hij nooit marihuana rookte en ook geen andere drugs gebruikte.

Hij zal eraan toevoegen dat hij deze bijzonderheid aanvankelijk niet wilde vertellen, maar dat hij dat nu wel kon doen omdat het toch al bekend was geworden. Valon zal zeggen dat Ilija kwam en spontaan vroeg: Valon, wie gaan we vanavond in elkaar slaan? En dat hij, Valon, geantwoord had: Wie wil je in elkaar slaan? We slaan niemand in elkaar. En dat hij niet dacht dat Branko dit gesprek had gehoord.

Als Ilija daarover ondervraagd wordt, zal hij zeggen dat hij die zin nooit heeft gezegd. Later zal hij zeggen dat het mogelijk is dat hij die zin heeft geuit, maar dat hij het zich niet herinnert. Nog later zal hij zeggen dat hij niet kan uitsluiten dat hij die zin heeft gezegd. Een vriend zal vertellen dat Valon, Branko en Ilija bij hem kwamen om te zeggen dat ze weggingen, en dat Valon tegen hem zei: Luister, ik ga er nu vandoor, en als iemand me te na komt, sla ik hem dood. Ik sla hem dood!

Deze vriend zal verklaren dat hij op dat moment werkelijk geloofde dat Valon ervandoor ging om herrie te schoppen, maar dat hij dat in de loop van de avond weer vergeten was en er pas de dag daarna weer aan dacht, toen hij hoorde wat er was gebeurd, en hij zal beschrijven hoe Valons gezicht er daarbij had uitgezien, dat zijn ogen opengesperd waren en zijn stem agressief klonk. Hij zal eraan toevoegen dat Valon hetzelfde was als altijd.

Wat niet normaal was, zal de vriend zeggen, was dat Valon heel dicht bij hem was gekomen, zijn gezicht was maar centimeters van het zijne verwijderd geweest. Valon zal zeggen dat hij zich niet kon herinneren de zin Wie me te na komt, sla ik dood te hebben gezegd, maar hij kende de vriend als iemand die altijd de waarheid zei en daarom was het mogelijk dat hij zo’n opmerking had gemaakt.

Hij zal eraan toevoegen dat hij, als hij die zin heeft gezegd, daarmee niet bedoelde dat hij iemand wilde vermoorden, maar dat hij, ingeval iemand hem zou aanvallen, zich wilde verdedigen. Later zal hij zeggen dat het geen concreet voornemen, maar opschepperij was geweest. Ilija zal zeggen dat hij de opmerking van Valon ook had gehoord, en dat het een manier van praten onder jongeren was.


Download het fragment als PDF

‘Boeiende debuutroman. Het bijzondere van deze roman is dat hij uiteenvalt in drie delen die elk hun eigen stijl en toon hebben.’ – de Volkskrant ****

'De drie verhalen vormen een fascinerende geschiedenis. Loher vertelt ze met een haast onthutsende nuchterheid. Daardoor raakt de lezer des te meer verstrikt in de ondergrondse verbanden tussen de verhalen. En in de intrigerende vragen die Loher oproept zonder ze te stellen. Mensen zijn in staat tot betoverende schoonheid en tot afstotelijk geweld. Is daar ooit een verzoening tussen mogelijk?' - Trouw

'Dea Loher heeft een ogenschijnlijk makkelijke stijl: losjes en schoon. Maar ze raakt bijna op elke bladzijde een groot thema aan en laat haar personages daar wezenlijke dingen over zeggen. Ze geeft mooie beschrijvingen van ouders, kinderen, familiebanden en familietragedies, gebroken gezinnen. De broer die vroeger aan de drugs was en toch heeft overleefd. De vader die wegteert door kanker maar nog steeds bars en nors kan zijn. Het proces van de berging van de auto heeft iets magisch. Bijna symbolisch: de tegenslag, de voortgang en het uiteindelijke succes. Dat heeft iets troostends. Alsof het staat voor het verwerken van verdriet en het leven weer oppakken. Zoiets. Mooi gedaan. Ik geef een 9,5.' - MarleensBoekvandeWeek.nl/Libelle.nl

'Een geniale debuutroman.' - Elsevier

‘Duidelijk is in Bugatti boven water de ervaring te herkennen van Loher als toneelschrijfster. Haar taal is beeldend, haar dialogen zijn scherp.’ – Noordhollands Dagblad

‘Een bijzonder boek!’ – Wegener Media

‘Een schitterende, applauswaardige prestatie. Een bewonderenswaardig kunstwerk.’ – Der Spiegel

'Knappe roman.' - Nederlands Dagblad

‘Achter de elegante titel verschuilt zich het ware verhaal van een misdaad en van een legendarische actie vol solidariteit, piëteit, moed en avontuur.’ – Die Zeit

‘Een ijzersterk boek.’ – Hannoversche Allgemeine

‘Je hoeft geen autofreak te zijn om te begrijpen dat dat verroeste autowrak als een soort troost werkt. Wat Dea Loher van dit materiaal maakt, is ongelofelijk.’ – Süddeutsche Zeitung

‘Het is een wonderbaarlijk boek – en zó mooi!’ – SWR-Bestenliste

‘Dea Loher heeft de best mogelijke vorm gevonden voor hoe wij omgaan met verlies en vergankelijkheid.’ – Deutschlandradio

‘Sterke, eigenwijze personages die de lezer direct omarmt.’ – Schwäbische Zeitung

‘Voor de liefhebbers van mooie boeken, niet alleen van mooie auto’s.’ – Autobild

‘Deze buitengewoon geslaagde roman over de inventieve kant van ons verdriet leest als een teder troostboek.’ – Kulturradio Berlin

Boek van de Week van Marleen Janssen

Bugatti boven water heeft een zoete voorkant en een lieve titel. Het trok me niet zo aan, ik dacht: oh, over autofreaks. Maar in deze fraaie roman geen hobbyistenverhaal en ook geen zoetsappigheid. Het is een stevig en teder verhaal over geweld, dood en de rouw daarna. De rouw van de vader doet je naar adem happen. Hij kan alleen nog naar voetbalwedstrijden en naar nachtelijke paardenraces staren. De moeder speelt urenlang mahjong op de computer. De huisvriend wil iets dóen: iets goedaardigs en moois, wat de kracht had een deel van de gewelddadige dood te overtreffen. Hij besluit, als eerbewijs, een autowrak uit het Lago Maggiore te bergen. Is dat gek? Een beetje misschien, maar mensen doen onverwachte dingen in hun verdriet.

Bron: MarleensBoekvandeWeek.nl

Recensie op Volkskrant.nl

Boeiende debuutroman. Het bijzondere van deze roman is dat hij uiteenvalt in drie delen die elk hun eigen stijl en toon hebben.

Bron: Volkskrant.nl

Tip van Athenaeum Boekhandel

In Duitsland werd Dea Lohers romandebuut zeer enthousiast ontvangen. Zo schreef Der Spiegel over Bugatti boven water: 'Een schitterende prestatie. Een bewonderenswaardig kunstwerk.' Vorige maand publiceerden we voor uit de roman.

Bron: Athenaeum.nl

Voorpublicatie op Athenaeum.nl

Op vrijdag 30 mei verschijnt Bugatti boven water, het prozadebuut van Dea Loher (vertaling Nelleke van Maaren). Wij publiceren voor.
'Dr. V. heeft me nieuwe tabletten voorgeschreven voor mijn gehoor. De ontsteking vlamt steeds weer op, hij noemt het een nerveuze inflammatie. Ik wil hem niet meer consulteren. Het ruikt bij hem naar chloroform, metaal en koude rook, zijn assistent heeft zwarte nagels, niet zwarte randjes, is het misschien een soort lak of een ziekte?'

Bron: Athenaeum.nl