BOEKEN

BOEK

De baden van Kiraly

De baden van Kiraly

Jean Mattern

In zijn kleine, meesterlijk geformuleerde roman stelt Jean Mattern de vraag waar wij ons het meeste thuis voelen en waarom. Is dat in je relatie, in je werk, bij je familie of in je taal. Mattern vindt hiervoor precies de juiste toon in dit zuivere verhaal over afkomst en oorsprong.

Gabriël heeft zijn best gedaan in het geluk te geloven. Betoverd door Laura laat hij zich leiden door haar lach en probeert bij de dag te leven. Maar wanneer zij hem vertelt dat ze zijn kind verwacht, neemt hij de benen, zonder enige uitleg.

Wat zit hem dwars? Zijn eenzame jeugd, zijn zusje dat doodgereden is door een dronken automobilist, zijn ouders die zich verschansen achter hun verdriet en weigeren ook maar iets te onthullen over hun verleden. Gabriël heeft er nooit over kunnen spreken, noch met Laura, noch met zijn vriend Leo. Hij heeft dan wel van woorden zijn beroep gemaakt, maar dat is om anderen te vertalen, verscholen achter een muur van woordenboeken.

In Boedapest komen de herinneringen los. Daar klinkt dezelfde taal als in de heimelijk gefluisterde zinnen van zijn ouders, daar herkent hij de geuren en smaken van de Hongaarse keuken en begint hij iets van zichzelf te begrijpen.

In zijn kleine, meesterlijk geformuleerde roman stelt Jean Mattern de vraag waar wij ons het meeste thuis voelen en waarom. Is dat in je relatie, in je werk, bij je familie of in je taal. Mattern vindt hiervoor precies de juiste toon in dit zuivere verhaal over afkomst en oorsprong.

   

Stap voor stap. Makkelijker kan het niet. Je zet de ene voet neer: eerst maakt de hiel contactmet de grond, dan de hele voet, tot en met de tenen. Dan gaat de andere voet omhoog, en dat afwisselen gaat vanzelf, het mechaniek van het lichaam werkt perfect. Om ons voort te bewegen hebben we geen ingewikkeld zenuwcommando nodig, en geen speciale wilskracht. Dat is maar goed ook: sommige bestemmingen hoop je nooit te bereiken, en er bestaan wegen die je liever niet bewandelt. Zoals die paar honderd meter, vanaf de ingang van het kerkhof tot aan het graf van Marianne, die ik alleen maar kon afleggen dankzij het onwillekeurig bewegen van mijn lichaam, dat had onthouden welke handelingen nodig waren om vooruit te komen, en overeind te blijven. Ik zelf niet. Ik herinner me niets meer. Hoe graag zou ik die weg nog eens afleggen, en deze keer van iedere stap voelen hoe zwaar hij is. Stap voor stap lopen, op het grint, recht vooruit kijkend. Er zou geen lichtkleurige houten kist meer staan, maar ik zou net doen alsof. Ik zou mijn ogen niet meer op de neuzen van mijn zwarte schoenen gericht houden om de blikken van anderen te vermijden. Er zou niemand anders zijn bij het graf, ik zou alleen zijn. In mijn eentje proberen te begrijpen waarheen zo’n weg een jongen van tien jaar kan voeren. Maar ik ben ver verwijderd van het kleine kerkhof van Proverville, vlak bij Bar-sur-Aube. Het is een mooie plek, tegen de heuvel genesteld aan het eind van het dorp, met de wijngaarden van de Champagneertegenover. Wanneer ik hier loop, probeer ik me voor de geest te halen hoe het licht daar is, in de ochtend, als de eerste herfstnevels beginnen op te lossen. De Engelse luchtwegdenken, me verbeelden dat ik omringd ben door wijngaarden. Als het me lukt, dan zijn de Londense straten nog slechts een decor. Ze glijden langs mijn netvlies, ze lijken allemaal op elkaar. Toch loop ik er urenlang doorheen, iederedag. Door mijn omzwervingen kan ik nu eigenlijk pas de uitgestrektheid ervaren van de stad waar ik al jaren woon. Om te ontsnappen aan de vier muren van het gemeubileerde appartement dat ik sinds enige tijd huur, ga ik lopen. Op goed geluk links- en rechtsaf slaand beschrijf ik grote cirkels, routes die ik op een stadsplattegrond met geen mogelijkheid meer zou kunnen terugvinden. Ik laat me voortduwen door de menigte, de stroomvoetgangers. Er is niet veel kans dat ik op een bekend gezicht stuit: ik ken hier niemand, behalve mijn vrouw natuurlijk,en mijn beste vriend. Maar zij weten niet dat ik mijn dagen op deze manier doorbreng, lopend, terwijl ik hen probeer te vergeten. Bij Laura weggaan en Leo nietsmeer vanme laten horen leek me de enige oplossing om uit de impasse te komen. Het was een vergissing. Meer dan ooit ben ik verstrikt in mijn eigen val. Een paar dagen geleden, op de terugweg van een van mijn lange tochten, zag ik voor het eerst dat bord, twee straten bij mijn huis vandaan: ‘Beth Hamedrash Synagoge’. Het woord ‘thuis’ is trouwens nauwelijks van toepassing op de sombere flat in de wijk Golders Green die ik als schuilplaats gebruik. Ik weet niet of het schaamte is of vermoeidheid waardoor ik me daar heb teruggetrokken, of lafheid. Ik woon er nu al bijna een jaar. Evenmin weet ik wat me ertoe gebracht heeft terug te lopen door die kleine straat, haaks op High Street, om de tijden van de gebedsbijeenkomsten te bekijken die op een bord voor de synagoge vermeld stonden. Ik zou ook niet kunnen zeggen op welk moment ik heb besloten er weer naartoe te gaan, voor Jom Kippoer.

Ik heb gevast, en het is me gelukt niet in slaap te vallen tijdens al die gebeden die ik niet erg goed begreep. Ik denk dat ik een zekere verlichting verwachtte, dat mijn geweten ontlast zou worden. Een soort absolutie. Ik voelde me alleen te midden van die honderden mannen onder hun gebedsdoeken, en ik moest denken aan een andere synagoge, in Amsterdam,die we samen bezocht hadden. Laura wilde naar het Van Gogh Museum, naar de beroemde Zonnebloemen. Het was een geïmproviseerde huwelijksreis, een kleine drie maanden na ons trouwen. Eén van haar initiatieven waar ik niets tegen in te brengen had– Laura besliste, ik volgde. Amsterdam beviel haar, we verlengden ons verblijf, en terwijl ze naar de veranderende luchten bovende grachten keek, vroeg ze zich af waarom Vincent van Gogh toch zo verknocht was geweest aan het licht van het zuiden.‘Vind je ze niet prachtig,die wolken? Kijk nou! Net vliegende witte baarden.’ Ik merkte op dat het gewoon binnenstromende zeelucht was, de Noordzee was immers niet ver weg. Maar Laura liet zich niet van de wijs brengen en verzon allerlei verhalen terwijl ze naar de langstrekkende wolken keek, haar hoofd achterover, zittend op een bank in het Vondelpark. Het was koud die februarimaand en ik was doodop, maar gelukkig. Deze vrouw die helemaal opging in het vertellen van verhalen over monsters die door de lucht vlogen, was een wonder. Mijn eigenwonder.

'De baden van Kiraly is een fijnzinnig boek waarin taal een bron van prachtige beeldspraak vormt.' - Reformatorisch Dagblad

Recensie op NRCBoeken.nl

Kun je een volwassen, verantwoordelijk leven leiden als een deel van je verleden en dat van je voorouders voor je verzwegen wordt? En als je er zelf niet in slaagt woorden te vinden voor het trauma dat je eigen leven bepaalt?

Bron: NRCBoeken.nl

Recensie op ReformatorischDagblad.nl

Jean Mattern kiest zijn woorden zorgvuldig.

Bron: RefDag.nl

Recensie op CuttingEdge.be

‘De baden van Kiraly' is de debuutroman van Jean Mattern (1965), een Franse schrijver met Oost-Europese wortels.

Bron: CuttingEdge.be

Boekentip bij AVRO Opium

Als Gabriël hoort dat zijn vrouw Laura zijn kind verwacht vlucht hij. In gedachten probeert hij duidelijk te krijgen waarom hij wegloopt van de vrouw van wie hij houdt.

Bron: Cultuurgids.Avro.nl

Recensie in Het Parool

Een uitgever leeft eigenlijk van de woorden van anderen, van de schrijvers die hij uitgeeft. Vermoedelijk heeft Jean Mattern (1965), uitgever bij Gallimard, in zijn debuut als romancier niet toevallig gekozen voor een ik-verteller die vertaler is, 'een woordkunstenaar met andermans woorden'.

Bron: Parool.nl

geselecteerd voor de longlist van de verkiezing van het Mooiste Boekomslag 2009