BOEKEN

BOEK

Wachten op de barbaren

Wachten op de barbaren

J.M. Coetzee

Ik raak met mijn lippen haar voorhoofd aan. 'Wat hebben ze met je gedaan?' mompel ik. Mijn tong is traag, ik sta van uitputting te wankelen op mijn benen. 'Waarom wil je me dat niet vertellen?'

Tientallen jaren al bestuurt de oude, beschaafde magistraat naar ieders tevredenheid het dorpje aan de grens van het Rijk. Wanneer de regering het decreet uitvaardigt dat de barbaren in het grensgebied moeten worden vervolgd, kan de oude man daar niet veel begrip voor opbrengen. Hij voelt meer sympathie voor die zogenaamde barbaren, een nomadenvolk dat niemand kwaad doet.

Aanvankelijk probeert hij de machthebbers dan ook tot rede te brengen, maar hij raakt daardoor steeds meer in het conflict betrokken. Als hij een erotische relatie krijgt met een van de slachtoffers van het overheidsgeweld - een door de martelingen van haar ondervragers kreupel en blind geworden meisje - voelt hij zich geroepen tot een wilde actie. Hij komt in de gevangenis terecht en wordt zelf als een barbaar behandeld.

Op subtiele wijze beschrijft Coetzee in de oude man niet simpelweg een bestuurder met een gewetensconflict, maar iemand die heen en weer geslingerd wordt tussen medeplichtigheid, onverschilligheid en verzet.

   

Ik heb nog nooit zoiets gezien: twee glazen schijfjes die in lussen van ijzerdraad voor zijn ogen hangen. Is hij blind? Dat hij zijn blinde ogen wil verbergen, kan ik me voorstellen. Maar hij is niet blind. De schijfjes zijn donker, ze lijken van buitenaf ondoorzichtig, maar hij kan erdoorheen kijken. Hij vertelt me dat het een nieuwe uitvinding is. 'Ze beschermen de ogen tegen de straling van de zon,' zegt hij. 'U zou ze hier in de woestijn goed kunnen gebruiken. Je hoeft je ogen niet de hele tijd toe te knijpen. Je hebt minder last van hoofdpijn. Kijk.' Hij raakt lichtjes zijn ooghoeken aan. 'Geen rimpels.' Hij hangt de glaasjes terug. Het is waar. Hij heeft de huid van een nog jonge man. 'Thuis draagt iedereen ze.'

We zitten in de beste kamer van de herberg, met een flacon en een schaal nootjes tussen ons in. We praten niet over de reden van zijn aanwezigheid hier. Hij is hier op grond van de noodwet, dat is voldoende. In plaats daarvan praten we over de jacht. Hij vertelt me over de laatste grote drijfjacht waaraan hij heeft deelgenomen, waarbij duizenden herten, zwijnen en beren werden gedood, zoveel dat een hele berg kadavers moest blijven liggen en wegrotte ('wat zonde was'). Ik vertel hem over de reusachtige vluchten ganzen en eenden die elk jaar tijdens hun trek op het meer neerstrijken, en over inheemse manieren om ze te vangen. Ik stel hem voor eens een nacht mee uit vissen te gaan in een inheemse boot. 'Dat is een ervaring die u niet mag missen,' zeg ik, 'de vissers hebben brandende fakkels bij zich en laten trommels over het water klinken om de vissen naar de netten te drijven die ze hebben uitgezet.' Hij knikt. Hij vertelt me over een bezoek dat hij elders aan de grens heeft gebracht, waar de mensen bepaalde slangen als een delicatesse beschouwen, en over een reusachtige antilope die hij heeft geschoten.

Hij zoekt zijn weg tussen de onbekende meubels maar neemt de donkere glaasjes niet af. Hij trekt zich vroeg terug. Hij is hier in de herberg ingekwartierd omdat het de beste accommodatie is die het stadje te bieden heeft. Ik heb het personeel ervan doordrongen dat hij een belangrijke bezoeker is. 'Kolonel Joll is van het Derde Bureau,' vertel ik hun. 'Het Derde Bureau is momenteel de belangrijkste afdeling van de Burgerwacht.' Dat maken we in elk geval op uit de roddels die ons lang na dato vanuit de hoofdstad bereiken. De waard knikt, de meisjes buigen het hoofd. 'We moeten een goede indruk op hem maken.'

Ik loop met mijn slaapmatje naar de vestingwallen, waar de nachtbries enige verkoeling brengt. Op de platte daken van het stadje ontwaar ik in het maanlicht de gedaanten van andere slapers. Onder de notenbomen op het plein hoor ik nog gemompelde gesprekken. Een pijp gloeit als een vuurvlieg op in het duister, verflauwt, gloeit opnieuw. De zomer rolt langzaam ten einde. De boomgaarden kreunen onder hun last. Ik heb de hoofdstad niet meer gezien sinds ik een jongeman was.

Ik word voor het ochtendgloren wakker en loop op mijn tenen naar beneden langs de slapende soldaten die woelend en kreunend, dromend van moeders en geliefden, op de traptreden liggen. Vanuit de hemel kijken duizenden sterren op ons neer. We zijn hier waarlijk op het dak van de wereld. Wie 's nachts onder de blote hemel wakker is, begint het te duizelen.

De schildwacht bij de poort zit met zijn benen over elkaar, in diepe slaap, met zijn musket in zijn armen. Het hokje van de poortwachter is gesloten, zijn karretje staat buiten. Ik loop verder.


Download het fragment als PDF

'Een haarscherp portret van de ongewone kanten van een gewone man.' - The New York Times

'Via zijn hoofdpersoon probeert Coetzee iets te zeggen over Zuid-Afrika, waar zelfs de meest welwillende liberale blanken, hoe dan ook, deel uitmaken van het in 1980 nog volop bestaande apartheidssysteem. Dat elementaire gegeven zegt meer dan elke morele intentie. Bijna twintig jaar later, in In ongenade, zal Coetzee laten zien welke spijkerharde consequentie daaruit, voor de blanken die na de apartheid in Zuid-Afrika willen blijven, zou kunnen voortvloeien: een moedwillig aanvaarden van totale vernedering. Ook in Wachten op de barbaren wordt de 'in ongenade' gevallen magistraat tot op het bot vernederd. Maar wat bij hem het gevolg is van verzet, heeft bij vader en dochter Lurie, de hoofdpersonen van In ongenade, juist alles te maken met een afzien van verzet. Het onderscheid laat zich verklaren door het verschil in tijd: vóór of na het einde van de apartheid. Niet door een verschil of verandering in de blik van de schrijver, want die is - meedogend en tegelijk nietsontziend - in beide romans even indrukwekkend.' - Arnold Heumakers in NRC Handelsblad

'Een beetje barbaar weet dat er op hem gewacht wordt. Hij stelt zijn komst uit. Hij richt zijn paard een tegengestelde richting op en verdwijnt spoorslags uit het zicht dat hij nog maar net betreden heeft. Hij kijkt niet om. Hij weet dat zijn opponenten hun daden op hem afstemmen. Hij heeft – een eerste, symbolische overwinning – niet eens een naam voor hen: hij is de Barbaar, zij zijn de anderen, de gewonen, de onzekeren. En het is die onzekerheid, weet hij, die hem uiteindelijk zal doen zegevieren. De anderen aarzelen, richten wachtposten in, bespreken zijn komst en zijn wegblijven, zijn woeste uiterlijk, zijn gewoonten, die ze maar nauwelijks begrijpen, alles, van het grootste tot het kleinste. Na enige tijd gaan ze romans en gedichten schrijven, en dan, weet de Barbaar, zijn ze op hun zwakst. Ze gaan twijfelen aan zichzelf, aan de verschillen tussen henzelf en de Barbaren, aan het bestaan zelfs van hun mysterieuze tegenpolen. Met een beetje geluk, grinnikt de Barbaar, gaan ze zelfs aan hun eigen bestaan twijfelen – het zijn rare jongens, de anderen. Ze verzwakken met de dag, en het is vaak niet eens nodig om te verschijnen. De boel stort vanzelf in. Het is dan tijd om zich te vestigen, om zelf een rijk te stichten, aan de rand waarvan na verloop van tijd nomaden en wilden zullen verschijnen, primitief, dreigend, onbekend.' - Mark Boog over Wachten op de barbaren tijdens het Coetzee-festival

‘J.M. Coetzee vertelt in een sobere stijl, waardoor het verhaal je des te meer bij de keel grijpt.’ – NBD|Biblion

'Het boek gaat natuurlijk over de apartheid in Zuid-Afrika destijds en is prachtig complex en grauw. Ik las het een jaar of 15 geleden voor het eerst en het komt, zoals de meeste goeie boeken, steeds maar weer bij me terug. Bij de war on terror bijvoorbeeld: oorlog voeren om oorlog te voorkomen. En ook juist nu: grenzen overschrijden om grenzen te bewaken.' - Peper Hofstede, RTL Nieuws

Coetzee's Wachten op de Barbaren nog steeds actueel

Het gaat over een grensstadje in een fictief land zonder naam. Net buiten de grenzen wonen barbaren, wildemannen die het land zouden willen binnenvallen en verwoesten. Maar ze komen niet. En tegelijkertijd zijn ze er allang. Want om de vijand buiten te houden, neemt het rijk zulke brute maatregelen dat het zelfs de ergste barbarij zou evenaren.

Bron: RTLnieuws.nl

Bespreking op HotelBoekenlust.nl

De Magistraat zit zijn leven uit in een grensstadje ver van de hoofdstad. Het is rustig in zijn stadje, ondanks dat buiten de muren barbaren leven die af en toe aan de poorten staan om handel te drijven.

Bron: Hotel-Boekenlust.nl

Bespreking op Iedereenleest.be

Wachten op de barbaren zou men kunnen lezen als een psychologisch roman over een oude magistraat die verdraagzaamheid en rechtvaardigheid hoog in zijn vaandel draagt. Zijn oversten, in het boek benoemd met “ Het Rijk“, denken daar echter anders over. Zij wensen een repressief beleid waarbij bloeddorstige genocide centraal staat.

Bron: IedereenLeest.be

Recensie op Humo.be

In spaarzaam en vlijmscherp proza, dat nadien zijn handelsmerk geworden is, verkent J.M. Coetzee in Wachten op de barbaren de relatie tussen barbarij en beschaving.

Bron: Humo.be

Artikel in Trouw over de opera

In een recent interview was componist Philip Glass helder over de politieke lading van ’Waiting for the Barbarians’: zijn nieuwe opera heeft een duidelijke verbinding met de oorlog tegen terreur.

Bron: Trouw.nl

bekroond met de Central News Agency Literary Award