BOEKEN

BOEK

Scènes uit de provincie

Scènes uit de provincie

J.M. Coetzee

De romans Jongensjaren, Portret van een jongeman en Zomertijd gelden als J.M. Coetzee’s fictieve autobiografie en als centrale stukken in zijn oeuvre. Op verzoek van de auteur verschijnen de drie boeken, aangevuld door de auteur, in één band met de titel Scènes uit de provincie.

Coetzee vertelt over het opgroeien van een eenzaam en verloren jongetje in Zuid-Afrika, over de jongeman die dichter wil worden, maar zijn geld bij IBM moet verdienen. In Zomertijd schetst hij via interviews met bekenden en familie een portret van de inmiddels overleden schrijver Coetzee.

Alle drie de romans zijn wereldwijd geprezen vanwege het indrukwekkende taalgebruik en de meedogenloosheid waarmee de hoofdpersoon is neergezet.

Tijdens het Coetzee Festival in Amsterdam in 2010 las Jeroen Willems passages voor uit Portret van een jongeman. Tot John Coetzee’s eigen verbazing barstte het publiek voortdurend in lachen uit. In zijn dankwoord na het feest zei hij: ‘Deze drie avonden in Amsterdam vond ik interessant omdat ik hier gelezen ben in een taal waarin ik mij een geestiger schrijver voel te zijn dan in het oorspronkelijk Engels.’

De hoogste tijd dus om deze drie meesterwerken van Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee nu voor een uiterst verleidelijke prijs in een bijzondere uitgave te leren kennen of te herlezen.

   

Ze wonen in een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad Worcester, tussen de spoorlijn en het Nasionale Pad. De straten van de wijk hebben bomennamen, maar nog geen bomen. Hun adres is Populierlaan 12. Alle huizen in de wijk zijn nieuw en identiek. Ze staan op grote percelen rode klei waar niets wil groeien, gescheiden door hekken van ijzerdraad. In elke achtertuin bevindt zich een vierkant gebouwtje, bestaande uit een kamer en een wc. Hoewel ze geen bediende hebben, noemen ze deze 'de bediendekamer' en de 'bediende-wc'. Ze gebruiken de bediendekamer om dingen in op te bergen: kranten, lege flessen, een kapotte stoel, een oude kokosmatras.

Achter in de tuin bouwen ze een kippenren waarin ze drie kippen onderbrengen, die geacht worden eieren voor hen te leggen. Maar de kippen willen niet gedijen. Het regenwater, dat niet in de klei kan wegsijpelen, staat in plassen in de tuin.

De kippenren wordt een kwalijk riekend moeras. De poten van de kippen beginnen grove zwellingen te vertonen, als olifantshuid. Ziekelijk en humeurig raken ze van de leg. Zijn moeder raadpleegt haar zuster in Stellenbosch, die zegt dat ze pas weer zullen gaan leggen als de hoornachtige schubben onder hun tong zijn weggesneden. Zodoende neemt zijn moeder de kippen een voor een tussen haar knieën, drukt net zolang op hun kaken tot ze hun snavel opendoen en pulkt met de punt van een aardappelschilmesje in hun tong. De kippen schreeuwen en spartelen, met uitpuilende ogen. Hij huivert en wendt zich af. Hij moet denken aan hoe zijn moeder een stooflap op het aanrecht kletst en in blokjes snijdt; hij moet denken aan haar bloederige vingers.

De dichtstbijzijnde winkels zijn meer dan een kilometer verderop langs een naargeestige weg met eucalyptusbomen. Gevangen als ze zit in deze doos van een huis in de nieuwbouwwijk, heeft zijn moeder de hele dag niets anders te doen dan vegen en schoonmaken. Elke keer als het waait, wervelt er fijn okerkleurig kleistof onder de deuren naar binnen, dringt zich door de kieren in de raamkozijnen, onder de dakranden door, door de naden in het plafond. Als het een hele dag heeft gestormd, ligt het stof centimeters hoog tegen de voormuur.

Ze kopen een stofzuiger. Elke morgen sleept zijn moeder de stofzuiger van kamer naar kamer en zuigt het stof in de brullende buik waarop een lachende, rode kobold over een horde lijkt te springen. Een kobold: waarom?

Hij speelt met de stofzuiger, verscheurt papier en kijkt hoe de snippers de slang invliegen als bladeren in de wind. Hij houdt de slang boven een stoet mieren en zuigt ze op, hun dood tegemoet.

Er zijn mieren in Worcester, vliegen, vlooienplagen. Worcester ligt maar honderdveertig kilometer van Kaapstad, maar hier is alles nog erger. Hij heeft een kring van vlooienbeten boven zijn sokken, en roofjes van het krabben. Soms kan hij 's nachts niet slapen van de jeuk. Hij snapt niet waarom ze uit Kaapstad weg moesten.

Zijn moeder is ook onrustig. Ik wou dat ik een paard had, zegt ze. Dan kon ik tenminste gaan rijden in het veld. Een paard! zegt zijn vader: Wil je soms lady Godiva worden?


Download het fragment als PDF

'Jongensjaren is, afgezien van het openhartige karakter, helemaal Coetzee. De onopgesmukte stijl, het doeltreffende proza - Coetzees barre jeugd in het Zuid-Afrika van de jaren vijftig komt in Jongensjaren pijnlijk navoelbaar tot leven' - NRC Handelsblad over Jongensjaren

'Coetzee haalt de lezer binnen, stukje bij beetje als een goede visser. Hij is een slimme vos, hij laat zich niet betrappen. Hij ontsnapt. Hij is de Houdini van de literatuur.' - Nelleke Noordervliet over Portret van een jongeman

'Zomertijd is opnieuw een briljante roman, waarin Coetzee veel op scherp zet: de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid, tussen kunst en leven, de vraag hoe het leven te leven.' - De Groene Amsterdammer over Zomertijd

'Coetzee is bitter en geestig, reflexief en beeldend. Voor het begrip van de auteur en zijn belangrijke oeuvre zijn deze boeken intrigerende sleutelwerken. De goed vertaalde roman zijn voor deze bundeling deels door de auteur herzien.' - NBD|Biblion