BOEKEN

TITELPAGINA

  • HET BOEK
  • FRAGMENT
  • QUOTES
  • ARTIKELEN
  • YOUTUBE
  • TITELINFORMATIE

Grotere afbeelding

Een bijna volmaakte vriendschap

Milena Michiko Flasar


Er zijn meer dan drie miljoen jongeren in Japan die zich volledig hebben teruggetrokken.Ze hebben zich opgesloten in hun kamer en afgesloten van de wereld. Milena Michiko Flašar schreef een unieke, indrukwekkende roman over een fenomeen dat culturen verbindt en landsgrenzen overschrijdt.

Een jongeman verlaat zijn kamer na een isolement van twee jaar. Hij verzamelt al zijn moed, verlaat op de tast het huis van zijn ouders en gaat de straat op. Voorzichtig betreedt hij de wereld opnieuw en vindt zijn weg naar een bankje in het park, zijn toevlucht en nieuwe schuilplaats. Daar opent hij zijn ogen.

Tegenover hem zit een salaryman, een kantoormedewerker zoals er duizenden zijn; een lunchpakketje op schoot, keurig in het pak. Dagenlang kijken ze stiekem naar elkaar, voorzichtig groeten ze elkaar, en dan komt de dag waarop ze naast elkaar gaan zitten en beginnen te vertellen. Over wat er misgegaan is, over levens vol angst en falen, overteleurstellingen en schaamte. Ze worden bijna vrienden, de twee buren op hun parkbankje, tot op een dag de salaryman niet meer verschijnt met zijn liefdevol gevulde lunchtrommeltje.

Het internationale succes van Haruki Murakami heeft de universele waarden van oost en west laten zien. Milena Michiko Flašar wordt beschouwd als de vrouwelijke, jongere Murakami. Haar ontroerende verhaal overbrugt elke denkbare culturele kloof. Met haar twee parkbankvrienden, die op alle gebieden buiten de geldende norm vallen, zit zij als derde in het park en betovert ons met hun verhaal.

Ook verkrijgbaar als eboek


Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop.
Download het fragment als PDF

1

Ik noemde hem Stropdas.
De naam beviel hem. Hij moest erom lachen.
Rood-grijze strepen op zijn borst. Zo wil ik hem in mijn herinnering bewaren.

2

Zeven weken zijn voorbijgegaan sinds ik hem voor het laatst zag. In die zeven weken is het gras dor en geel geworden. De cicaden sjirpen in de bomen. Onder mijn voeten knerpt het grind. In het felle licht van de middagzon ziet het park er merkwaardig verlaten uit. Opengebarsten bloesems aan takken die moe omlaag hangen. Een bleekblauwe zakdoek in het struikgewas, door geen zuchtje wind beroerd. De lucht is zwaar en drukt op de aarde. Ik ben een ineengedrukt mens. Ik neem afscheid van iemand die niet meer terugkomt. Sinds gisteren weet ik het. Hij komt niet meer terug. Boven mij strekt zich een hemel uit die hem – voor altijd? – in zich heeft opgenomen.

Ik kan nog niet geloven dat ons afscheid definitief is. In mijn verbeelding zou hij ieder ogenblik kunnen opduiken, misschien als iemand anders, misschien met een ander gezicht, zou hij mij een blik kunnen toewerpen die zegt: ik ben er. Zou hij, hoofd naar het noorden, met een glimlach de wolken kunnen nakijken. Zou hij kunnen. Daarom zit ik hier.

3

Het is onze bank waar ik op zit. Voordat het onze bank werd, was het die van mij.
Ik ben hierheen gekomen om voor mezelf uit te maken of de scheur in de muur, die haarfijne barst dwars boven de boekenrekken, zowel binnen als buiten bestaat. Twee volle jaren heb ik ernaar gestaard. Twee volle jaren in mijn kamer, in het huis van mijn ouders. Achter gesloten oogleden heb ik die gebroken lijn nagetekend. Hij zat in mijn hoofd, liep erin door, was mijn hart en mijn aderen binnengedrongen. Ikzelf een bloedeloze streep. Mijn huid lijkbleek, omdat er geen zon op scheen. Soms verlangde ik erdoor aangeraakt te worden. Ik stelde me voor hoe het zou zijn om naar buiten te gaan en eindelijk te begrijpen: er zijn ruimten die je nooit verlaat.
Op een koude februariochtend gaf ik toe aan mijn verlangen. Door de kier tussen de gordijnen kon ik een zwerm kraaien zien. Ze vlogen op en neer, op hun vleugels de zon die me verblindde. Met een stekende pijn in mijn ogen liep ik op de tast langs de muren van mijn kamer tot bij de deur, duwde die open, trok jas en schoenen aan, een maat te klein, liep naar buiten de straat op en verder langs huizen en pleinen. Ondanks de kou liep het zweet van mijn voorhoofd, en ik voelde een vreemde voldoening: ik kan het nog. Ik kan mijn ene voet voor mijn andere zetten. Ik ben het niet verleerd. Alle moeite om het te verleren is vergeefs geweest.
Ik probeerde niet mezelf iets wijs te maken. Het ging er mij nog altijd om alleen te zijn met mezelf. Ik wilde niemand ontmoeten. Iemand ontmoeten betekent verstrikt raken. Er wordt een onzichtbare draad geknoopt. Van mens naar mens. Niets dan draden. Kriskras. Iemand ontmoeten betekent deel gaan uitmaken van zijn weefsel en dat moest vermeden worden.

4

Als ik aan die eerste keer dat ik mezelf vrijliet – want zo moet een gevangene zich voelen, die met getraliede blik zijn cel meedraagt en heel goed weet dat hij niet vrij is. Kortom, als ik aan die eerste keer dat ik mezelf vrijliet terugdenk, komt het me voor dat ik, een personage uit een zwart-witfilm, in een kleurrijk decor rondliep. Overal om me heen schreeuwden de kleuren. Gele taxi’s, rode brievenbussen, blauwe reclameborden. Zo hard dat ze me verdoofden.

Met opgezette kraag ging ik de straathoeken om en lette erop daarbij niemand voor de voeten te lopen. Ik gruwde bij de gedachte dat mijn broekspijp in het voorbijgaan langs iemands overjas zou strijken. Ik drukte mijn armen tegen mijn lichaam en liep, liep, liep, zonder naar rechts, zonder naar links te kijken. De gruwelijkste gedachte was die aan twee blikken die op een toevallig moment in elkaar vasthaken. Secondelang in elkaar verwijlen. Niet loskomen van elkaar. Wat een misselijkheid. Ze vulde me. Tot de rand. Hoe verder ik liep, hoe meer ik het gewicht van mijn lichaam voelde. Een dampend lijf zijn tussen vele andere. Iemand botste tegen me op. Ik kon me niet langer inhouden. Met een hand voor mijn mond liep ik het park in en gaf over.

5

Ik kende het park en ook de bank bij de ceder kende ik. Lang vervlogen kinderjaren. Moeder wenkte me dan, tilde me op haar schoot en verklaarde met uitgestoken wijsvinger de wereld voor me. Kijk, een mus! Ze deed tjilp-tjilp. Haar adem op mijn wangen. Gekriebel in mijn nek. Moeders haar waaide zachtjes heen en weer. Als je klein bent, zo klein dat je gelooft dat het altijd zo zal blijven, is de wereld een aangename plek. Dat ging door me heen toen ik hem herkende. De bank van mijn kinderjaren. De bank waarop ik zou leren dat niets blijft zoals het is en dat het toch de moeite waard is om op de wereld te zijn. Ik ben het nog steeds aan het leren.
Hij zou zeggen: ‘Het was een besluit.’

En inderdaad besloot ik om over het gazon te lopen, naar de bank toe, en ervoor te blijven staan. Ik was alleen, omgeven door stilte. Er was niemand die me erbij kon betrappen, zoals ik om de bank heen liep, één keer, dan nog een keer, in steeds kleiner wordende cirkels. De smaak in mijn mond toen ik eindelijk ging zitten. Het verlangen om weer een kind te zijn. Weer met ogen te kijken die zich verwonderen. Ik bedoel: het zijn mijn ogen die als allereerste ziek zijn geworden. Mijn hart is ze alleen maar gevolgd. En zo zat ik in veel te dunne kleren. Nog dunner de huid waaronder ik rilde.

6

Daarna voelde ik iedere ochtend de drang hierheen te komen. Ik keek naar de sneeuw, hoe hij viel, ik keek naar de sneeuw, hoe hij weer smolt. Een klotsend stroompje. Met de lente kwamen de mensen en hun stemmen. Ik zat daar met mijn tanden op elkaar. Een brok in mijn keel. Dat was de scheur in de muur. Hij scheidde me van de mensen die met elkaar verweven waren. Een verliefd stelletje slenterde fluisterend langs. De heimelijke woorden die tot me doordrongen klonken zo vreemd als de woorden van een taal die ik niet beheerste. Ik ben gelukkig, hoorde ik, onnoemelijk gelukkig. Een kleverig tonggeluid. Ik slikte de brok door.

Of iemand me opmerkte, ik betwijfel het, en als het al zo was, dan waarschijnlijk zoals je een spook opmerkt. Je ziet het, klaar en duidelijk, wilt niet geloven dat je het hebt gezien en knippert het weg. Ik was zo’n spook. Zelfs mijn ouders namen me amper nog waar. Als ik hen thuis bij de voordeur of op de gang ontmoette, mompelden ze een ongelovig ‘Ah, jij bent het’. Ze hadden het al lang opgegeven mij als een van hen te beschouwen. We zijn onze zoon kwijt. Hij is gestorven, nog voor zijn tijd. Zo moet het voor hen aangevoeld hebben. Als een levend verlies. Maar mettertijd hadden ze zich erbij neergelegd. Het verdriet dat ze aanvankelijk misschien om me hadden had plaatsgemaakt voor het inzicht dat ze niet bij machte waren me terug te winnen, en hoe vreemd de situatie voor hen wellicht ook was, zelfs in het vreemde was algauw een zekere orde ontstaan. Je leeft naast elkaar onder één dak en zolang daar niets van naar buiten komt, vind je het de normaalste zaak van de wereld om zo onder één dak te leven.

7

Tegenwoordig begrijp ik dat het onmogelijk is om iemand niet te ontmoeten. Door er te zijn en te ademen ontmoet je de hele wereld. De onzichtbare draad heeft je vanaf het moment van je geboorte met de anderen verbonden. Om die draad door te knippen is meer nodig dan een dood, en het heeft geen zin het daar niet mee eens te zijn.

Toen hij opdook had ik geen flauw vermoeden.
Ik zeg: Hij dook op. Want zo was het. Op een ochtend in mei was hij plotseling opgedoken. Ik zat op mijn bank, met opgezette kraag. Er vloog een duif op. Ik werd duizelig van zijn klapperende vleugels. Toen ik mijn ogen dicht- en weer opendeed, was hij er.

Een salaryman. Halverwege de vijftig. Hij droeg een grijs pak, een wit overhemd, een rood-grijs gestreepte stropdas. In zijn rechterhand droeg hij een aktetas, bruin leer. Hij liep, de tas heen en weer zwaaiend, met hangende schouders en afgewend gezicht. Moe, zo leek het. Zonder me aan te kijken ging hij op de bank tegenover de mijne zitten. Sloeg zijn ene been over zijn andere. Bleef zo zitten. Roerloos. Zijn gezicht afgewend en gespannen. Hij wachtte op iets. Er moest iets gebeuren. Nu meteen, nu meteen. Slechts geleidelijk aan ontspanden zijn spieren zich en leunde hij met een zucht achterover. Wat een zucht, hij bevatte het iets wat niet was gebeurd.

Een vluchtige blik op zijn horloge, daarna stak hij een sigaret op. De rook kringelde omhoog. Dat was onze kennismaking. Een scherpe geur in mijn neus. De wind blies de rook mijn kant op. Nog voordat we onze namen hadden uitgewisseld, was het die wind die ervoor zorgde dat we elkaar leerden kennen.

8

Was het zijn zucht geweest? Of de manier waarop hij de as van zijn sigaret had getikt? Gedachteloos, achteloos. Ik schrok er niet voor terug hem zo, zoals hij tegenover mij zat, te bekijken.

Ik bekeek hem als een vertrouwd voorwerp, een tandenborstel, een washandje, een stuk zeep, en opeens zie je het als voor het eerst, volledig van zijn bestemming vervreemd. Mogelijk was het juist zijn vertrouwdheid die mijn bijzondere interesse wekte. Zijn keurige verschijning was die van duizenden anderen, die dag in, dag uit de straten vullen. Ze stromen uit de buik van de stad en verdwijnen in hoge gebouwen met ramen die de lucht fragmenteren. Ze zijn de middelmaat, typisch in hun onopvallendheid, geschoren voorstadsgezichten, ze zijn inwisselbaar. Hij bijvoorbeeld had mijn vader kunnen zijn. Een willekeurige vader. En toch was hij hier. Net als ik.

Weer zuchtte hij. Zachter ditmaal. Wie zo zucht, dacht ik, is niet gewoon moe. Voelde het meer dan dat ik het dacht. Ik voelde, dit is iemand die het leven moe is. De stropdas snoerde hem de keel dicht. Hij maakte hem losser, keek opnieuw op zijn horloge. Dadelijk was het middag. Hij pakte zijn bento uit. Rijst met zalm en ingelegde groenten.

9

Hij at langzaam, kauwde tien keer op elke hap. Hij had tijd. De ijsthee slurpte hij in kleine teugjes op. Ook daarbij sloeg ik hem gade. Al bijna zonder verwondering over mezelf. Want in die tijd kon ik het nauwelijks aan iemand anders bij het eten en drinken gade te slaan. Maar hij deed het zo behoedzaam dat ik mijn misselijkheid vergat. Of hoe zal ik het beschrijven: hij deed het in het volste bewustzijn van wat hij deed, en dat maakte van een alledaagse handeling als deze een betekenisvolle. Hij nam elke rijstkorrel afzonderlijk in zich op, gaf zichzelf er op dezelfde wijze aan terug, met een dankbare glimlach.

Bij ieder ander zou ik ervandoor gerend zijn, zou ik de malende kaken als een bedreiging, de knarsende tanden als een gevaar hebben gevoeld. Ik vond het afschuwelijk hoe het ene na het andere de mond binnengleed en omlaag de darmen in. Ikzelf schrokte, zonder na te denken. De innerlijke dwang om me in leven te houden, om me ondanks alles in leven te houden, was voor mij een raadsel waar ik met een wijde boog omheen liep. Beter niet over nadenken.
Zodra hij klaar was met eten, was hij weer een gewone salaryman. Hij sloeg de krant open, las de sportpagina’s eerst. De Giants, vet gedrukt, hadden een triomfantelijke overwinning behaald. Hij knikte instemmend, terwijl hij met zijn vinger de regels volgde. Een ring. Hij was dus getrouwd. Een getrouwde Giants-fan. Weer stak hij een sigaret op. Daarna nog een en nog een, de walm omhulde hem.

10

Het park was door zijn aanwezigheid kleiner geworden. Het bestond nu uit nog maar twee banken, de zijne en de mijne, de paar passen die ons van elkaar scheidden. Wanneer zou hij opstaan en weggaan? De zon was van het zuiden naar het westen getrokken. Het koelde af. Hij kruiste zijn armen. De krant lag opengeslagen op zijn knieën. Een groep schoolkinderen kwam met veel kabaal het gazon op gehold. Twee oudere vrouwen praatten over hun kwalen. Dat is het leven, zei de ene, een mens wordt geboren om te sterven. Hij was in slaap gevallen. Zwaar hoofd. De krant gleed op de grond. Het kan nu elk moment afgelopen zijn, hoorde ik, soms heb ik helemaal geen gevoel meer daar vanbinnen.
In de slaap vloeide zijn gezicht uiteen. Zilveren lokken op zijn voorhoofd, achter zijn oogleden volgden de dromen elkaar snel op. Trillend bovenbeen. Ik voelde iets, dun als de speekseldraad die uit zijn open mond hing. Maar ik had er nog geen woord voor. Pas nu schiet het me te binnen. Medeleven. Of de plotselinge impuls om hem toe te dekken.

Toen hij eindelijk wakker werd, zag hij er vermoeider uit dan eerst.

11

Zes uur.
Hij trok zijn stropdas strakker. Het park vulde zich met de geluiden van de naderende avond. Een moeder riep: Kom, we gaan naar huis. De tedere klank als ze Naar huis! riep. Een trekkend gevoel in mijn navel. Hij streek zijn haar van zijn voorhoofd, geeuwde, stond op. In zijn rechterhand de aktetas. Wachtte een besluiteloze seconde lang. Waarop? Zette zich in beweging en verdween, grijze rug, achter een van de bomen. Ik keek hem na, totdat hij helemaal verdwenen was, en het was vermoedelijk op dat moment, tijdens het korte moment dat ik hem uit het oog verloor, dat ik zuchtte zoals hij.

En wat dan nog. Ik rilde. Ik schudde hem van me af. Wat had ik te maken met iemand die ik toch nooit meer zou terugzien? De oude misselijkheid maakte zich van me meester. Ondraaglijk, hoe ik me al kijkend gemengd had in het lot van een vreemde. Alsof het me aanging. Vervuld van oude walging schudde ik hem uit mijn handen en voeten. Zoals ik al zei: ik had geen flauw vermoeden. Die avond, toen ik naar bed ging, het laken golfde, die avond had ik niet het flauwste vermoeden waarom ik, kort voordat ik verdronk, zijn gezicht op de muur zag verbrokkelen. Ik dreef op de zee van mijn onwetendheid. Door de kier tussen de gordijnen scheen de maan erop neer.

'Een roman van zeldzame schoonheid. Kleine enscenering voor grote levensvragen. Betoverend maar ook verdrietig stilleven.' - Zin Magazine

'Het beste van de rijke oost van het ongewoon sterke aanbod dit jaar. Zeer origineel.' - O, The Oprah Magazine

'Een bijna perfecte vriendschap van Milena Michiko Flasar is een prachtige roman. Voor Murakamiïsten en voor iedereen.' - @TheoHakkert, Tubantia

'Een fluisterende roman over belangrijke maatschappelijke thema's. Zo legt Flašar, in een associatieve stijl die zeer Japans aandoet, treffend de ziel van onze samenleving bloot. Flašar stelt de vraag of we wel op deze voet willen doorgaan, of we ons in banen moeten opsluiten die ons alleen maar uitputten, op weg naar status en geld. Soms neigt de roman naar melodrama, maar ook dat komt uit een oprechte pen. De auteur laat zien 'dat reiken naar de ander het dringendst nodig is'. Echt contact is onze redding.' - de Volkskrant

'De stille reflectie in dit juweeltje van een boek is openbarend, verlossend en hypnotiserend tot het laatste woord.' — Kirkus Reviews

'Mijn eerste lievelingsboek van 2015 heb ik al gelezen! #kerstvakantie
Mooi, delicaat verhaal!' - @GerdaAukes, Boekhandel den Boer, Baarn

'Een vriendschap die net zo onwaarschijnlijk als bijna volmaakt is. Het boek is een pijnlijk maar prachtig boek. Flašar laat precies datgene zien dat normaal achter slot en grendel verborgen blijft. Het lijden dat iedereen achter zijn of haar masker voor de wereld verschuilt wordt ineens nadrukkelijk zichtbaar. Flašar weet de personages zo neer te zetten dat de lezer veel begrip voor ze krijgt. Ze schets een vriendschap die de lezer niet snel loslaat. Een bijna volmaakte vriendschap is een roman over de zoektocht naar jezelf en je eigen plek in de maatschappij. De auteur kiest elk woord zeer zorgvuldig en op die manier draagt elk woord bij aan de melancholische sfeer van het verhaal. Een sfeer die tegelijk doordrongen is van zowel hoop als wanhoop en die van elke bladzijde afdruipt. Een roman over de verwerking van het verleden en de keuzes die men maakt, maar ook over acceptatie en een nieuw begin. Prachtig.' - Cultuurbewust.nl *****

'Een veelbelovend debuut, dat opvalt door de eigenzinnige stijl die Flašar nu al heeft ontwikkeld. De setting van het verhaal is eenvoudig, maar met een fijngevoelige toon weet ze de lezer mee te nemen naar andere werelden, de verledens van de personages. Het ritme van de roman past bij de melancholie en de eenzaamheid die de personages in hun greep houden.' - 8weekly.nl ****

'Betoverend mooi!! Schuld en schaamte. Uit de toon vallen, apart zijn. Daar draait het om. Maar ook vriendschap en verdriet en ontzettend lachen...' - Monika, Island Bookstore, Amsterdam

'Een bijna volmaakte vriendschap is fenomenaal. Er ontstaat een bijzondere vriendschap die het ondenkbare in werking zet. Prachtig boek over de angst om onzichtbaar te zijn en de angst om gezien te worden.' - Boekhandel Stevens, Hoofddorp

'Een bijna volmaakte vriendschap is een roman van verstilling. Een moment van rust te midden van een hectische en veeleisende wereld. De stilte en weemoed verlaat je niet tijdens het lezen van de roman, al is er enige verlichting aan het eind. Flašar heeft met Een bijna volmaakte vriendschap een bijzondere debuutroman geschreven. Ik kijk uit naar wat nog gaat komen.' - deLeesfabriek.nl

'In treffende bewoordingen en betekenisvolle zinnen laat de Oostenrijkse schrijfster Flašar zien hoe de jongere en de oudere man, ieder om verschillende redenen en op een andere manier, lijden onder hun huidige bestaan en hun onvermogen om de moreel juiste keuzes te maken. Vele zinnen zijn de moeite waard om nog eens over te lezen en de betekenis tot je te laten doordringen. Ze belichten de psyche van de mens in het algemeen en van het individu in een prestatiegerichte maatschappij in het bijzonder, waar bij falen schaamte op de loer ligt. Dat is in het westen net zo herkenbaar als in Japan.' - Literair Nederland

'Een bijna volmaakte vriendschap is een open boek. Met een troostrijk einde. Het romandebuut van Flašar, na een zeer goed ontvangen verhalenbundel en een novelle, is verfijnd als rijstpapier, waarvan bekend is dat het sterker is dan men denkt. Nee, het is eerder een stuk siersnijkunst, van verschillende zijden te bewonderen. Een geslaagde synthese tussen de Oosterse en Westerse denkwijzen. Een wereldboek zogezegd.' - Literatuurplein.nl

'Flasar heeft een mooie, melancholieke vertelstem.' - Noordhollands Dagblad

'Wie bekend is met Norwegian Wood van Murakami of met de film Tokyo Sonate herkent meteen het thema van deze roman: identiteit. En dan. In 151 pagina's wordt een intiem portret geschetst van twee mensen in nood: de ik-persoon, een jonge jongen wiens naam wij veelbetekenend pas te weten komen op eenderde van het boek, en een man op leeftijd kruisen elkaars pad. Beurtelings vertrouwen zij elkaar hun levensverhaal toe, aanvankelijk voorzichtig en beschaamd, later als vrienden. In korte zinnen doortrokken van poëzie weet Flasar een melancholisch en ontroerend beeld neer te zetten, waaruit naast groot schrijftalent opvallend veel volwassenheid spreekt. Wellicht door de overal aanwezige verwijzingen naar het boeddhisme? Ik weet het niet. Wat staat als een huis waarin je wonen mag zijn de vele prachtige zinnen en observaties.' - Janna Navis, Boekhandel Dominicanen, Maastricht

‘De taal van Michiko Flašar is zo helder, en zo omgeven door een magische stilte, dat het doet denken aan de grote klassiekers van de twintigste-eeuwse Japanse literatuur als Yasushi Inoue en Yasunari Kawabata.’ – Spiegel Online

‘Een roman over vriendschap en verraad, liefde en eenzaamheid, de kindertijd en de dood – op een toon die door haar ernst en oprechtheid ontroert. Een bijna volmaakte vriendschap is een tedere parabel over het opgroeien in een modern industrieland.’ – Die Zeit

‘Een roman met een fascinerende rijkdom aan details. Met groot vakmanschap zet Michiko Flašar illustratieve anekdotes in. De verleidelijke schoonheid is haast religieus; de roman treedt het leven tegemoet met een bijna boeddhistische sereniteit.’ – Der Spiegel

‘De kracht van de tekst ligt daar waar nauwelijks iets gebeurt, waar waargenomen wordt en het landschap beschreven. In de terughoudendheid schuilt de hele kunst van het boek.’ – Die Presse

‘De wonderbaarlijke geschiedenis van een vriendschap, die niet alleen in Japan maar overal op aarde zou kunnen ontstaan.’ – Der Standard

‘Een delicate, melancholische roman van grote schoonheid.’ – Süddeutsche Zeitung

Ingrid Hoogervorst over Een bijna volmaakte vriendschap

Ingrid Hoogervorst neemt voor de ‪#‎Boekenrubriek‬ morgen de volgende boeken mee:
- Hagar Peeters, Malva (De Bezige Bij)
- Milena Michiko Flasar, Een bijna volmaakte vriendschap (Cossee)
- Giorgio Fontana, Dood van een gelukkig man (Wereldbibliotheek)

Bron: Radio1.nl
Blogrecensie van Een bijna volmaakte vriendschap

Ik weet bijna zeker dat ik in 2015 geen boek ga lezen dat bijzonderder is dan Een bijna volmaakte vriendschap. Al weken was ik nieuwsgierig naar dit boek, zeker nadat ik Tessa’s recensie erover gelezen had. Toen het genomineerd werd voor de Dioraphte Literatour Prijs werd ik weer aan het boek herinnerd en dit keer ondernam ik actie.

Bron: Eenlettermeergraag.nl
Een bijna volmaakte vriendschap wint de Euregio Literatuur Prijs

De zaal juicht en applaudisseert. De jonge auteur Milena Michiko Flašar komt beeld. De aula in Luik heeft skypeverbinding met Wenen. De schooljeugd feliciteert de schrijfster van roman “Een bijna volmaakte vriendschap”. De Oostenrijkse auteur met Japanse moeder is volgens de meer dan tweehonderd scholieren de te bekronen auteur van de Euregioliteratuurprijs voor scholieren. De prijsuitreiking zal feestelijk plaatsvinden in Maastricht op 23 april 2015.

Bron: Euregio-lit.eu
Recensies op Dizzie.nl

Milena Michiko Flasar wordt beschouwd als de vrouwelijke, jongere Murakami. Haar ontroerende verhaal overbrugt elke denkbare culturele kloof. Met haar twee parkbankvrienden, die op alle gebieden buiten de geldende norm vallen, zit zij als derde in het park en betovert ons met hun verhaal.

Bron: Dizzie.nl
Bespreking op De Leesfabriek website

Een bijna volmaakte vriendschap is een roman van verstilling. Een moment van rust te midden van een hectische en veeleisende wereld. De stilte en weemoed verlaat je niet tijdens het lezen van de roman, al is er enige verlichting aan het eind. Flašar heeft met Een bijna volmaakte vriendschap een bijzondere debuutroman geschreven. Ik kijk uit naar wat nog gaat komen.

Bron: deLeesfabriek.nl
Bespreking op Literairnederland.nl

In treffende bewoordingen en betekenisvolle zinnen laat de Oostenrijkse schrijfster Flašar zien hoe de jongere en de oudere man, ieder om verschillende redenen en op een andere manier, lijden onder hun huidige bestaan en hun onvermogen om de moreel juiste keuzes te maken. Vele zinnen zijn de moeite waard om nog eens over te lezen en de betekenis tot je te laten doordringen. Ze belichten de psyche van de mens in het algemeen en van het individu in een prestatiegerichte maatschappij in het bijzonder, waar bij falen schaamte op de loer ligt. Dat is in het westen net zo herkenbaar als in Japan.

Bron: LiterairNederland.nl
Bespreking op Literatuurplein.nl

In Japan is het een bekend gegeven, alhoewel het door schaamte wordt bedekt en de werkelijke omvang niet duidelijk is. Vooral jongere mensen vluchten binnen de muren van hun (ouderlijk) huis in een vaak extreem kluizenaarschap. Sommige van deze zogenaamde Hikikomori blijven hun hele leven op hun kamer en beperken het contact met hun familie tot het minimum. Een dienblad op z’n tijd voor de deur, en als iedereen naar het werk is een snelle douche, waarbij de badruimte angstvallig wordt drooggemaakt. Deze mensen zouden zichzelf het liefst helemaal wegcijferen.

Bron: Literatuurplein.nl
Blogrecensie van Een bijna volmaakte vriendschap

In 107 korte hoofdstukken weet de schrijfster als een kalligrafeerder een kort verhaal te schilderen dat een diepe indruk achterlaat. Juist door de soms kale, poëtische omschrijvingen, het bijzondere taalgebruik en de openheid waarmee twee vreemden elkaar verhalen vertellen die ze nooit iemand anders verteld hebben. Verhalen over pijn, eenzaamheid, verlies en schaamte. Een waar kunststukje.

Bron: NWOboeken.wordpress.com
Recensie in de Volkskrant

Zo legt Flašar, in een associatieve stijl die zeer Japans aandoet, treffend de ziel van onze samenleving bloot - de maatschappijkritiek gaat zeker ook op voor Europa. Flašar stelt de vraag of we wel op deze voet willen doorgaan, of we ons in banen moeten opsluiten die ons alleen maar uitputten, op weg naar status en geld. Soms neigt de roman naar melodrama, maar ook dat komt uit een oprechte pen. De auteur laat zien 'dat reiken naar de ander het dringendst nodig is'. Echt contact is onze redding.

Bron: Volkskrant.nl
Recensie op 8weekly.nl

Een veelbelovend debuut, dat opvalt door de eigenzinnige stijl die Flašar nu al heeft ontwikkeld. De setting van het verhaal is eenvoudig, maar met een fijngevoelige toon weet ze de lezer mee te nemen naar andere werelden, de verledens van de personages. Het ritme van de roman past bij de melancholie en de eenzaamheid die de personages in hun greep houden.

Bron: 8weekly.nl
Blogrecensie van Een bijna volmaakte vriendschap

“De vrouwelijke Murakami” wordt ze genoemd, de Duitse Milena Michiko Flasar. En tja, dat schept natuurlijk verwachtingen. Qua stijl, qua plotontwikkeling en qua beleving. Zou haar debuutroman Een bijna volmaakte vriendschap net zoveel indruk maken als een gemiddelde Murakami-roman?

Bron: TessaHeitmeijer.com
Bespreking op Cultuurbewust.nl

Milena Michiko Flašar vertelt in Een bijna volmaakte vriendschap het verhaal over de vriendschap tussen Taguchi Hiro en kantoormedewerker Ōhara Tetsu. Een vriendschap die net zo onwaarschijnlijk als bijna volmaakt is. Het boek is een pijnlijk maar prachtig boek. Flašar laat precies datgene zien dat normaal achter slot en grendel verborgen blijft. Het lijden dat iedereen achter zijn of haar masker voor de wereld verschuilt wordt ineens nadrukkelijk zichtbaar.

Bron: Cultuurbewust.nl
Aanbeveling op Oprah.com

In Flašar's deeply original short novel, two melancholy outcasts find solace in each other, conspiring to transcend their troubles and emerge stronger. But will that be enough?

Bron: Oprah.com
Auteursportret op Citybooks.eu

Milena Michiko Flašar (St. Pölten, 1980) studeerde Vergelijkende Literatuurwetenschap, Germanistiek en Romanistiek aan de Universität Wien en doceerde daarna Duits voor anderstaligen. Na enkele succesvolle publicaties in diverse literaire tijdschriften debuteerde ze in 2008 met de bundel Ich bin dat drie thematisch verweven kortverhalen over liefde en afscheid bevat. In 2010 verscheen de novelle Okaasan – Meine unbekannte Mutter die gaat over het overlijden van haar dementerende moeder. Voor haar werk ontving zij verschillende prijzen en stipendia. Inmiddels heeft zij zich volledig toegelegd op het schrijven. Begin 2012 verscheen haar nieuwe boek Ich nannte ihn Krawatte.

Bron: Citybooks.eu
Interview met Milena Michiko Flasar



Milena Michiko Flasar wurde für ihren Roman „Ich nannte ihn Krawatte" in die Alpha-Shortlist aufgenommen. Die in Wien lebende Tochter einer Japanerin und eines Österreichers nimmt darin Einblick in das Leben zweier Außenseiter, die sich auf einer Parkbank in Tokio begegnen. Flasars Roman ist von hoher Allgemeingültigkeit und Aktualität. Er stellt die Gefahr des Scheiterns an der Leistungsgesellschaft und die Einsamkeit in der Masse ebenso in den Fokus seiner Erzählung wie den Wert von Freundschaft und die Macht der Musik.


Grotere afbeelding

Oorspr. titel Ich nannte ihn Krawatte
Vertaler(s): Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen
ISBN: 9789059365315
Bindwijze: Paperback
Verschijningsdatum: 06-01-2015
Omvang: 160 p.
Prijs: € 18.99
Koop of bestel het boek bij uw plaatselijke boekhandel of bestel via onze webshop
PERMANENTE LINK - DEEL DEZE PAGINA

BESTEL DIT BOEK
IN ONZE WEBSHOP

AUTEURS

Over de auteur(S)

AWARDS & NOMINATIES

Deze titel is...

  • winnaar van de Euregio Literatuur Prijs 2015

  • genomineerd voor de Dioraphte Jongeren Literatour Prijs 2015 (vertaald)

Boeken

GERELATEERDE BOEKEN

HOMEPAGE | VORIGE PAGINA | TOP