BOEKEN

BOEK

De weg van de meeste weerstand

De weg van de meeste weerstand

Peter Giesen

Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht. Zo kijken de meeste Nederlanders tegen hun land aan. Groot optimisme over het persoonlijk leven gaat gepaard met diep pessimisme over de samenleving.

Peter Giesen betoogt dat ons persoonlijk optimisme zichzelf in de staart begint te bijten. Mensen hebben hoge verwachtingen van het leven en voelen zichzelf verantwoordelijk voor succes of falen. Steeds meer mensen bezwijken onder die druk, met een toename van allerlei psychische kwalen als gevolg. Terwijl we ons per soonlijk optimisme moeten temperen, zouden we het maatschappelijk optimisme juist moeten vergroten. Maar ons maatschappelijk pessimisme is diep geworteld.

Om greep te krijgen op grote, onpersoonlijke krachten als ‘de globalisering’, ‘Europa’ of ‘de markt’ is een nieuw optimisme nodig. Peter Giesen laat zien hoe dat tot stand kan komen door een versterking van het collectief: hoe we de doodlopende weg van de zeurcultuur in het openbare debat kunnen vermijden.

   

Inleiding

Premier Rutte is een groot optimist. Toch is Nederland onder zijn leiding misschien wel pessimistischer dan ooit. Bijna driekwart van de Nederlanders gelooft dat het de verkeerde kant op gaat met ons land. In zijn onlangs uitgesproken H.J. Schoolezing reageert de premier op alle gesomber met de bekende mantra’s: Nederland is rijk en concurrerend, Eindhoven schijnt de meest innovatieve stad ter wereld te zijn en Nederland scoort heel hoog op de Better Life Index van de OESO.

De denkwijze van de premier komt me bekend voor. Zelf ben ik ook een groot optimist. En in de loop der jaren heb ik heel wat gesprekken met pessimisten gevoerd. Steevast probeerde ik ze ervan te overtuigen dat Nederland een prima land was, dat het vroeger helemaal niet beter was en dat er geen enkele reden is om de toekomst somber tegemoet te zien. Helaas geloof ik niet dat ik ooit iemand overtuigd heb.

In dit essay stel ik daarom een vraag die premier Rutte zichzelf nooit lijkt te stellen: hoe komt het dat Nederlanders zo pessimistisch zijn, als alle ‘objectieve’ cijfers een heel gunstig beeld laten zien? Uiteindelijk kom ik op een antwoord dat haaks staat op het beleid van Rutte. De afgelopen decennia is een beleid gevoerd dat mensen steeds meer op zichzelf terugwerpt.

De burger is een ‘bv ik’ geworden, in toenemende mate verantwoordelijk voor eigen succes en falen. De samenleving is steeds meer toegesneden op winnaars, terwijl de rest van de bevolking zich daar onbehaaglijk bij voelt. Dat geldt niet alleen voor de stereotype verliezers, zoals de zieken, gehandicapten en uitkeringsgerechtigden. Ook veel middenmoters, de grootste groep burgers, voelt zich onveilig in een samenleving die steeds minder zekerheden te bieden heeft. Daarnaast zijn er ook veel winnaars die niet willen leven in een wereld waarin het steeds meer ‘ieder voor zich’ is, ook al springen ze daar zelf goed uit.

Voor Rutte is het onvermijdelijk dat we zekerheden opgeven. ‘Dé manier om kwijt te raken wat we hebben, is vast te houden aan wat we hebben,’ sprak hij. Daar zit natuurlijk een kern van waarheid in. Sinds kort woon ik in Frankrijk, een land dat veel sterker dan Nederland vasthoudt aan alle mogelijke vormen van sociale bescherming. Het resultaat is verre van inspirerend: een krampachtige, verstarde cultuur met een hoge werkloosheid, vooral onder jongeren.

Maar de boodschap van Rutte zou veel beter verteerbaar zijn, als je niet zou voelen dat het steeds weer dezelfde zijn die profiteren van ‘het opgeven van zekerheden’, terwijl andere mensen het nakijken hebben. Hoogopgeleiden, de commerciële jongens, de mensen die slim door het systeem weten te manoeuvreren, die gaan er op vooruit. Voor anderen rest slechts achteruitgang.

Maatschappelijke veranderingen zijn beter te verkopen als de overheid niet de concurrentie, maar juist de verbinding tussen burgers zou benadrukken. Dan zouden we misschien ook tot de conclusie komen dat we inderdaad ‘zekerheden moeten opgeven’, omdat het echt niet anders kan. Maar dan zou de pijn eerlijk verdeeld worden. Nu krijgt het ‘toptalent’ ruim baan, terwijl de minder getalenteerden in toenemende mate zijn aangewezen op flexwerk, op wurgcontracten die we nog maar kort geleden onaanvaardbaar zouden hebben gevonden.

Ik begon dit essay te schrijven als een pleidooi voor optimisme. Gaandeweg werd het steeds meer een reflectie op het begrip optimisme, met als conclusie dat de heersende politieke wind niet bevorderlijk is voor maatschappelijk optimisme. Maar we kunnen het over een andere boeg gooien. We hoeven de egocultuur niet te omhelzen. We kunnen kiezen voor verbinding. Eenvoudig is het niet, want economische en politieke krachten bewegen zich juist in een andere richting. Maar ik geloof niet dat we willoos aan die krachten zijn overgeleverd. Daarvoor ben ik te veel optimist.

Misschien heeft dat met mijn kindertijd te maken. In 1969, toen ik negen was, zag ik op televisie hoe voor het eerst een man voet zette op de maan. Ik fantaseerde dat we straks op vakantie zouden gaan naar de maan, en astronautenpillen zouden eten in plaats van groente, vlees en aardappelen.

Kort daarop verscheen het rapport van de Club van Rome. In het magische jaar 2000 zouden we helemaal niet op vakantie gaan naar de maan, zeiden de milieudeskundigen. We mochten blij zijn als we überhaupt nog zouden leven! Wetenschap en techniek leidden niet tot een betere en mooiere wereld, maar tot vervuiling, vervreemding en vernietiging. Het grote doemdenken was begonnen. Nog altijd voel ik een bitterzoete nostalgie over een toekomst die me zo wreed ontstolen werd.

Maar ik ben altijd optimistisch gebleven. Ik geloof dat het nog altijd mogelijk is de wereld te verbeteren, in materieel en vooral ook in immaterieel opzicht. Optimisme is echter een schaars artikel geworden. Eind 2012 geloofde 71 procent van de Nederlanders dat het de verkeerde kant op ging met de samenleving. Dit cijfer werd natuurlijk beïnvloed door de economische crisis, maar ook vóór die tijd waren de pessimisten ruimschoots in de meerderheid. We leven in een van de rijkste landen ter wereld, we zijn vrijer dan ooit, en toch denken veel mensen dat hun kinderen het slechter zullen krijgen dan zijzelf, dat ‘we’ steeds asocialer worden en dat ‘we’ de aarde zullen uitputten tot op het punt dat zij onbewoonbaar wordt.

Luister naar zeurprogramma’s als Stand.nl of De Avondspits. Maar sla ook de opiniepagina’s van deftige kranten open. Steevast wordt de toekomst als een bedreiging gezien. Het beste ligt achter ons. We kunnen hooguit hopen dat we zullen behouden wat we hebben.

Natuurlijk is de toekomst onkenbaar. Ik kan niet bewijzen dat de pessimisten ongelijk zullen krijgen. Maar omgekeerd kunnen de doemdenkers ook niet bewijzen dat hun sombere scenario’s zullen uitkomen. Er is zelfs alle reden om doemscenario’s met een gezonde scepsis te bekijken. De geschiedenis is vergeven van inktzwarte voorspellingen die nooit zijn uitgekomen.

Is er nog iemand serieus bang voor de ‘islamisering’ van Nederland? Toch waren het niet de minste intellectuelen die er enkele jaren geleden tot vervelens toe voor waarschuwden. In 1967, toen de wereldbevolking vier miljard mensen telde, schreef de prominente Amerikaanse milieugeleerde Paul R. Ehrlich dat de wereldbevolking in de jaren zeventig ‘onvermijdelijk’ zou terugvallen naar twee miljard. Meer mensen zou de aarde niet kunnen voeden. Helaas was het al te laat om er iets aan te doen, voegde hij er met nauwelijks verholen wellust aan toe, want menig doemdenker is een verkapte mensenhater. Vorig jaar werd de zeven miljardste wereldburger geboren. De honger in de wereld is juist verminderd.

Toen ik in de jaren tachtig de arbeidsmarkt betrad, kreeg ik te horen dat ik tot een verloren generatie behoorde, gedoemd tot werkloosheid en op beslissende maatschappelijke achterstand geplaatst Рals we niet al collectief zouden worden weggevaagd door een Russische SS-20 raket. Maar in de tweede helft van de jaren tachtig trok de economie aan. Vrienden lieten zich omscholen tot informaticaspecialist en verdienden meer dan ze met hun incourante alfa- en gammastudies ooit gedaan zouden hebben. De Muur viel en de Sovjet-Unie brokkelde met een ongekende snelheid uit elkaar. Kort daarvoor had ik nog een boek gelezen van de Franse Koude-Oorlogsstrijder Jean-Fran̤ois Revel: hoe de democratie ten onder zou gaan door toedoen van een meedogenloze communistische commandostaat wiens slaafse onderdanen ons, decadente westerse papkindjes, moeiteloos zouden verpletteren.

Telkens weer voorspellen experts de verschrikkelijkste milieurampen en waarschuwen sociologen voor een herleving van het nationaal-socialisme of voor een samenleving die ten onder zal gaan aan egoïsme en vervreemding. Hoe vaak zij er ook naast zitten, elke generatie kent haar nieuwe Cassandra’s, die steevast veel serieuzer worden genomen dan de optimisten die volhouden dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Het is Schopenhauer versus Ratelband: de pessimist doorziet de tragiek van het bestaan, terwijl de optimist behaaglijk weg soest in zijn gemakzuchtige illusies. ‘Het lijdt geen twijfel dat de menselijke geest de werkelijkheid slecht verdraagt’, zei de Britse filosoof John Gray hierover. Zijn Italiaanse collega Antonio Gramsci was al niet veel positiever: ‘Heel vaak is optimisme niet meer dan een verdediging van iemands luiheid en onverantwoordelijkheid, de wens om niets te doen.’

In dit essay zal ik betogen dat juist het omgekeerde waar is. Het pessimisme is de gemakkelijkste weg. Pessimisten maken zich schuldig aan driestuiversdenken, aan de gemakzuchtige extrapolatie van hedendaagse trends naar de toekomst. Als we zo doorgaan, zeggen ze, zullen we de wereld vernietigen.

Maar, zoals de Britse bioloog Matt Ridley stelde, we gaan nooit zo door. In de 19de eeuw voorspelde iemand dat de straten van Londen in 1950 bedekt zouden zijn met drie meter paardenstront als we zo door zouden gaan. De pessimist praat met de zwartkijkers mee. De optimist kiest juist de weg van de meeste weerstand, omdat hij blijft volhouden dat de toekomst superieur kan zijn aan het heden. Hij laat zich niet ontmoedigen door tegenslagen en onvolkomenheden, omdat hij weet dat de mens gedoemd is tekort te schieten. Niettemin gelooft hij dat de wereld verbeterd kan worden, in kleine, maar belangrijke stapjes.

Natuurlijk leidt optimisme niet automatisch tot goede resultaten. De crisis aan het begin van de 21ste eeuw is zelfs veroorzaakt door optimisten, de financiële tovenaars van Wall Street en de bedenkers van de euro, die hun eigen mogelijkheden schromelijk overschatten. Waren ze maar iets pessimistischer geweest. Dan hadden we er nu een stuk beter voor gestaan.

Pessimisme kan een nuttige waarschuwing tegen overmoed zijn. Maar, zoals de filosoof René Gude zegt: ‘Pessimisme is een medicijn tegen iets. Als het doel van het medicijn bereikt is, en je blijft doorslikken, dan ga je er hartstikke dood aan.’ Het is aardig om de soms dwaze plannen van optimistische idealisten te debunken. Maar als een samenleving alleen nog maar kan debunken, ontbreekt niet alleen de energie om problemen werkelijk aan te pakken, maar ook het geloof in een koers die naar een betere toekomst kan leiden.

In de huidige samenleving is de balans tussen pessimisme en optimisme verstoord. Niet alleen is er te veel pessimisme en te weinig optimisme, pessimisme en optimisme zijn ook nog eens ongelijk verdeeld. Alle optimisme lijkt te zijn geprivatiseerd, gericht op het privéleven. Alle pessimisme wordt gereserveerd voor de samenleving. Met mij gaat het goed, met de samenleving gaat het slecht, zoals de Nederlanders tegen het Sociaal en Cultureel Planbureau zeggen.

In het kielzog van het individualistische marktdenken zijn burgers zichzelf steeds meer gaan beschouwen als een ‘bv ik’ (de term is van het onderzoekbureau Motivaction) zelf verantwoordelijk voor succes en falen. Die ‘bv ik’ moet wel optimistisch over zijn eigen leven zijn, zoals een directeur gedwongen is zijn eigen bedrijf goede kansen toe te dichten. Dit geprivatiseerde optimisme begint echter in zijn eigen staart te bijten, getuige het almaar toenemende aantal mensen dat met psychische problemen kampt, van depressie tot angststoornissen. Zo lijden steeds meer jongeren aan burn-out, opgejut door sociale media als Facebook waar iedereen mooi, gelukkig en succesvol lijkt. Ze worden slachtoffer van de mythe dat succes een keuze is.

Het gevoel dat er ook een ‘bv wij’ bestaat, is juist steeds zwakker geworden. Toch kan de ‘bv ik’ niet zonder de ‘bv wij’. Als burgers niet gezamenlijk optrekken, staan zij machteloos tegenover de grote, onpersoonlijke krachten die hun leven beïnvloeden, zoals ‘de globalisering’, ‘Europa’ of ‘de markt’. Zonder zo’n gezamenlijk verband lijkt de samenleving op het Nederlands elftal tijdens het Europese Kampioenschap voetbal van 2012, een verzameling van ‘bv ikjes’ zonder enige samenhang.

Het ontbreken van een wij slaat terug op het individu. Mensen voelen zich onzeker en onveilig als zij op zichzelf worden teruggeworpen. Door machteloosheid en fragmentatie ontstaat een klimaat van publiek pessimisme.
Het lijkt misschien wonderlijk om een essay over optimisme te schrijven tijdens een diepe crisis. Tegen de tijd dat jouw boekje uitkomt, zei een Zwitserse schrijver tegen me, zal optimisme slechts een voetnoot in de geschiedenis zijn. Een crisis biedt echter ook nieuwe kansen. Als oude ideeën in diskrediet raken, ontstaat ruimte om nieuwe wegen in te slaan.

Allereerst heb ik een frivole, esthetische reden om optimist te zijn. Als we niet weten wat de toekomst brengt, is optimisme de aangenamere werkhypothese. We kunnen beter opgewekt de wereld in kijken en erop vertrouwen dat de menselijke creativiteit steeds nieuwe oplossingen vindt dan ons zorgen maken over rampen die zich nooit zullen voltrekken. Belangrijker is echter de ethische motivatie voor mijn optimisme.

De filosoof Karl Popper sprak de befaamde woorden ‘optimisme is een morele plicht’. Doemdenken maakt het individu tot een machteloze pion van de geschiedenis, aldus Popper. Waarom zouden we ons uitsloven als we toch naar de ratsmodee gaan? ‘De mensheid kan morgen worden uitgeroeid. Maar er is ook hoop: er zijn talloze mogelijkheden voor een toekomst die veel beter is dan het heden’, aldus Popper. Daarom hebben we een morele plicht om van een goede afloop uit te gaan. We moeten ons inspannen om aan een betere toekomst te werken, in plaats van de ondergang te voorspellen.

‘In zijn vlot geschreven essay gaat Peter Giesen uitgebreid in op het onderscheid tussen pessimisten en optimisten. Het beslaat nog geen honderd pagina’s maar de auteur haalt daarin veel overhoop. Een helder en prikkelend betoog, ook voor wie het niet met de auteur eens is. Hij schrijft toegankelijk en zet aan tot nadenken. Zijn essay is ook nog eens superactueel want het bevat de recente oproep van het kabinet-Rutte om mee te werken aan de transitie van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij. Wantrouwen is hier op zijn plaats, aldus Giesen.’ – Trouw

De weg van de meeste weerstand toont de zoektocht van Giesen – opiniemaker van de Volkskrant – naar sociale geborgenheid. Daarmee is dit essay ook een tijdsdocument, een voorbeeld van de groeiende twijfel bij een neoliberale, intellectuele voorhoede aan haar eigen wereldbeeld. Giesen doet een moreel appel op een neoliberale voorhoede om het eigen ego te relativeren, maar dit essay laat ook zien waarom zij hiertoe niet in staat zullen zijn.’ – De Nieuwe Liefde

Opiniepagina van Peter Giesen op Volkskrant.nl

Artikelen van Peter Giesen op Volkskrant.nl

Bron: Volkskrant.nl