BOEKEN

BOEK

Wat er op het spel staat

Wat er op het spel staat

Cyrille Offermans

Een boeiende blik op de naoorlogse Nederlandse literatuur – een aanrader voor álle lezers. Cyrille Offermans is een gepassioneerd lezer. ‘Er is in de laatste decennia veel veranderd in de literatuur en kunst’, schrijft hij. ‘Het is tijd om de balans op te maken.’

Wat er op het spel staat opent met het dubbeltalent van dichter en schilder Lucebert en een prikkelend essay over de ‘de eeuwig jeugdige feestvierder’ Remco Campert. Offermans’ kritische blik op de ‘zogenaamde Grote Drie’ en zijn herwaardering van de experimentele Ivo Michiels, Jacq Vogelaar en Sybren Polet verdiepen en nuanceren ons beeld van deze schrijvers en leveren verrassende inzichten in hun oeuvres.

Aan de hand van het werk van onder andere A.F.Th. van der Heijden, Tom Lanoye en Joke van Leeuwen analyseert Offermans – altijd met een bewonderenswaardige open blik – wat er in recentere jaren op het programma van de interessantste schrijvers is komen te staan: het onderzoek naar de eigen geschiedenis, in autobiografische vorm of anderszins. ‘De literatuur wil de lezer niet van zich vervreemden’, stelt hij. ‘Ze wil, integendeel, de complexe realiteit verhelderen.’

Wat er op het spel staat, Literatuur en kunst in de schaduw van de avant-garde biedt de oriëntatie die in het cultureel klimaat van tegenwoordig zo broodnodig is. Even diepgravende als toegankelijke bespiegelingen over de betekenis en maatschappelijke invloed van de Nederlandstalige literatuur, van een groot stilist en een van de toonaangevende essayisten van Nederland.

Ook leverbaar als eboek

   

Omstreeks mijn zestiende – in de vroegste jaren zestig – raakte ik als zovelen verslingerd aan literatuur en kunst. Dat ik daarbij een voorkeur had voor de meest experimentele uitingen sprak vanzelf.

Stendhals veelgeciteerde formulering ‘promesse du bonheur’ als kwintessens van alle kunst (hoewel die in De l’Amour, 1822, betrekking heeft op de schoonheid van Italiaanse vrouwen) was me nog niet bekend, de ermee gesuggereerde ervaring wel degelijk. En die kon ik niet voor me houden. Met het enthousiasme, de ongenuanceerdheid en de overmoed van de jeugd dweepte ik in mijn opstellen en in jongerenblaadjes met de zopas ontdekte creatieve voorhoedes aller landen. Dat daarbij ook het verlangen me van het grauwe schoolvolk te onderscheiden een rol heeft gespeeld, mag niet worden uitgesloten.

Niettemin: achteraf, ruim een halve eeuw later, moet ik vaststellen dat het om meer ging dan een puberale bevlieging – tenzij een bevlieging een leven lang kan duren. Ik had het geluk dat mijn adolescentie samenviel met bevrijdende culturele om wentelingen in Amsterdam en elders.

Ik ging studeren, aan de universiteit en vooral op eigen houtje, ontdekte opnieuw onafzienbare continenten van de geest, waar het oude, bestofte curriculum van de thuisblijvers nauwelijks weet van had, en bleef daarover schrijven, eerst in opstandige, gestencilde, ‘alternatieve’ blaadjes, later in literaire tijdschriften en progressieve weekbladen – vooral in Raster, waarvan ik zeventien jaar redacteur was, in Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Nu wordt het tijd de balans op te maken. Er is de laatste decennia enorm veel veranderd in de literatuur en de kunsten, en dat geldt zo mogelijk nog meer voor hun maatschappelijke betekenis.

Daarover gaat dit boek. In het eerste hoofdstuk schets ik fragmentsgewijs iets van de dramatische ontwikkelingen van de historische avant-gardes van het begin van de twintigste eeuw. De rest van het boek – het slot van het eerste hoofdstuk (p. 54 e.v.) bevat een gemotiveerde inhoudsopgave – speelt zich af in de almaar fletser wordende schaduwen daarvan.

Daarbij concentreer ik me op de Nederlandse literatuur, eerst op een paar van de schrijvers en dichters die me als scholier tot een lezend en schrijvend leven hebben verleid en die ik sindsdien heb gevolgd, daarna op belangwekkende ‘jongeren’ van verschillende generaties. Voor de allerjongsten was er helaas geen ruimte. De beeldende kunst komt na het inleidende hoofdstuk alleen nog ter sprake in zoverre ze voor de literatuur van belang is geweest, in het bijzonder als het om dubbeltalenten gaat. Buitenlandse auteurs spelen alleen indirect een rol, als het werk van hun Nederlandse collega’s erom vraagt.

Gaandeweg, naarmate het boek vordert, tekenen zich de contouren af van een literatuur die in essentiële opzichten haaks staat op de principes van de historische avant-garde. En dat is maar al te begrijpelijk. ‘De creatieve mens wil zich uiten, hij wil geven, uitdelen; hij wil zich met de wereld als een minnaar met zijn meisje verbinden.’ Van die oude wijsheid van Lucebert ben ik me steeds sterker bewust geworden. Belangrijke literatuur is een uiting van generositeit, en wel meer naarmate ze zich grondiger van haar puberale excentriciteits‑ en exclusiviteitswanen heeft bevrijd.

Aanvankelijk, in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog, zette de bevrijding van de literatuur uit haar traditionele vormen de verhouding met de lezer als vanzelf onder spanning, soms was dat zelfs de primaire intentie. Dat is sindsdien drastisch veranderd.

Nu een op drift geraakte werkelijkheid de bestaanszekerheid onder de voeten van de mensen wegslaat, kan de schrijver het onmogelijk nog als zijn belangrijkste opgave zien de lezer op het verkeerde been te zetten, laat staan hem te imponeren met een stortvloed van onbegrijpelijkheden. Alleen als hij het stadium van de hoogmoed, de misantropie en de gekrenkte trots voorbij is en een uiterste poging doet te laten zien wat er op het spel staat, misschien wel allereerst het spel zelf, kan hij in omstandigheden waarin de markt steeds meer het eerste en het laatste woord krijgt nog iets te betekenen hebben.

Een ambitieuze schrijver heeft geen boodschap aan de lezer, hij schenkt hem iets, het beste wat hij te bieden heeft – een ‘promesse du bonheur’. In plaats van zich hardhandig van hem af te wenden of hem stroop om de mond te smeren, bewijst hij hem eer door een beroep te doen op zijn hoogste intellectuele en creatieve vermogens. Daarmee opereert hij, bewust of niet, in de Verlichtingstraditie van Kant, die (in een formulering van Peter Sloterdijk) wist dat de zojuist ontdekte individuele mens een onaf want nog in hoge mate onmondig wezen is, maar ook dat die nog niet mondige mens tot mondigheid kan worden verleid door hem aan te spreken alsof hij dat wel al was.

Wie met koninklijke egards wordt behandeld, wist Kant, gaat zich vanzelf een beetje koninklijk gedragen. Die pedagogische en psychologische grondregel is ook vandaag de dag nog geldig; hij leert dat elke reële verandering begint met een fictieve.

Hoger kan de betekenis van literatuur, hoezeer ook verdrongen naar de maatschappelijke periferie, niet worden aangeslagen. Wat er op het spel staat is een cultuur van de generositeit, het enige alternatief voor onze doorgeslagen consumentencultuur.

Ten slotte, vermoedelijk ten overvloede: wat volgt zijn essays die, naar ik hoop, een samenhangend patroon laten zien. Het is beslist niet mijn bedoeling een representatief overzicht, laat staan een geschiedenis van de naoorlogse Nederlandse literatuur te bieden. Het gaat uitsluitend om een keuze uit de auteurs die mij belangrijk lijken. Waarom ik dat vind moet blijken. Het is niet uitgesloten dat auteurs die hoogstens één keer of zelfs helemaal niet genoemd worden in een tweemaal zo dikke versie van dit boek met een apart essay bedeeld zouden zijn.


Download het fragment als PDF

'Want dat is het geschenk literatuur toch ook: bezwering en betovering. Offermans bundelt mooie voorbeelden en toelichtingen.' - 8weekly.nl ****

'Wat een knap boek is dit! Het is met grote kennis van zaken geschreven en in een prachtige stijl. Op die fraaie stijl ben ik jaloers geworden.' - Literatuurplein

'Een belangrijk boek van een deskundige van de Nederlandstalige experimentele roman.' – NBD|Biblion

Bespreking op Literatuurplein.nl

Wat een knap boek is dit! Het is met grote kennis van zaken geschreven en in een prachtige stijl. Op die fraaie stijl ben ik jaloers geworden.

Bron: Literatuurplein.nl

Recensie op 8weekly.nl

Want dat is het geschenk literatuur toch ook: bezwering en betovering. Offermans bundelt mooie voorbeelden en toelichtingen.

Bron: 8weekly.nl

Blogrecensie over Wat er op het spel staat

Offermans houdt het meest van de schrijvers die met de vorm experimenteren maar tegelijkertijd iets blijven zeggen; van de schrijvers die opnieuw durven beginnen zonder de traditie te vergeten; van de schrijvers die kinderlijk durven zijn zonder infantiel te worden.

Bron: Nederl.Blogspot.nl

Bespreking in Vrij Nederland

Na zeker tien kloeke essaybundels maakt Cyrille Offermans in zijn nieuwe boek over literatuur en de kunst na 1945 de balans op. Over de cultuur van het profijt, het alomtegenwoordige nut en de vitaliteit van de literatuur.

Bron: VN.nl

Voorpublicatie op Athenaeum.nl

15 augustus verschijnt Cyrille Offermans' essay Wat er op het spel staat. Literatuur en kunst na 1945. Wij publiceren voor. '[D]e naoorlogse Nederlandse "avant-garde" wilde geen antikunst, geen einde van de kunst, geen kunst die opgaat in revolutionaire actie of het alledaagse leven, geen militante kunst met voorhoedepretenties, ze wilde wel degelijk kunst, een betrokken kunst zonder zelfcensuur die geen ervaring, dus ook geen oorlogservaring uit de weg ging - maar kúnst, autonome kunst, bevrijd van iedere bevoogding. Het ascetische, zich van de wereld afwendende Zwarte vierkant van Malevich kon evenmin inspiratiebron zijn als het steriele 'intellectualisme' van Duchamps readymades.'

Bron: Athenaeum.nl