BOEKEN

BOEK

Romeo en Julia op Sicilië

Romeo en Julia op Sicilië

Ottavio Cappellani

Ondersteund door de verzen van Shakespeare ontrolt zich in Romeo en Julia op Sicilië een hilarische zwarte komedie, die je meesleept van het begin tot het eind.

Twee maffiabazen vechten hun vete uit in de mooiste openluchttheaters in Sicilië, waar een omstreden erotische enscenering van Romeo en Julia wordt gespeeld. Bij iedere opvoering valt een schot.

Steeds wordt de cultuurambtenaar getroffen, die het waagt het stuk in zijn gemeente te laten spelen. De theaters zijn voortdurend vol in deze lange hete zomer. De van toneel naar toneel meereizende cultuuraanbidders en journalisten van de boulevardpers willen per slot van rekening niets missen. Waarom interesseert de maffia zich eigenlijk ineens voor Shakespeare?

De twee maffiafamilies strijden om de eer van een mooie jonge vrouw, Betty Pirrotta, ‘de vleesgeworden schunnigheid in oogverblindende gedaante’. Maar langzaam dringt het besef door tot de heren met de zwarte zonnebrillen, dat ze allang niet meer alles in de greep hebben. Ondersteund door de verzen van Shakespeare ontrolt zich in Romeo en Julia op Sicilië een hilarische zwarte komedie, die je meesleept van het begin tot het eind.

   

Twee maanden later.

‘Vijftien euro?’
‘Zeg twintig.’
‘Deal, twintig.’
De twee schudden elkaar de hand.
‘O ja…’ zegt de een. ‘Natuurlijk alleen als het gebeurt wanneer hij naar zijn lul grijpt…’
‘Spreekt voor zich… exact op dat moment… Romeo grijpt naar zijn lul en… baf!’
‘Perfect.’

Iemand luistert het gesprek af. De mannen die de weddenschap aangaan moeten jonge advocaten zijn, alleen jonge advocaten kunnen zich kleden als televisiepresentatoren. Het is toch niet te geloven dat er mensen zijn die wedden op wat komen gaat, en toch gebeurt het. Degene die meeluistert denkt: er deugt iets niet aan die pauze tussen het eerste en het tweede bedrijf, of het een toneelvoorstelling is of een opera, er gaat altijd iets verloren, er ontstaat een te grote afstand tussen wat er op het toneel gebeurt en wat er in de foyer plaatsvindt. Maar nemen deze mensen nou wat van zo’n voorstelling mee? Verrijkt het ze? Wat is eigenlijk het probleem? Is er wel een probleem?

De gedachtegang wordt onderbroken door de tweede aanvangsbel, de voorstelling gaat weer beginnen. Advocaat Coco, consulent stadsmeubilair bij de gemeente Frigentini krijgt een flauwteaanval en gaat onderuit op het rode tapijt dat de trappen siert.

We zijn in Noto, hoofdstad van de barok, in het theater Victor Emanuel III, een juweeltje uit de negentiende eeuw, exacte kopie in miniatuur van het majestueuze Massimo Vincenzo Bellini Theater in Catania: majestueus en juweeltje, twee woorden waar La Voce della Sicilia, dagblad voor oostelijk Sicilië, dol op is.

De aanwezige ordetroepen komen met veel kabaal in slagordes van twee aanstormen, hand op het pistool. Enkele brutaal ogende jongemannen in designsmoking en zwarte lakschoenen met puntneuzen storten zich ook op advocaat Coco en stellen de agenten gerust: ‘Niets, niets aan de hand, we zijn goede vrienden… nietwaar, Avvocato?’ De advocaat die uitgestrekt ligt op de grond knikt instemmend. De jongens in smoking helpen de man overeind en begeleiden hem naar het toilet onder de verbaasde blikken van de politiemannen: deze keer was het loos alarm, maar waakzaamheid blijft geboden.

‘Doorlopen, mensen, doorlopen, niets aan de hand.’ Even later komt advocaat Coco lijkbleek terug van het toilet en zegt tegen de agenten: ‘Alles goed… ben weer helemaal opgeknapt… helemaal opgeknapt.’

In de zaal en in de loges heeft het gebruikelijke opgewekte gebabbel plaatsgemaakt voor een bedrukt geroezemoes dat af en toe onderbroken wordt door een licht hysterisch gelach. Advocaat Coco, die steeds witter wegtrekt, neemt plaats op een van de voorste rijen die gereserveerd zijn voor de notabelen van de provincie: burgemeesters, wethouders, adviseurs, allemaal werpen ze nerveus en gespannen blikken van vertwijfeling naar familieleden die enkele rijen achter hen of in de loges zitten. Sommigen vreten hun nagels op, anderen zitten diep weggedoken in de roodfluwelen fauteuils als passagiers op een chartervlucht van een of andere Balkanese luchtvaartmaatschappij, kort voor de start: dit is Sicilië, hoezeer de ordediensten op hun qui-vive zijn, als iets zijn beloop moet hebben is de kans groot dat het ook gebeurt.

De zaallichten doven.

‘Van al onze grote schrijvers zijn de Sicilianen de besten: Pirandello, Camilleri en nu Cappellani.’- L’Unità