BOEKEN

BOEK

Over Simeon. Een vriendschap met Simeon ten Holt

Over Simeon. Een vriendschap met Simeon ten Holt

Rita Verschuur

Een jaar na het overlijden van Simeon ten Holt, de componist van onder meer Canto Ostinato, brengt Rita Verschuur een eerbetoon aan hun vriendschap.

Hij las haar boeken, zij luisterde naar zijn composities, ze praatten over kunst en alles daaromheen. Maar het gesprek zou snel tot een einde zijn gekomen als het niet onderdeel werd van een vriendschap die in de loop der jaren steeds hechter en persoonlijker werd. Liefde, ziekte en dood, maar ook de dagelijkse rituelen en de belemmeringen van het ouder worden zijn onderwerp van gesprek.

Verschuur, als buurvrouw en vriendin van Ten Holt, portretteert hem via hun gesprekken op indringende wijze. Ze heeft haar verslag van hun ontmoetingen mogen aanvullen met brieven die hij aan haar stuurde. Over Simeon is niet alleen een liefdevol portret van de beroemde componist, maar ook een treffend beeld van een bijzondere vriendschap.

Kijk hier voor een overzicht van uitvoeringen van de Canto Ostinato
Ook verkrijgbaar als eboek

   

In december 1988 ontmoette ik een componist. Hij zat naast me aan tafel tijdens een verjaarsfeest van een goede vriend in Zutphen. Een verademing voor iemand uit kinderboekenland, waar de tafelgesprekken meestal cirkelden rondom de schrijverijen van het ogenblik en je niet zelden de hele inhoud opgedist kreeg van het boek dat je buurman net af had. Een componist kon moeilijk aan een diner zijn nieuwe compositie voor je gaan neuriën of fluiten, maar hij kon misschien wel iets vertellen over zijn werkwijze, zijn inspiratiebronnen. Aan vragen in die richting had mijn disgenoot geen behoefte.

Toen vertelde ik hem dat ik een paar jaar eerder in het gezelschap van onze gastheer een concert had bijgewoond in Vredenburg, dat van mij eeuwig had mogen doorgaan. Maar de muziek hield even argeloos op als ze was begonnen. Er was een stilte gevallen die je geen stilte kon noemen. Het was een stilte die langzaam opgeslurpt werd door de voorafgaande klanken. Te snel nog voor mij, want het applaus viel me rauw op het lijf. De componist werd naar voren geroepen en stond daar wat in het rond te zwaaien. Een oude man met een wijde lichtgele trui aan en een hoog opstaande boothals. Een klein kaal hoofd. ‘En dat was u.’ Mijn tafelheer knikte allervriendelijkst en vond dat we elkaar maar moesten tutoyeren. Ik vroeg hem wat hij nu aan het doen was. ‘Wil je dat echt weten?’ antwoordde hij. ‘Niets liever.’ ‘Ik componeer in opdracht van de prullenbak.’ Van ons verdere gesprek herinner ik me alleen nog dat hij zichzelf Methusalem noemde.

Tien jaar later stond hij aan het hekje voor de Ruïnekerk in Bergen te morrelen. Hij wou erdoor naar buiten, ik erdoor naar binnen. Hij liep met een stok. Methusalem, schoot er door me heen. En daarna: Simeon. Hij herkende me. Vertelde dat er in de kerk net een stuk van hem gerepeteerd werd. De Soloduivelsdansen. Hij vroeg wat ik hier deed. Toen ik zei dat ik pas verhuisd was naar Bergen nodigde hij me uit eens langs te komen. Maar eerst was er dat concert. Een Poolse pianist speelde muziek die de titel eer aandeed. Deze ervaring had niet veel gemeen met die in Vredenburg vijftien jaar eerder, met dat geluksgevoel van toen terwijl je meegesleurd werd door de repeterende klanken in Canto Ostinato, op weg naar de bevrijdende melodie.

Hier moest je af en toe ‘de gekte van je af duwen’, schreef ik die avond in mijn dagboek. Ik vertelde het aan Simeon toen ik hem opzocht in zijn oude boerenhuisje, vlak bij mij om de hoek. Dat ik de gekte nabij was geweest. Hij glimlachte. Ik keek verbaasd om me heen in de kleine ruimte, waar zijn hele leven in dienst leek te staan van de magistrale vleugel. ‘Dus hier leef je en werk je?’ ‘Eerder stond de vleugel in de studio achter op het erf,’ zei hij, ‘maar daar werd ik onrustig van. Ik moet mijn instrument bij me hebben en ’s nachts zo uit mijn bed even wat kunnen spelen en noteren.’ ‘Dat begrijp ik,’ zei ik. ‘Ik zou niet zonder nachtkastje kunnen met een blocnote en een potlood.’ ‘Maar ik vind het hier nog best ruim,’ zei Simeon. ‘Ik heb jaren lang in een bunker geleefd, in de polder even buiten het dorp.’ ‘Met vleugel en al?’ ‘Ja, hij stond daar wel op klossen, tegen de optrekkende vocht.’ ‘Hoe kon je daar leven?’ ‘Er zaten een paar ramen in. Ik denk dat de Duitsers er een kantoortje in gevestigd hadden. Het was een soort kloostercel. Maar heel gezellig hoor. Met kaarsen en een olielamp en een petroleumkachel. Het waren zeer creatieve jaren.’ Ik zag hem daar al zitten bij zijn brandende kaars, als een monnik.

Ik was altijd welkom op de borrel in ‘het gezelligste cafeetje van Bergen’, zei hij. Zelfs bij de ‘Herenclub’ mocht ik aanwezig zijn. De Werkgroep Hedendaagse Muziek, bestaande uit Simeon zelf en twee andere deskundigen, die aan het minuscule ronde tafeltje met een glas korenwijn de experimentele concertenreeks in de Ruïnekerk voorbereidden, onder de supervisie van Stichting Gaudeamus. Maar dat alles kwam amper aan bod als ik er met de heren een glaasje zat te drinken. Ik kwam trouwens meestal alleen. Dan dronken we wijn. Mouton cadet. Er stond altijd een fles op tafel. Hij kwam ook weleens bij mij. Ik had de korenwijn voor hem in de koelkast liggen. We wisselden ervaringen uit over ons werk, dat geen werk genoemd kon worden, maar waarmee we wel in ons levensonderhoud voorzagen – zo goed en zo kwaad als het ging. Hobby’s daarnaast had je niet, behalve recreëren, het liefst in de natuur. Creëren en recreëren, zo vatte hij het leven bondig samen.

Hij vertelde hoe het toeging, dat componeren. Noemde zichzelf een antennebouwer die wachtte op signalen. Je koos niet, maar werd gekozen, was zelf niet meer dan een procesbewaker. Zijn illustratie van dit proces zou zo in een sprookjesboek passen. Je werkte je door een oerwoud heen met een kapmes, zag plotseling een citadel opdoemen, zonder ramen en deuren en met een slotgracht eromheen, bewaakt door een leger draken. En dan gebeurde er iets waar geen verklaring voor was. Opeens stond je binnen. Je was waar je wezen moest. De resultaten van dit proces stonden bijna allemaal op cd. Van Canto Ostinato kreeg ik een kersverse opname, ook al had ik dat stuk na het concert in Utrecht op langspeelplaten aangeschaft en ontelbare keren beluisterd. En ik kreeg of kocht de composities Lemniscaat, Horizon, Méandres, Nathalon in E, die lieflijk harmonische klanken, gevolgd door Cyclus aan de waanzin, korte stukjes, met titels als ‘Zang van een donderwolk’, ‘Zang van Eros in aktie’, ‘De droom van een lijkkoets’, ‘Meditatie van het nevelhuis’. Verder dan die titels kwam ik niet bij de Cyclus aan de waanzin, tegen zulke woorden konden voor mij geen klanken op.


Download het fragment als PDF

'Persoonlijk verslag van een vriendschap in heldere stijl. In eenvoudige woorden en glasheldere stijl geeft Verschuur een inkijkje in het leven van de componist Simeon ten Holt.' – Het Parool ****

Documentaire over de Canto Ostinato

Maar heel af en toe is muziek, net als de ware liefde, in staat een radicale verandering in iemand teweeg te brengen. Een goed voorbeeld is Canto Ostinato van Simeon ten Holt. Hij componeerde het wel drie uur durende stuk tussen 1976 en 1979. Vanaf het eerste moment riep het felle controverses op. De officiële muziekwereld veroordeelde het stuk als te mooi en zonder vernieuwing. Inmiddels is ‘de Canto’ door een zeer grote groep luisteraars omarmd, en veel meer geworden dan een muzikale compositie voor vier piano’s. Aan het woord komen pianist Kees Wieringa, muziekwetenschapper Henkjan Honing en actrice Halina Reijn. Een vrouw vertelt hoe zij haar kind baarde op Canto, een man heeft een deel van de partituur op zijn arm getatoeëerd. Regisseur Ramon Gieling vraagt hen over de soms verstrekkende invloed die dit muziekstuk op hun leven heeft gehad.

Bron: BOSrtv.nl