BOEKEN

BOEK

Ontbijten in je eentje

Ontbijten in je eentje

Cri Stellweg

Want wie geen verleden heeft, heeft ook geen toekomst.

Met nietsonziende eerlijkheid en een flinke dosis zelfironie wordt in Ontbijten in je eentje een dag uit het leven van de auteur beschreven, afgewisseld met langere verhalen over vroeger en nu.

Het ontbijt in je eentje, hoogstens met de krant, de nachtelijke beroving in het steegje om de hoek door een jongen die haar kleinzoon kan zijn, de illegaal die ongevraagd zijn intrek in het schuurtje heeft genomen en daar met veel politiegeweld op een stille zondagmorgen uit wordt gehaald, het wordt allemaal openhartig beschreven.

Het meest ontroerend zijn de passages over haar scheiding. Ingeruild voor een jonger exemplaar, zoals zo vele vrouwen overkomt, weet Stellweg haar nieuwe leven zonder zelfbeklag weer op te bouwen. Want wie geen verleden heeft, heeft ook geen toekomst.

   

Het eensgezinde bundeltje handen vlak voor haar ogen op het kussen. Het is het eerste beeld in de eerste bewust beleefde seconden na het ontwaken. Alsof die twee elkaar toevallig hebben ontmoet. De linker ligt als een klein dier in de kom van de rechter, de duimen kruisen elkaar. Een paar handen die elkaars gezelschap hebben gezocht en gevonden, ongezien, ongeweten, in het donker van het nachtelijk bed.

Ook ligt haar lichaam vaak in een krul alsof het zich gevoegd heeft naar dat van een ander. Voor wat? Warmte? Troost? Nabijheid? Zij verbaast zich erover. Ik sliep, wist van niks, maar mijn lichaam wilde en deed het. Zonder mij mezelf de hand geven, in een krul om een ander lichaam gaan liggen dat er niet is. Raar. Gewenning, denkt ze, zegt ze, tegen het met grijs ochtendlicht gevulde dakraam. Een halve eeuw een gedeeld bed gekend, wat wil je.

Nu ze de handen heeft losgeknoopt, de benen rechtuit heeft gelegd en de rug gekanteld, kijkt ze rond, komt eruit, doet de paar stappen naar het elektrische kookplaatje, zet de fraaie wit geëmailleerde ketel met het vergulde deksel en fluitje (dat allang niet meer fluit) erop en wacht in bed tot de pluim stoom uit de ketel ontsnapt. Het dekseltje begint te klepperen. Dit is een mooi moment van de dag, vooral als het regent, de regen op het dakraam. Of waait, de wind rond het pannendak. De kop warme geurige thee vlakbij het gezicht. Geborgenheid is dat, veiligheid, denkt ze. Zegt ze. Soms. Tegen zichzelf.

Vanuit het bed en over het theekopje biedt de kleerkast daar recht tegenover een breed overzicht aan beschikbaar textiel. Kleurige stapeltjes truien, blouses, t-shirts, ze vouwt ze in drieën, alles volgens hetzelfde principe, twee flanken over het middenveld, armen eroverheen, vervolgens dubbelgevouwen. Daaronder hangen de rokken, de broeken, languit in de ruststand, alleen de benen ontbreken nog. Ze geeft er meer aan uit dan vroeger. Op de verpakking komt het nu meer aan dan ooit. Waarin zullen we vandaag nu weer eens het versleten lichaam verbergen. Hoofd, steunend op een arm, slokjes thee slurpend, stelt ze het omhulsel samen voor deze dag, de circa 29.460ste in dit leven dat ooit begon in wafelluiers, flanellen hemdjes, omgezoomd met kruissteekjes van rood haakgaren en sajetten truitjes.

Vier hoofden bungelden van een balk op de zolder. Vier bolle krijtwitte hoofden, elk aan z'n eigen spijker. Wanneer bij een straffe wind uit zee de ramen van dakkapel en steekraam tegen elkaar openstonden deinden ze zacht in een macaber witte-hoofdendansje. Ze was er niet bang voor, ook 's avonds niet als de zolder enkel door een zwak peertje werd verlicht. Als angst al eens dreigde, dan was ze die gauw de baas door met geweld van overtuiging te zeggen: het zijn slopen! Gewoon kussenslopen, gevuld met houdbaar voedsel, witte bonen, bruine bonen en twee met rijst. Op een dag had zij ze met houtskool gezichten gegeven, ogen, neusgaten en een mond. Eén hoofd keek zuinig, met klein geknepen mondje, de ander benauwd alsof er gedrukt moest worden op een grote scheet, en de rijsthoofden lachten, hartelijk de een, schaterend met wijdopen mond met zwarte tanden erin de ander.

Het was 1939, een oorlog dreigde. Beneden in de kelder stonden blikken met pakjes koffie, met thee. Dozen met zeep. Vele krakende zakjes gedroogde groenten, die later door vader in zijn pijp gestopt opgerookt zouden worden omdat proefondervindelijk bewezen was dat er echt niets anders, iets eetbaars van te bereiden viel. De moeder had goed gezorgd; zó, dacht zij, zou het uit vijf personen bestaande gezin een oorlog wel doorkomen. Dat pakte dus anders uit. Maar hoe had zij kunnen voorzien dat zij voor vier jaren vet, olie, suiker, zout, naaigaren, pantoffels, breiwol, worst en brandstof had moeten inslaan? Twee grote wasmanden vol turven in de kelder voor je-weet-maar-nooit, alla. Maar mudden antraciet, nootjes nr. 4, voor vier winters achtereen? En water? Had ze soms water moeten en kunnen hamsteren? Terwijl toch de tijd kwam dat vier personen hun tandenborstel uitspoelden in een en hetzelfde bekertje water, waarna de vijfde er het kunstgebit in te weken legde. Nee, de moeder kon dat niet helpen, het was de schuld van een Tommy die zijn bom liet vallen op de waterinstallatie van de stad, denkend dat hij al boven Duitsland was, terwijl dat net een krappe vijftig kilometer verderop lag. Een tankwagen kwam tweemaal daags op de hoek van de straat, de bewoners groepten eromheen met emmers, teilen, kannen en soms met een door twee man aangezeulde wasketel.

Toch werd eind april 1945 levend gehaald, mede dankzij de hamstervoorraad, hoewel de rijst muf begon te smaken en de bonen tenslotte boontje voor boontje moesten worden ontdaan van een wittige uitslag. Dankzij groezelige handeltjes met familiesieraden, moeders bontjas en beddengoed, dankzij ook de Centrale Keuken, maar vooral God was het die luid en langdurig dank diende te worden gezegd.