BOEKEN

BOEK

Niemandsland

Niemandsland

Kirsten Thorup

Niemandsland is een roman die zich laat vergelijken met Hersenschimmen van Bernlef, maar die niet alleen de ondergang van de hoofdpersoon beschrijft, maar ook laat zien hoe moeilijk het voor kinderen is om met hun ouders in gesprek te blijven.

Carl Sørensen zit in een verpleeghuis.Tegen zijn zin. ‘Opgesloten’ is een beter woord. Hij is ruim 90 jaar oud, een heel leven achter de rug en niets dat beklijft. Ja, de moeilijke jeugd en de angsten zijn er nog, ergens in het achterhoofd, maar de woorden die daar bij horen zijn bijna verdampt. Zijn zoon en schoondochter, die in de buurt wonen, kunnen tijdelijk niet voor hem zorgen vanwege de vakantie. Eenmaal in het verpleeghuis krijgt zijn kortstondige verblijf een permanent karakter.

Carl Sørensen wil geen patiënt zijn. Geestelijk en lichamelijk takelt hij af, maar bij vlagen weet hij heel goed wat er met hem gebeurt.Maar hoe moet je je verzetten als je hulpeloos en afhankelijk bent? En wie is aansprakelijk: het verplegend personeel, je familie, je lichaam?

Zijn dochter blijft hem bezoeken, maar de gesprekken lopen stroef. Vader en dochter zoeken elkaars liefde, maar de aftakeling zit in de weg. Het grote familiegeheim dat Sørensen met zich mee draagt, zal hij binnenkort mee zijn graf in moeten nemen: nu hij aan het dementeren is en niet langer goed kan spreken is het nauwelijks meer mogelijk om over het verleden te praten en ermee in het reine te komen.

Niemandsland is een roman die zich laat vergelijken met Hersenschimmen van Bernlef, maar die niet alleen de ondergang van de hoofdpersoon beschrijft, maar ook laat zien hoe moeilijk het voor kinderen is om met hun ouders in gesprek te blijven.

   

‘Ik wil naar buiten.’
‘U gaat niet naar buiten. U gaat naar bed.’
‘Ik wil een stukje lopen. In de zon.’
‘Het is al na middernacht.’
‘Ik heb geen tijd om hier nog langer te blijven.’
‘Laat me u helpen uw jas uit te trekken.’
‘Ik moet nog zoveel in de tuin doen.’
‘Ik breng u nu naar bed.’
‘Ik heb geen tijd, zei ik toch al.’
‘U kunt niet de hele nacht opblijven.’
‘Het groeit helemaal dicht. De tuin komt om van het onkruid.’
‘Daar hoeft u zich geen zorgen over te maken. Kom nu maar mee naar bed.’
‘Godverdomme nog aan toe.’
‘Nou nou, moet u echt gaan slaan?’
‘Laat me eruit.’
‘Hier, drink een glas melk. Dan ontspant u een beetje.’
‘Ik drink niet, ik eet niet.’
‘Gisteravond heeft u nog een boterham met kaas gegeten.’
‘Vanaf nu eet ik niet meer.’
‘Dat zal wel.’
‘Ik wil naar buiten.’
‘Voel eens hoe koud het buiten is.’
‘Nee, de zon.’
‘Steek uw hand eens uit het raam en voel eens.’
‘Het is niet zou koud als eerst.’
‘Kom met me mee. U kunt hier niet blijven staan.’
‘Wie ben jij?’
‘Ik ben Birgit, de nachtzuster.’
‘Meisje, laat me naar buiten. Ik moet naar huis.’
‘Geef me uw jas nou maar.’
‘Kreng, loeder.’
‘Meneer Sørensen toch. Zo’n fatsoenlijke man.’
‘Het is hier geen fatsoenlijke plek.’
‘Je kunt er maar beter aan wennen.’
‘Het ruikt hier als in een bordeel.’
‘Je bent nog nooit in een bordeel geweest.’
‘Ik had een veestapel van 175 melkkoeien.’
‘Nu begint mijn geduld met je op te raken.’
‘U moet mij niet gaan tutoyeren.’
‘Kom op, meneer Sørensen. Dan gaan we naar bed.’
‘Nee, niet die kant op. De uitgang is daarheen.’
‘Zo meteen maakt u me nog aan het huilen.’
‘Niet huilen. Daar heb ik geen tijd voor. Het is al te laat om aardappelen te poten.’
‘Ik moet de dokter erbij halen.’
‘Met mij is niks aan de hand.’
‘Hij kan u iets kalmerends geven, zodat u kunt slapen.’
‘Wilt u zo vriendelijk zijn om een taxi te bestellen naar de Søndergade 10?’
‘Nu gaat u mee.’
‘Au, dat doet pijn. Rotwijf.’
‘Het is niets voor u om zulke taal uit te slaan.’
‘Ik moet naar huis. Het onkruid blijft maar groeien.’
‘U bent thuis. Dit is uw thuis.’
‘Moet ik hier dan iedere nacht slapen, en de nacht daarna en de nacht daarna weer?’
‘Ja, dat moet.’
‘Ik wil hier niet slapen.
‘Wij letten wel op u.’
‘De engelen letten op.’
‘Ik ben een engel.’
‘Ellen?’
‘Engel.’
‘Ben je gekomen om me te halen?’
‘Meneer Sørensen, waar bent u? Hoort u mij?’
‘Hm.’
‘Blijf maar gewoon bij het raam staan. Ik ben zo terug.’
‘Ellen, ben je gekomen om me mee te nemen?’
‘Ja, pap, ik ben gekomen om je mee te nemen.’
‘Waar neem je me mee naartoe?’
‘Naar huis.’
‘Kijk, ik heb mijn jas al aan. Ik heb heel lang op je zitten wachten.’
‘De trein had vertraging.’
‘Waar is de dienstregeling? Er moet een dienstregeling zijn.’
‘Ja, de dienstregeling die je voor me hebt opgeschreven toen ik de eerste keer alleen de trein nam. Alle stations met vertrek- en aankomsttijden.’
‘Ik wil nu weg. Nu de zon nog schijnt.’
‘De zon gaat niet meer onder.’
‘Kom, voor ze de deur op slot doen.’
‘We lopen door de gesloten deuren heen.’
‘Jij bent mijn engel, Ellen.’
‘Ik blijf bij je.’
‘Alle bloemen op het kerkhof. Die zijn nu verwelkt.’
‘Wees gerust, je komt bij moeder te liggen.’
‘Ben je een engel des doods?’
‘Ik ben een engel des lichts.’
‘Schijn me dan maar eens bij.’
‘Hoe vind je het om hier te wonen?’
‘Het is wat krap, als je groter gewend bent.’
‘Ik ben gekomen om voor je te zorgen.’
‘Gaan we naar huis om de tuin te bekijken?’
‘Ja, laten we gaan. Hou mijn hand vast. Het is nog een heel eind naar huis.’
‘Je bent zo oud. Je zou alleen maar zeven jaar mogen zijn.’
‘Zeven, zeventien, zevenendertig of zevenenvijftig, het komt allemaal op hetzelfde neer.’
‘Het spijt me dat ik je moet verlaten. Niet voor mezelf, maar voor jou. Niet omdat je alleen achterblijft. Het is geen ramp om alleen te zijn. Om iets anders.’
‘Is er iets anders dan eenzaamheid?’
‘God zit in mijn ziel en stuurt me, maar de dingen om me heen stuurt hij niet.’
‘Ik geloof niet in hem.’
‘Ik ben bang dat het niet zo goed met je gaat, mijn engeltje.’
‘Je hoeft niet aan mij te denken. Het is jóúw zonsondergang.’
‘Ik heb geen enkele reden om dood te gaan.’
‘Nou, ga dan maar niet dood. Wie zegt eigenlijk dat je dood moet gaan?’
‘Dat zeg jij.’
‘Dat heb je verkeerd begrepen.’
‘Vertel me liever iets.’
‘Zie je dat zeilschip op zee? Die witte zeilen, die bol staan van de wind, als gespannen uiers.’
‘Ik zie wat jij ziet.’
‘De witte stammen van de berken. Leg je hand eens op de ruwe schors.’
‘Een boom kan honderden jaren oud worden.’
‘Dat kun jij ook.’
‘Niet iedereen heeft een reden om te blijven leven.’
‘Jij hebt mij.’
‘Je was zo ver weg.’
‘Maar nu ben ik hier.’
‘Ik dacht dat je nooit zou komen.’
‘Ik blijf altijd bij je.’
‘Tot de dood ons scheidt.’
‘Ja.’
‘Dan zijn we nu getrouwd.’
‘Ik zal het huishouden voor je doen, je kleren wassen en eten voor je koken.’
‘Wat kost dat?’
‘Ik wil je niet aan onbekenden overlaten.’
‘Hoe wilt u uw loon uitbetaald krijgen?’
‘Ik ben geen dienstmeid.’
‘Wie ben je dan? Ik ken je niet.’
‘Kijk eens naar me. Kijk eens goed.’
‘Ik zie een prachtige tuin.’
‘De rozenstruik staat in volle bloei. Ze geurt heerlijk.’
‘In mijn tuin staan geen rozenstruiken. We zijn verkeerd gelopen.’
‘Kijk, daar zijn je fraaie, kaarsrechte groentebedden met kool, aardappelen, erwten, sla en radijs.’
‘Het is winter. Er is alleen de kale grond.’
‘Gebruik je fantasie.’
‘Waar breng je me naartoe?’
‘Luister, daar zijn de honden. De jacht is begonnen.’
‘Het was in de wintertijd, tegen middernacht. Het was doodstil en de maan scheen helder. Ik had zin een avontuur. Ik haalde mijn buks en liep naar de dichtstbijzijnde akker. Ik ging bij een wildwissel staan. Even later kwamen er een paar hazen, maar ik kon mezelf er niet toe zetten ze te schieten. Ik was bang.’
‘Ik had je toen graag willen kennen. Als jongeman.’
‘Toen kwam er een haas in zijn eentje. Toen die binnen schootsafstand kwam, richtte ik en schoot. Het galmde vreselijk hard in de stille nacht, en daarna volgde de echo van het bos. Ik schrok van al die galm van het schot en dacht er nu pas aan dat de boswachter het had kunnen horen en misschien dacht dat het een stroper was. Even later sloop ik met de staart tussen de benen terug naar de boerderij en kroop ik in mijn kamertje boven de stal in mijn bed.’
‘En de volgende vriesochtend scheen de zon fel aan een heldere hemel.’
‘Nee, nee, het was verschrikkelijk weer. Ik werd bij de rentmeester geroepen, die me vroeg of ik tegen middernacht had staan schieten. Ik kreeg een fikse uitbrander en was bijna mijn baantje kwijtgeraakt.’
‘Nog geen zestien jaar.’
‘Waarom neem je me mee terug?’
‘Men zegt dat het je hersenen jong en soepel houdt als je herinneringen ophaalt aan vroeger. Vergetelheid veroorzaakt gekte.’
‘God, laat u me alstublieft niet gek worden. Ik wil niet gek worden. Spaar mijn hersenen.’ ‘De paarden. Zie je hoe alle paarden uit de stal worden gehaald en netjes naast elkaar op het erf worden gezet? De rustige en veel te slome paarden. De balsturige en mishandelde paarden. De schitterende en edele paarden. Twee aan twee worden ze voor de eg, voor de bietenwagen en voor de landauer van de herenboer gespannen.’
‘Ik was met de paarden vergroeid. We waren één, zoals in de oude fabels. Ik stuurde ze met de teugels, nooit met de zweep. Ik praatte vriendelijk tegen ze. Ik riep tegen ze en spoorde ze aan. De zweep had ik achter de hand voor noodgevallen en voor ongebaand terrein, waar man en wagen in de sloot konden belanden. Ik roskamde en borstelde ze, en ik smeerde hun gebarsten hoeven in met vet. Ik lette op ze en verzorgde ze alsof het mijn eigen familie was.’
‘Kom, we steken schuin de bevroren velden over, waarin het koren overwintert.’
‘Ik wil naar huis.’
‘We zijn thuis.’
‘Waarom verraad je me?’
‘U was heel ver weg, meneer Sørensen. Kom, nu gaan we naar binnen en gaan we naar bed.’
‘Ellen, waar ben je? Je mag niet weggaan.’
‘Ze komt u vast snel bezoeken.’
‘Ze was hier, en toen was ze ineens weer weg.’
‘Ik ben het, meneer Sørensen.’
‘Ze is verdwenen. Ik moet haar zoeken. Mijn kleine Ellen, helemaal alleen in het donker. Er gaat zo laat geen trein meer.’
‘Heeft u haar telefoonnummer? Dan bellen we haar morgen.’
‘Ze heeft geen telefoon en ook geen nummer.’
‘Ik kan niet de hele nacht met u bezig zijn. Er zijn ook nog andere bewoners.’
‘Die ken ik niet.’
‘U blijft veel te veel op uw kamer.’
‘Ik hou niet gezelschap dat me opgedrongen wordt.’
‘Het zou u misschien een beetje opvrolijken.’
‘Dan heb ik liever een borrel.’
‘U bent een bijzondere man.’
‘Ja, je kunt er niks aan doen dat je een bepaalde charme hebt … mm, mm, mm, mm, mm, mm, mm … daar kun je toch niks aan doen, of wel soms?’
‘Geef me uw hand maar, dan gaan we.’
‘Ja, Ellen, dan gaan we. Kinderen zijn trouweloos. Ze hebben genoeg aan hun eigen dingen.’
‘Kinderen hebben we slechts te leen, meneer Sørensen.’
‘Ja, kinderen kunnen niet je vader en moeder worden.’
‘Dus is het maar goed dat wij hier zijn om op u te letten.’
‘De gemeente is onze stiefmoeder. Het deed me pijn dat ze nooit zei: “Dag, en welkom thuis,” als ik op vrije dagen naar huis kwam. Maar ik kende haar luimen. Ze was bang dat ik te lang zou blijven en op het huishoudgeld zou teren. Ze gunde mij mijn eten niet. Dus negeerde ik haar en zei ook geen gedag voor ik mijn vaders werkkamer binnenstapte.’
‘Zo, nu hoeven we alleen de jas nog uit te doen en hem in de kast te hangen.’
‘Kan ik op dit bed gaan liggen?’
‘Dat is uw bed, meneer Sørensen.’
‘Nee, het is van de gemeente. Ik leen het tot ik wegga.’
‘U gaat niet weg.’
‘Jawel, hoor.’
‘U bent ook niet bang aangelegd.’
‘Ik ben aan stiefmoeders gewend.’
‘Nu hoeft u alleen de deken nog over uw heen.’
‘Nee, die duwt me alleen maar naar beneden.’
‘Het wordt koud vannacht, en we moeten bezuinigen op het energieverbruik.’
‘Ik slaap altijd met mijn kleren aan.’
‘U moet in elk geval uw schoenen uitdoen.’
‘Mijn schoenen slijten ’s nachts echt niet.’
‘Nee, maar het is niet zo hygiënisch.’
‘Napoleon sliep met zijn laarzen aan. Laat mij dan ook mijn schoenen aanhouden. Een soldaat moet altijd klaar zijn voor vertrek. Buiten woedt een wereldoorlog.’
‘Goed, meneer Sørensen. Maar alleen vannacht.’
‘Dat zei je gisteren ook.’
‘Gisteren heb ik niet gewerkt.’
‘Jullie zijn niet van elkaar te onderscheiden, meisjes. Jullie zeggen allemaal hetzelfde.’
‘Welterusten, meneer Sørensen, slaap lekker.’

'Niemandsland is een ontroerende roman over een man die liever afscheid neemt van het leven dan van zijn recht op zelfbeschikking. De vele perspectiefwisselingen en flashbacks maken van het boek een familieportret, dat vlot leest en stof tot nadenken biedt.' - De Standaard

'Een van de betere romans die er de laatste tijd over dementie verschenen zijn.' - NBD|Biblion

'Niemandsland is een hartverscheurende roman die onmiddellijk associaties oproept met Hersenschimmen van Bernlef. Grote verschil hiermee is echter dat we in Niemandsland niet alleen meeleven met de vertwijfelde hoofdpersoon, maar ook de pijn en het verdriet voelen van de kinderen die hun ouder zo zien aftakelen.' - Villa d'Arte

'Niemandsland is niet alleen een ontroerend en spannend familieverhaal, het weerspiegelt ook de manier waarop we in onze samenleving met ouderen omgaan.' - Boekdelen

Discussietips op Vitaal.nl

Niemandsland is een ontroerend boek over dementie en familiegeheimen. Daarnaast is het ook een roman waarin kritisch getoond wordt hoe we in onze samenleving met ouderen omgaan.

Bron: Vitaal.nl