BOEKEN

BOEK

Nachtwegen

Nachtwegen

Gajto Gazdanov

De nooit eerder vertaalde roman Nachtwegen van Gajto Gazdanov toont ons aan de hand van nachtelijke taxiritten de hele kosmos der mensheid: de brute en de zachtmoedige, de zoekende en de verliefde, de Russen in ballingschap en de nachtvlinders van Parijs. Gazdanov, volgens Nabokov ‘een bijzonder scherpzinnige observator van het leven’, maakte met Nachtwegen naam en faam als de ‘Russische Camus’.

Ook leverbaar als eboek

   

Een paar dagen geleden zag ik tijdens mijn werk, in het holst van de nacht, op het place Saint-Augustin, op dat uur volkomen uitgestorven, een klein karretje, van het soort waar doorgaans invaliden in rondrijden.

Het was een driewielig karretje, gebouwd als een rolstoel: voorop prijkte iets van een stuur, dat rondgedraaid moest worden om een ketting in beweging te brengen die in verbinding stond met de achterwielen. Verbluffend langzaam, als in een droom, reed het karretje om een kring veelhoeken van licht heen en reed de boulevard Haussmann op.

Ik kwam naderbij om het beter te bekijken; er zat een stevig ingepakt, ongewoon klein oud vrouwtje in; alleen haar dorre, donkere gezicht was te zien, dat bijna niets menselijks meer had, en een magere hand van dezelfde kleur die moeizaam het stuur bewoog. Ik had wel herhaaldelijk mensen als zij gezien, maar altijd overdag. Waarheen kon deze oude vrouw ’s nachts op weg zijn, wat kon de reden voor deze nachtelijke verplaatsing zijn, wie kon waar op haar wachten?

Ik keek haar na, bijna stikkend van medelijden, van het besef van volstrekte onherroepelijkheid en intense nieuwsgierigheid, die leek op een fysiek gevoel van dorst. Ik wist natuurlijk niets van haar. Maar de aanblik van deze zich verwijderende rolstoel en het trage piepen ervan, zo duidelijk hoorbaar in de onbeweeglijke en koude lucht van die nacht, wekten opeens het onstilbare verlangen om veel levens die mij vreemd waren te leren kennen en proberen te begrijpen, een verlangen dat mij de laatste jaren vrijwel nooit had verlaten.

Het was altijd vruchteloos gebleven, omdat ik niet de tijd had me eraan te wijden. Maar het gevoel van spijt dat ik bij het besef van deze onmogelijkheid ervoer, loopt als een rode draad door mijn hele leven. Toen ik daar later over nadacht, ging ik geloven dat deze nieuwsgierigheid in wezen een onbegrijpelijke gril was, omdat ze op schier onoverkomelijke hindernissen stuitte, die evenzeer uit materiële omstandigheden voortsproten als uit aangeboren tekortkomingen van mijn geest, en ook nog eens doordat elke maar enigszins abstracte prestatie mij verhinderd werd door de zinnelijke en stormachtige sensatie van mijn eigen bestaan.

Daarnaast had ik een hardnekkig onbegrip voor hartstocht of dweperij die mij persoonlijk vreemd waren; zo moest ik mezelf telkens groot geweld aandoen om niet iedereen die met weerloze en blinde hartstocht al zijn geld verspeelde of verdronk gewoon een domkop te vinden die mededogen noch medelijden verdiende – omdat ik door het toeval niet tegen alcohol kon en kaarten stierlijk vervelend vond.

Evenmin begreep ik donjuans die zich hun leven lang van het ene paar armen in het andere stortten – maar dat was om een andere reden, waar ik lange tijd geen idee van had, tot ik de moed had om dit tot het eind toe te doordenken en toen tot de slotsom kwam dat het afgunst was, des te verbazingwekkender omdat ik verder volstrekt gespeend was van die emotie.

Mogelijk dat ook in andere gevallen, als er een bepaalde ongrijpbare verandering was opgetreden, gebleken zou zijn dat de hartstochten die ik niet begreep ook voor mij binnen bereik waren gekomen, en ook ik hun verwoestende uitwerking zou hebben ondergaan, en dat andere mensen, wie deze hartstochten vreemd waren, dan met eenzelfde medelijden naar mij hadden gekeken. En dat ik ze niet ervoer, was misschien alleen maar een uiting van een instinct tot zelfbehoud, dat bij mij kennelijk sterker was dan bij die kennissen van mij die hun schamele loon bij paardenraces verwedden of in talloze kroegen verdronken.

Wat mijn onbaatzuchtige nieuwsgierigheid voor alle dingen om mij heen, die ik ook met waanzinnige hardnekkigheid ten volle wilde begrijpen, in de weg stond was, naast al het andere, een gebrek aan vrije tijd, dat op zijn beurt voortvloeide uit het feit dat ik altijd in schrijnende armoede leefde en de zorgen om mijn levensonderhoud alle aandacht opeisten.

Maar deze zelfde omstandigheid bezorgde mij wel een betrekkelijke rijkdom aan oppervlakkige indrukken die ik niet gehad zou hebben als mijn leven onder een ander gesternte zou zijn verlopen. Ik had geen vooringenomen standpunt tegenover de dingen die ik waarnam, ik probeerde generalisaties en conclusies te vermijden: maar los van mijn verlangen kwam het er wel op neer dat er, als ik er goed over nadenk, twee gevoelens zijn die mij sterker dan wat ook beheersen – minachting en mededogen.

Nu ik aan deze smartelijke ervaring terugdenk, vermoed ik dat ik mij wellicht vergist heb en dat deze gevoelens niet terecht waren. Maar het bestaan ervan gedurende lange jaren kon door niets worden overwonnen, en het is nu even onherstelbaar als de dood en ik zou ze niet kunnen ontkennen; dat zou een zelfde innerlijke lafheid zijn als wanneer ik het bewustzijn ontkende dat diep in mij een onherroepelijke en onbegrijpelijk moordlust huist, een volstrekte minachting voor andermans eigendom en een bereidheid tot verraad en ontucht.

En de gewoonte te opereren met voorstelbare, door een reeks toevalligheden nooit gebeurde dingen, maakte deze mogelijkheden voor mij reëler dan wanneer ze daadwerkelijk gebeurd zouden zijn; en ze hadden allemaal een bijzondere verleidelijkheid die andere dingen ontbeerden.

Als ik na mijn nachtelijke arbeid langs de doodse straten van Parijs huiswaarts keerde, stelde ik me meer dan eens tot in detail een moord voor, alles wat eraan voorafging, alle gesprekken, de nuances van de intonaties, de uitdrukking van de ogen – en de handelende personen van deze imaginaire dialogen konden toevallige bekenden van me zijn, of voorbijgangers die me om de een of andere reden waren bijgebleven, of, ten slotte, ikzelf als moordenaar.

Aan het eind van zulke overpeinzingen kwam ik steeds tot hetzelfde resultaat, tot iets wat half gevoel, half conclusie was, het was een mengsel van ergernis en medelijden over het feit dat mij zo’n troosteloze en nodeloze ervaring ten deel was gevallen; en dat ik door stom toeval taxichauffeur was geworden. Alles, of bijna alles, wat er aan schoons in de wereld was, werd voor mij als het ware potdicht afgesloten – en ik bleef alleen achter, met het hardnekkige verlangen toch niet getroffen te worden door de eindeloze en vreugdeloze menselijke slechtheid waar mijn werk mij dagelijks mee in aanraking bracht.

Deze was bijna overal, zelden was er plaats voor iets positiefs, en geen burgeroorlog kon in walgelijkheid en gebrek aan alle goeds de vergelijking doorstaan met dit uiteindelijk zo vredige bestaan. Dat werd natuurlijk ook verklaard door het feit dat de bevolking van nachtelijk Parijs zich drastisch onderscheidde van die van overdag en bestond uit een paar categorieën mensen die naar hun aard en hun beroep doorgaans van tevoren reddeloos verloren waren.

Maar afgezien daarvan ontbrak in de relatie van deze mensen tot de chauffeur ook altijd de reden om zich in te houden – wat maakt het uit wat iemand van mij denkt die ik nooit meer zie en die hier niets van aan een van mijn kennissen kan vertellen? Daardoor zag ik mijn toevallige klanten zoals ze in werkelijkheid waren, en niet zoals ze zich wilden voordoen – en deze aanraking met hen liet hen vrijwel altijd van hun slechte kant zien.

Ondanks mijn hoogst onpartijdige opstelling tegenover iedereen, moest het mij wel opvallen dat het verschil tussen hen altijd klein was, en in deze kwetsende gelijkstelling verschilde de vrouw in avondjurk, die aan de avenue Henri Martin woonde, weinig van haar minder fortuinlijke zuster, die over het trottoir tippelde, als een wachtpost, van het ene punt naar het andere; en dat de deftige mensen uit Passy en Auteuil even vernederend afdongen bij de chauffeur als een beschonken arbeider uit de rue de Belleville; en dat je geen van hen kon vertrouwen, daar kon ik mezelf herhaaldelijk van overtuigen.

Ik weet nog goed hoe ik aan het begin van mijn chauffeurswerk eens langs de stoeprand stilhield, aangetrokken door het gekreun van een betrekkelijk keurige dame van een jaar of vijfendertig met een opgezwollen gezicht; ze stond tegen een reclamezuil geleund, ze kreunde en gebaarde iets naar mij; toen ik voorreed vroeg ze mij met hortende stem haar naar het ziekenhuis te brengen; ze had een gebroken been.

Ik tilde haar op en legde haar in de auto; maar toen we arriveerden, weigerde ze te betalen en verklaarde tegenover de man die in zijn witte jas naar buiten kwam dat ik haar van de sokken had gereden en dat ze bij haar val haar been had gebroken. En ik kon niet alleen naar mijn geld fluiten, ik liep ook nog eens het risico te worden beschuldigd van poging tot doodslag.

Gelukkig stond de man in de witte jas sceptisch tegenover haar uitlatingen en haastte ik mij weg te rijden. En als naderhand mensen die over een op het trottoir uitgestrekt lichaam heen gebogen stonden naar mij gebaarden, dan trapte ik alleen maar dieper het gaspedaal in en reed langs, zonder ooit te stoppen. Een man in een prachtig pak, die uit hotel Claridge kwam gestapt en die ik naar het Gare de Lyon had gebracht, gaf me honderd franc, ik had geen geld terug; hij zei dat hij binnen ging wisselen, liep weg – en kwam niet meer terug; het was een grijze, eerbiedwaardige man met een goede sigaar, die uiterlijk aan een bankdirecteur deed denken, en het is best mogelijk dat hij dat ook inderdaad was.

Op een keer, na een zoveelste vrouwelijke klant, deed ik, om twee uur ’s nachts, het licht in de auto aan en zag een dameskammetje met briljantjes liggen, vals waarschijnlijk, maar het zag er in elk geval luxe uit; ik was te lui om uit te stappen, ik besloot het ding later wel te pakken. Op dat moment werd ik staande gehouden door een dame – het was op een van de avenues bij de Champ-de-Mars – met een sortie-de-bal van sabelbont; ze moest naar de avenue Foch; toen ze uitgestapt was, herinnerde ik me dat kammetje en keek over mijn schouder. Het ding was weg, de dame met de sortie-de-bal had het gestolen, net als een kamermeisje of prostituee zou hebben gedaan.

Het was bijna altijd in dezelfde ochtenduren dat ik hieraan dacht, en aan veel andere dingen. ’s Winters was het dan nog donker, ’s zomers al licht, en er was niemand meer op straat; heel af en toe kwam je arbeiders tegen – zwijgzame figuren die langsliepen en verdwenen. Ik keek bijna niet naar hen, omdat ik hun uiterlijke aanblik wel kon dromen, zoals ik de wijken kende waar ze woonden, en de andere, waar ze nooit kwamen.

Parijs is opgedeeld in een paar onbeweeglijke zones; ik herinner me hoe een van die oude arbeiders – ik werkte samen met hem in de papierfabriek bij de boulevard de la Gare – me zei dat hij in veertig jaar Parijs niet op de Champs-Élysées was geweest, omdat hij, legde hij uit, daar nooit gewerkt had. In deze stad leefde in de arme wijken nog de psychologie van lang geleden, nog uit de veertiende eeuw bijna, pal naast de moderne tijd, zonder daarmee te mengen en bijna zonder ermee in aanraking te komen.

En als ik zo rondreed en terechtkwam in buurten, van het bestaan waarvan ik geen benul had gehad, dan dacht ik soms dat daar tot op de dag van vandaag een langzaam sterven van de middeleeuwen plaatsvond. Maar ik wist me nooit lang op één gedachte te concentreren en na een zoveelste draai aan het stuur verdween de smalle straat en begon de brede avenue, volgebouwd met huizengebouwen met glazen deuren en liften. De vluchtigheid van indrukken deed niet zelden de aandacht verflauwen, en ik gaf er de voorkeur aan mijn ogen te sluiten en nergens aan te denken.

Bij dit werk kon geen enkele indruk, geen enkele betovering langdurig zijn – en pas achteraf probeerde ik me te herinneren wat ik op zo’n nachtrit had gezien, en dat te duiden, vanuit de details van deze ongewone wereld, die kenmerkend zijn voor nachtelijk Parijs. Altijd, elke nacht, kwam ik wel een paar gekken tegen; meestal mensen op de drempel van het gekkenhuis of het ziekenhuis, alcoholisten en zwervers. Er zijn in Parijs duizenden van deze mensen. Ik wist van tevoren dat die en die gek in die en die straat zou lopen, en in een andere wijk een andere. Het was buitengewoon moeilijk iets van hen te weten te komen, omdat wat ze zeiden doorgaans volkomen onsamenhangend was.

Soms lukte dat overigens wel.
Ik herinner me hoe ik op een bepaald moment bijzondere belangstelling had voor een klein onooglijk mannetje met een snorretje, tamelijk netjes gekleed, zo te zien een arbeider, die ik ongeveer elke week of elke twee weken zag, om een uur of twee ’s nachts, altijd op een en dezelfde plek aan de avenue de Versailles, op de hoek tegenover de pont Grenelle. Hij stond gewoonlijk op het wegdek, naast de stoeprand, dreigend zijn vuist opstekend tegen iemand en amper hoorbaar scheldwoorden mompelend. Ik kon alleen verstaan hoe hij fluisterde: Rotzak…! Rotzak…!

Ik zag hem jarenlang, altijd op hetzelfde tijdstip, altijd op dezelfde plek. Ik sprak hem uiteindelijk aan en na lang uitvragen kreeg ik eindelijk zijn geschiedenis te horen. Hij was timmerman van beroep, woonde ergens in de buurt van Versailles, op twaalf kilometer van Parijs, en kon daarom maar één keer in de week hierheen komen, op zaterdag. Zes jaar daarvoor had hij op een avond mot gekregen met een kastelein, daartegenover, en die kastelein had hem een klap in zijn gezicht gegeven. Hij was afgedropen en koesterde sindsdien een dodelijke haat tegen hem.

Elke zaterdagavond kwam hij naar Parijs; en omdat hij erg bang was voor deze man die hem een klap had gegeven, wachtte hij tot diens café dichtging, dronk in nabijgelegen ‘bistro’s’ het ene glas na het andere, om moed te vatten, en wanneer zijn vijand dan eindelijk zijn etablissement afsloot, dan kwam hij naar deze plek, stak dreigend zijn vuist op tegen de onzichtbare kastelein en mompelde fluisterend scheldwoorden; de schrik zat er echter zo goed in dat hij nooit hardop durfde te praten.

Terwijl hij de hele week in Versailles werkte, wachtte hij vol ongeduld op de zaterdag, vervolgens kleedde hij zich feestelijk en reed naar Parijs, om ’s nachts, in een uitgestorven straat, dreigend zijn amper hoorbare beledigingen in de richting van het café uit te spreken. Hij bleef tot het ochtendgloren op de avenue Versailles staan – en vertrok dan in de richting van de porte Saint-Cloud, om van tijd tot tijd te blijven staan, zich om te draaien en met zijn kleine, pezige vuist te zwaaien.

Later ging ik langs in het caf̩ van de man die hem beledigd had, trof daar een struise, rossige vrouw achter de toog die zoals altijd klaagde over de zaken. Ik vroeg haar of ze het caf̩ al lang had Рdrie jaar bleek, ze was hierheen verhuisd na de dood van de vorige eigenaar, die aan een beroerte was overleden.


Download het fragment als PDF

'Melancholieke portretten van Parijse nachtvlinders door de ogen van een Russische chauffeur van een nachttaxi. Een stilistisch genoegen. Prachtige beschreven en uitstekend vertaalde levenstekens uit het Parijse nachtleven en de Russische diaspora.' - De Standaard ****

'De lange, melancholische zinnen meanderen over de pagina en brengen de lezer (natuurlijk ook met dank aan Arie van der Ent, die het Russisch naar perfect leesbaar Nederlands heeft vertaald) in eenzelfde soort bui als zijn eerder vertaalde romans. Het zijn krachtige zinnen waarin Gazdanov zijn thema's uiteenzet: toeval, verbeeldingskracht, werkelijkheid, sensualiteit, vluchtigheid. Het zijn de thema's van een gebroken, geknakt leven.' - 8weekly ****

'Het is een prachtboek, een van de beste uitgaven van dit najaar. Het is een van die boeken die je in zijn geheel zou willen citeren, zo goed is het. Waar blijven de lovende kritieken? De aantrekkelijkheid van de roman ligt dan ook in de eerste plaats in de personages die Gazdanov Рonderkoeld Рobserveert, levens die veelal als bijna uitgebrande kaarsen zijn. Prostituees, pooiers, zwervers, gekken, dronkaards, zij zijn het die het vaakst voorbij komen in de caf̩s en op de straten van nachtelijk Parijs. Gazdanov munt ook uit in de dialogen. Vijf sterren, ballen, in ̩̩n woord: subliem. Dit geldt ook voor de vertaling. Nachtwegen is een troostrijk boek voor de onthechten en ontheemden in een door God verlaten wereld, een filosofisch expos̩ over de aardse vergankelijkheid, of gewoon simpelweg geschreven voor iedereen die erover gedroomd heeft om taxichauffeur in Parijs te zijn Рen wie heeft dat niet?' - Literatuurplein *****

'Gazdanov blinkt uit in zinnen die regel na regel over de pagina’s glijden. Hoewel afstandelijk van toon, voel je de passie van de schrijver. Ze dwingen je als lezer tot onverdeelde aandacht, wat in dit tijdperk van constante prikkels een weldoende afwisseling is. Dus: gsm uit, Facebook on hold en je volledige aandacht voor één lange nachtelijke trip. Het is niet meer van deze tijd, maar we kunnen het iedereen aanraden. De wijze woorden over het leven en zinnenprikkelende literatuur van Gazdanov krijg je er zomaar bovenop.' - CuttingEdge.be ****

'Anders dan het indrukwekkende Het fantoom van Alexander Wolf lijkt Nachtwegen zonder verhaal, zonder plot, maar dat is misleiding. Op een knappe manier zet Gazdanov alles naar zijn hand en laat ons ervaren hoe de hoofdpersoon – een literaire afspiegeling van hemzelf – zich staande houdt in de anonimiteit van de enorme stad. Ode aan de uitgeverijen Cossee en Lebowski om dit meesterlijke boek uit te brengen en complimenten aan de vormgever voor het treffende beeld van de nachtvlinder op het omslag. Deze uitgave past prachtig in de trend die ons al zoveel mooie boeken heeft bezorgd.' - Walter Jansen, Boekhandel Jansen en De Feijter, Velp op Boekblad.nl

‘Een openbaring!’ – Viktor Jerofejev

‘Gazdanovs meeslepende, glasheldere taal breekt zelfs het verzet van de traagste lezer en de hardnekkigste iPhoneverslaafde.’ – Maxim Biller

'De beklemming die zijn houding bij de lezer veroorzaakt is voelbaar tot in de uithoeken van deze bijzondere roman. Gajto Gazdanov schetst een dieptreurig beeld van zijn landgenoten in den vreemde, waarbij hij tegelijkertijd, zelfs in de grote afstandelijkheid die hij verkiest, een onbewust portret van zichzelf tekent. Hij heeft weinig compassie met zijn mede-emigranten en hun in alcohol gedrenkte toekomstvisioenen, maar zijn wereld wordt op dat moment gekenmerkt door in lange, prachtig rondzwervende zinnen vastgelegde vertwijfeling.' - LiterairNederland.nl

Bespreking op Cutting Edge

Gazdanov blinkt uit in zinnen die regel na regel over de pagina’s glijden. Hoewel afstandelijk van toon, voel je de passie van de schrijver. Ze dwingen je als lezer tot onverdeelde aandacht, wat in dit tijdperk van constante prikkels een weldoende afwisseling is. Niet alleen in beschrijvingen, maar ook in dialogen blijkt de schrijver een meester te zijn. Vooral de filosofische terzijdes (een van de personages heet niet voor niets Plato) maken dat dit boek tot herlezen noopt.

Bron: CuttingEdge.be

Bespreking op Literairnederland.nl

Langs verschillende wegen kwamen de uitgeverijen Lebowski en Cossee in 2013 erachter dat ze bezig waren hetzelfde boek vertaald en uitgegeven te krijgen. In plaats van elkaar in de haren te vliegen over de eerst verworven rechten van Het fantoom van Alexander Wolf werden de handen ineengeslagen en hebben we nu al de tweede roman van Gajto Gazdanov te pakken die deze samenwerking bekroont. In de golf van herontdekte juweeltjes uit de wereldliteratuur vormt Nachtwegen (1952) een verrassende ontdekking.

Bron: LiterairNederland.nl

Bespreking op Tzum.info

Vijf sterren, ballen, in ̩̩n woord: subliem. Dit geldt ook voor de vertaling. Nachtwegen is een troostrijk boek voor de onthechten en ontheemden in een door God verlaten wereld, een filosofisch expos̩ over de aardse vergankelijkheid, of gewoon simpelweg geschreven voor iedereen die erover gedroomd heeft om taxichauffeur in Parijs te zijn Рen wie heeft dat niet?

Bron: Tzum.info

Bespreking op Boekblad.nl

Op een knappe manier zet Gazdanov alles naar zijn hand en laat ons ervaren hoe de hoofdpersoon – een literaire afspiegeling van hemzelf – zich staande houdt in de anonimiteit van de enorme stad. Ode aan de uitgeverijen Cossee en Lebowski om dit meesterlijke boek uit te brengen en complimenten aan de vormgever voor het treffende beeld van de nachtvlinder op het omslag. Deze uitgave past prachtig in de trend die ons al zoveel mooie boeken heeft bezorgd. Op naar de volgende Schwob.

Bron: Boekblad.nl

Recensie op 8weekly.nl

Eind vorig jaar kwamen uitgeverijen Cossee en Lebowski erachter dat ze na recente successen als John Williams en Hans Fallada beiden de roman Het fantoom van Alexander Wolf van de bijna totaal onbekende Gajto Gazdanov aan het vertalen waren. In een niet zo vaak geziene daad van vriendschap besloten de twee uitgeefhuizen het boek samen uit te geven. Het fantoom werd het zoveelste succesvol 'herontdekte' boek, Wereldbibliotheek herdrukte snel een ander werk van de schrijver dat ze in hun magazijnen terugvonden (Een avond bij Claire) en nu is van Cossee en Lebowski Nachtwegen verschenen.

Bron: 8weekly.nl