BOEKEN

BOEK

Mijn broer, de enige zoon

Mijn broer, de enige zoon

Stéphane Audeguy

Jean-Jacques was niet de enige zoon van het echtpaar Suzanne en Isaac Rousseau uit Genève, ook al wil zijn beroemde autobiografie Bekentenissen ons dat doen geloven. Hij had een broer, die door de familie Rousseau werd doodgezwegen.

De waarheid is dat terwijl Jean-Jacques staatstheoretische en pedagogische boeken schrijft, zijn broer François het hartstochtelijke leven van een losbol leidt en de grote ideeën van de Verlichting op zijn eigen manier beleeft. Na een wilde jeugd in Genève raakt hij verzeild in Parijs, waar hij zich aansluit bij een illustere kring van vrijdenkers rond een zekere monsieur B.

In 1762 wordt hij wegens ‘ernstige vergrijpen tegen de goede zeden’ opgesloten in de Bastille. Daar beleeft hij de roerige jaren van vlak voor de Franse Revolutie. Door de ogen van François Rousseau zien wij een kleurrijke periode vol dramatische omwentelingen. We maken kennis met Diderot en De Sade, en we zien het begin van de moderne tijd al snel in een ander licht. Als François op 14 juli 1789 door de Jakobijnen wordt bevrijd, vindt hij een baantje in een Chinees badhuis. Daar leert hij de mooie en sterke Sophie kennen, die niets weg heeft van de traditionele ideale vrouw van die tijd. In de liefde gelden inmiddels ook de nieuwe waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap.

‘Ik heb in de roman voor een historische aankleding gekozen,’ heeft Per Olov Enquist ooit gezegd, ‘omdat ik dan de conflicten en problemen van ónze tijd veel aanschouwelijker en genuanceerder duidelijk kan maken.’ Dit geldt zeker ook voor Audeguys roman.

   

Gisteren heeft de gehele Franse natie de stoffelijke resten van Jean-Jacques Rousseau naar de crypte van de tot Panthéon omgedoopte Sainte-Geneviève-kerk gedragen. De menigte was groot, zoals ook de roem van deze buitengewone man. Maar in de immense volksoploop wist geen mens dat de illustere Jean-Jacques een broer had, dat die broer de plechtigheid bijwoonde, en dat ik die broer was.
Pas na hun dood betuigt de Republiek haar denkers erkentelijkheid. Zo bespaart zij de levenden de moeite hen te lezen. Wanneer ik mezelf bij het Panthéon bekend had gemaakt en met een of ander onbetwistbaar bewijs mijn identiteit had aangetoond, zouden ze me hebben vereerd, verafgood. De massa ziet graag dat grote mannen behept zijn met een onbeduidende familie: dat maakt indruk op het gewone volk en troost de middelmatigen. Maar ik heb mijn mond gehouden. Ik schrijf dit relaas niet in de hoop gelezen te worden, en bang om ongelezen te blijven ben ik evenmin. Ik heb besloten me tot jou te richten, Jean-Jacques; verderop zal ik zeggen waarom.

Ik was achttien toen ik je voor het laatst zag, nu nader ik de negentig: er is nogal wat dat ik je moet vertellen. Tegen de doden spreken is een van de voorrechten die een oude man geniet, en zeker wanneer je zo oud bent als ik zijn die schaars. Waarom zou ik het mezelf ontzeggen je geest op te roepen als jan en alleman zich tegenwoordig gerechtigd voelt je voor te stellen als de Christus van de Revolutie? Al jaren geven mensen hun kinderen jouw voornaam. Op sierborden prijkt je vrome beeltenis. Zelfs de bewonderenswaardige plichtsbetrachting van vaderlandslievende moeders, de miraculeuze bekering tot de hogere belangen van de Natie en de roeping voor botanicus of musicus worden op jouw conto geschreven.

Vanzelfsprekend leest niemand je meer. Waarom zouden ze? Het schijnt dat onze Revolutie je dromen eindelijk heeft doen uitkomen. De mannen die tafels laten dansen leggen de doden de dingen in de mond die de levenden graag willen horen; wanneer landen hun grote mannen herdenken gebeurt hetzelfde. Dat is waarschijnlijk de reden geweest waarom de Nationale Conventie het een goed idee vond je lijk op te graven, je uit de zachte aarde te halen van het ÃŽle-de-France, waar je vredig lag te ontbinden sinds het jaar onzes Heren 1778, en je overschot langzaam van Ermenonville naar Parijs te vervoeren, om je daar een kostbare nieuwe behuizing te geven.

Bespreking op Iedereenleest.be

Boeiend thema (broer van de filosoof/moralist Jean Jacques Rousseau vertelt over zijn losbandig leven) in de tijd van de Franse revolutie. Werpt wel een ander licht op het geïdealiseerde 'liberté-fraternité-egalité'-verhaal. Ik heb het opgezocht: deze broer heeft werkelijk bestaan (Hoewel JJ Rousseau zichzelf het enige kind noemde) maar zijn getuigenis hier is, weliswaar schitterende, fictie. Erg vlotte verhaalstijl met verrassende wendingen.

Bron: IedereenLeest.be

Recensie op NRCBoeken.nl

Audeguy en Del Amo laten hun lezers dwalen door het Parijs van de Verlichting.

Bron: NRCBoeken.nl

genomineerd voor de Prix Goncourt