BOEKEN

BOEK

Kleine geschiedenis van de vooruitgang

Kleine geschiedenis van de vooruitgang

Ronald Wright

De voorbeelden van Ronald Wright zijn aanschouwelijk en benadrukken: alleen als we vooruitgang en verwoesting in hun wisselwerking begrijpen, kunnen we de fouten die we sinds het stenen tijdperk hebben gemaakt vermijden.

De vooruitgang vreet zijn bedenkers op: we hebben het wiel en het buskruit uitgevonden, maar tegelijkertijd hebben al onze geniale ontdekkingen in toenemende mate onze planeet in gevaar gebracht.

Het is de hoogste tijd, zegt de historicus Ronald Wright, dat we eindelijk gaan begrijpen dat de vooruitgang - van de jagers en verzamelaars van toen tot de high-techmaatschappij van nu - ook een problematische keerzijde heeft.
Kleine geschiedenis van de vooruitgang laat indringend zien dat die ambivalentie van de vooruitgang even oud is als de beschaving zelf.

De voorbeelden van Ronald Wright zijn aanschouwelijk en benadrukken: alleen als we vooruitgang en verwoesting in hun wisselwerking begrijpen, kunnen we de fouten die we sinds het stenen tijdperk hebben gemaakt vermijden.

   

De archeologie is het beste instrument dat we hebben om vooruit te kijken, omdat ze ons een diep inzicht kan bieden in de koers en de snelheid die we in de loop der tijd hebben gevolgd: wat we zijn, waar we vandaan komen en waar we waarschijnlijk naartoe gaan.

Terwijl de geschreven geschiedenis vaak sterk bewerkt is, kan de archeologie ook daden blootleggen die we zijn of willen vergeten. Een realistisch begrip van het verleden is een relatief nieuw verlangen, een late vrucht van de verlichting, hoewel mensen uit allerlei periodes de aantrekkingskracht hebben gevoeld van wat de elizabethaanse oudheidkundige William Camden 'het nieuwsgierige terugkijken' noemde. De oudheid, zo schreef hij, 'bezit een zekere gelijkenis met de eeuwigheid. [Ze] is zoet voedsel voor de geest.' Niet iedereen was in die tijd zo ruimdenkend. Een Spaanse onderkoning van Peru die net een bezoek had gebracht aan de hoog in de Andes gelegen hoofdstad van de Inca's, met zijn wanden van als juwelen gezette, reusachtige stenen, schreef zijn koning: 'Ik heb het [door de Inca's] gebouwde fort bekeken... dat duidelijk het werk van de duivel is [...] want het lijkt niet mogelijk dat mensen de kracht of de vaardigheid zouden bezitten zoiets te maken.'

Ook nu nog kiezen sommigen liever voor het gemak van de mystificatie en beweren dat de wonderen van de antieke wereld gebouwd zijn door de bewoners van Atlantis, goden of buitenaardse wezens, dan dat ze zich proberen voor te stellen hoe duizenden ploeterden onder de hete zon. Met deze manier van denken beroven we onze voorouders van de eer die hun toekomt en onszelf van hun ervaring. Door zo te denken, kunnen we immers geloven wat we willen over het verleden en hoeven we uit de beenderen, potscherven en inscripties niet de pijnlijke conclusie te trekken dat mensen over de hele wereld steeds opnieuw dezelfde vooruitgang en fouten hebben gemaakt.

Ongeveer twee eeuwen na de Spaanse invasie van Peru kreeg een Nederlandse vloot in de Stille Zuidzee, een flink eind ten westen van Chili en ten zuiden van de Steenbokskeerkring, iets in zicht dat even indrukwekkend en misschien nog wel onverklaarbaarder was dan de megalithische bouwwerken in de Peruviaanse Andes. Op eerste Paasdag 1722 stuitten de Nederlanders op een onbekend eiland waarvan ze de kale en door erosie aangetaste hellingen eerst voor zandduinen aanzagen. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze tot hun verbazing honderden stenen figuren in het landschap staan, waarvan sommige even hoog waren als een Amsterdams grachtenpand. 'We konden niet begrijpen hoe deze mensen, die zijn verstoken van zwaar en dik hout en sterk touwwerk, deze figuren, die meer dan tien meter hoog zijn, kunnen oprichten.'

De Britse ontdekkingsreiziger kapitein Cook bevestigde later de desolate aanblik van het eiland, waar hij 'geen hout voor brandstof' aantrof, noch 'vers water dat de moeite van het aan boord nemen waard is'. Hij beschreef de onooglijke kano's van de eilandbewoners, gemaakt van stukjes drijfhout die als schoenleer aan elkaar waren gestikt, als de beroerdste in de Stille Zuidzee. De natuur, zo concludeerde hij, had 'deze plek uitermate karig met haar gunsten bedeeld'. Het grote mysterie van het Paaseiland dat de eerste bezoekers versteld deed staan, was niet alleen dat deze kolossale stenen beelden in een zo klein en afgelegen hoekje van de aarde stonden, maar ook dat de stenen er zonder hulp van takelinstallaties leken te zijn neergezet, alsof ze zo uit de lucht waren komen vallen. De Spanjaarden, die de indrukwekkende inca-architectuur aan de duivel hadden toegeschreven, hadden nooit oog gehad voor de prestaties van andere culturen. Maar in dit geval konden zelfs wetenschappelijke waarnemers de aanwezigheid van de reusachtige stenen beelden van het Paaseiland niet verklaren. Ze stonden daar als wilden ze de spot drijven met het gezonde verstand.

We kennen nu het antwoord op het raadsel, en dat is om koud van te worden. Met alle respect voor kapitein Cook, maar de natuur had het eiland in feite helemaal niet karig bedeeld met haar gunsten. Stuifmeelonderzoek in de kraters heeft aangetoond dat het ooit een waterrijk en groen eiland moet zijn geweest, met een vruchtbare vulkanische bodem waarop dichte bossen van Chileense wijnpalmen groeiden, bomen van een hoogwaardige houtsoort die even dik konden worden als eiken. Dat ze waren verdwenen, had geen natuurlijke oorzaak: geen vulkaanuitbarsting, geen droogte, geen ziekte. De ramp die het Paaseiland had getroffen was de mens.

Rapa Nui, zoals de Polynesiërs het eiland noemen, werd in de vijfde eeuw n. Chr. gekoloniseerd door migranten die afkomstig waren van de Marquesas of de Gambier-eilanden. Ze arriveerden er in grote catamarans beladen met de gebruikelijke planten en dieren: honden, kippen, eetbare ratten, suikerriet, bananen, zoete aardappelen en moerbeibomen, waarvan de bast gebruikt werd voor het vervaardigen van textiel. (Thor Heyerdahls theorie dat het eiland vanuit Zuid-Amerika moest zijn gekoloniseerd blijkt bij nader inzien niet te kloppen, hoewel er waarschijnlijk wel sporadische contacten zijn geweest tussen Peru en de eilanden van Oceanië.)

Het klimaat op het Paaseiland bleek te koud voor broodvruchten en kokospalmen, maar er was een rijk voedselaanbod uit de zee: vis, zeeleeuwen, bruinvissen, schildpadden en nestelende zeevogels. Binnen vijf of zes eeuwen was het aantal kolonisten toegenomen tot ongeveer tienduizend mensen - heel wat voor een eiland van honderdzesenzestig vierkante kilometer. Ze bouwden dorpen met stevige huizen op stenen fundamenten en ontgonnen de beste stukken grond voor landbouw. Er ontstond een sociale geleding in clans en rangen (edelen, priesters, gewone mensen) en wellicht was er ook een opperste leider of 'koning'. Net als op sommige andere Polynesische eilanden ontstond onder de afzonderlijke clans de gewoonte hun voorouders eren door indrukwekkende stenen beelden voor hen op te richten.

Deze beelden werden gehouwen uit de zachte vulkanische tufsteenkraters en daarna op platforms nabij het strand opgesteld. In de loop der tijd werd deze beeldencultus steeds competitiever en extravaganter. Het hoogtepunt werd bereikt tijdens de Europese hoge middeleeuwen, toen het koningshuis van de Plantagenets over Engeland regeerde. Iedere generatie beelden was groter dan de vorige en er was steeds meer hout, touw en mankracht nodig om ze op de ahoe of altaren te hijsen. Er werden meer bomen geveld dan er nieuwe groeiden, een probleem dat nog werd verergerd doordat de ratten die met de kolonisten waren meegekomen, zich tegoed deden aan de zaadjes en jonge spruiten.

'Op dit moment is er geen boek op de markt dat zo meeslepend is geschreven, zo helder argumenteert en over zulke diepgaande kennis van cultuur en geschiedenis beschikt.' - The New York Times

'Ronald Wright is een historicus en filosoof met een diepgaand inzicht in andere culturen.' - Jan Morris