BOEKEN

BOEK

Ik maak je een graf van letters

Ik maak je een graf van letters

Cri Stellweg

Een hartverwarmend boek voor iedereen die een geliefde verloren heeft.

Cri Stellweg richt in dit boek een monument op voor de liefde van haar leven. Het is een onsentimenteel verhaal over de rijkdom die de liefde kan schenken tot over de grens van de dood. De auteur schildert een beeld van een man en van een lang en lawaaiig leven met hem – vol tederheid, ergernis, verlangen en geluk. Zij vertelt over het verlies en het verdriet in de eerste periode van haar weduwschap, over de lange, lege zondagen, de eenzaamheid en de boosheid. Maar zij schrijft ook over haar weer opbloeiende levenslust en haar terugkerend vermogen om te genieten.

Een hartverwarmend boek voor iedereen die een geliefde verloren heeft.

   

Toen ik het kamertje op de afdeling intensive care binnenkwam en zijn voeten zag die onbedekt op het ondereind van het bed lagen, toen ben ik daar maar bij gaan zitten. Zijn voeten, die herkende ik ja. Dat waren de voeten waar ik van hield, mooie mannenvoeten nog altijd. De tenen slank, kaarsrecht naast elkaar, elk met de eigen kleine gekromde rug die een paar centimeter verder overgaat in de teentop met nagel. Als gezichtjes, die nagels, in zijn geval eerlijke gezichtjes, betrouwbaar, flink. O ja, met die voeten van hem had ik geen enkele moeite. In tegenstelling tot wat ik daarboven wist aan lichaam en gezicht. De voeten, die waren helemaal niet die van een ernstig zieke man.

'Als u iets nodig hebt dan zegt u het wel, hè?' zei de broeder die door twee ruiten heen het kamertje in de gaten hield en tegelijkertijd op de monitor ook wat niet zichtbaar in het lichaam op het bed plaatsvond.

'Ja, dank u wel,' zei ik, en trok me terug bij de voor mij liggende voeten.
Ik kon nog goed zien hoe die tenen zich bijvoorbeeld klemden om de stenen rand van het zwembad, om het uiterste basaltblok aan het uiteinde van de pier in San Terenso aan de Italiaanse kust. Ik zag hoe de spieren zich spanden, de voetzolen verend loslieten en hoe door hun kracht een lange, kerngezonde man in een fraaie boog het water in gleed. Ik keek naar die voeten in het ziekenhuisbed en bedacht hoe jammer het was dat hij misschien nooit meer zeggen zou wat hij in een andere situatie dan deze hier in een kamertje op de intensive care gezegd zou hebben:
'Wat zit je te kijken? Wat is er met mijn voeten?'

En ik: 'Ik denk eraan hoe vaak ik je in de weer heb gezien met die voeten van je.'
De onderhoudswerkzaamheden. Hij trok dan het been op tot de kuit te rusten kwam tegen de binnenkant van de dij en met zijn hoofd ter hoogte van de knie werd er geknipt en gevijld, met een klein tangetje werden losse velletjes weggetrokken, de nagelriemen teruggeduwd, met de vingertoppen de bal van de voet, de zool, tenen en wreef afgetast op onregelmatigheden of oneffenheden. Mooie voeten en terdege onderhouden voeten. In badkamer of slaapkamer kwam het niet zelden voor dat wanneer ik tijdens een of andere bezigheid wat voorover leunde, ik die voet in mijn bilspleet voelde, althans van die voet de grote teen. Hetgeen nogal eens uitliep op voortgezet lichamelijk contact.

Ik heb daaraan denkend misschien wel geglimlacht, zittend aan het voeteneind van zijn bed, maar omdat hij daarop niet reageerde en zijn stem - 'Wat is er te giechelen?' - me niet daarop opmerkzaam maakte, weet ik zelf niet eens of ik glimlachte bij die gedachtenspinsels van me. De communicatie tussen ons was na al die jaren verbroken. Ik keek op van zijn voeten, om te zuchten of zoiets, toch in verwarring gebracht door die tot nu toe gezamenlijk gedeelde herinneringen die nu misschien weldra alleen de mijne zouden zijn.

Mijn herinneringen ja, die heel eigen herinneringen van mij aan zijn voeten.
We waren onderweg naar een kampeerterrein aan de Dordogne. De kinderen waren klein. We waren te laat van huis vertrokken. De schemer overviel ons min of meer, Noord-Frankrijk was nog maar net bereikt. Hij besloot dat we maar een stop moesten maken voor de nacht, zomaar terzijde van de weg die loopt van Etain naar Verdun. De kleine groene legertent werd opgezet, vierpersoons maar met een beetje duwen en goeie wil pasten we er met ons vijven wel in. Maar de auto, ojee, de auto met alles eraan en erin voor drie weken kamperen, die moest daar in de berm blijven staan. Die kon de verhoging naar de plek voor de tent niet op. Dat was link om die daar achter te laten. Een dkw met een linnen dakje. Eén jaap met een flink zakmes en alles daarin lag voor het grijpen! De kinderen en ik maakten ons gereed voor de nacht. Een uurtje geleden hadden we in België nog genoten van een maaltijd die bestond uit formidabele puntzakken met frites. Geen België zonder Belgische frieten. Terwijl wij doende waren, was hij daar beneden bezig en dook ten slotte weer op boven de bermkant met een klosje zwart ijzergaren in de hand.
'Waar is dat voor?' vroeg ik verbaasd.

'Beveiliging,' zei hij kort, kleedde zich uit, pyjama aan, klosje mee de tent in waar hij de draad in een lus om zijn grote teen vastmaakte. Die draad had hij over en om de auto heen gelegd. Zou er nu iemand omheen lopen, dan zou die de draad raken, en zo een ruk aan de lus rond de teen geven. Een spontaan zelfverzonnen alarmsysteem. Deze teen. Die zorg. Dat diepgevoelde verantwoordelijkheidsbesef van de man, de vader die hij was. Die teen met dat draadje.
Ik sta op om naar buiten te kijken. Ik zat aldoor met mijn rug naar het raam, maar dat blijkt afgedekt te zijn met grijs metalen luxaflex.

Aan het leven daarbuiten is de toegang hier ontzegd. Van hieruit geen zicht op een kleurig gekleed gezond mens met een boodschappentas, geen scholier met felgekleurd jack, geen gele stadsbus, geen bevende tak aan een van de bomen. Leven is daarbuiten, ziekte en dood zijn hierbinnen. Hier wordt uitgegaan van sterven, daar, als vanzelfsprekend, van leven en niks anders.
Ik ga maar weer terug naar mijn, naar zijn voeten. Zo stil, roerloos, pijnlijk schoon, een beetje bruin nog van de zomer aan en op het water. En ik zie ze, alsof er een vlies over trekt, ziekelijk gezwollen, goor-grauw, groezelig in de lijnen, in de groeven van het vlees over de wreef, deeltjes zwart rubber tussen de tenen.
Een avond in de zomer van 1944. De bel gaat. Daar staat iemand in grote opwinding.

'Kom gauw! Hij is terug! Hij wil zo graag dat je komt!' Maar het is spertijd. Waar is hij dan? Bij M.
'Hij durft natuurlijk niet hier te komen.' Sluipend langs de huizen, af en toe een moment in een portiek, speurend met ogen en oren naar eventueel onraad. Achter M.'s voordeur zit hij op de onderste trede van de trap. Voor het eerst na elf maanden zien we elkaar weer. We pakken elkaar beet. Hij stinkt. Hij huilt schokkend. Hij zoent en smaakt vies. Die avond laat, we mochten samen slapen in M.'s bed, die zichzelf overwinnend onwillig schokschouderend nog zei:

'Nou ja, de hele wereld staat op z'n kop, zo'n oorlog ook,' die avond heb ik hem gewassen in een zinken teiltje, met een washand gemaakt uit een versleten handdoek en een zuinig afgesneden blokje echte Sunlight-zeep. En toen moesten zijn laarzen uit. Die heb ik ten dele moeten afsnijden met een aardappelmesje. Ze zaten verkleefd in de huid van deze voeten. Hij was, meest 's nachts, komen lopen van de Frans-Zwitserse grens, naar huis, naar mij. Zulke arme voeten waren dat. Angstige voeten. Vreesaanjagende voeten. Die nacht in M.'s bed hield ik een over zijn hele lichaam trillende en klappertandende man in mijn armen. Van vrijen kon helemaal geen sprake zijn, alleen van tederheid tonen, geven en nemen, pakken, binnenhalen, gulzig, uitgehongerd. Die nacht werden we in één klap van vriendje en vriendinnetje een man en een vrouw. Niet langer twee verliefde jongelui, maar volwassen mensen ineens met volwassen gevoelens. Hij was 25, ik 21.

Later viel hij dan toch in slaap, zenuwtrekkingen door armen en benen. En zwetend. Ik lag ernaast, hield hem zo'n beetje vast en hoorde wat ik nog een tijd van de slapende, maar nooit overdag van de wakende man horen zou: zijn reacties op slagen, pijn en kou. Treinen hoorde ik ontsporen. Mitrailleurs ratelen. Ik zag een vrouw doodgeschoten worden. Haar baby op de arm. Die huilend op de grond bleef liggen toen de, nu bevende, man de deur achter zich dichttrok. Dat hele manhaftige maar machteloze kleine verzet van de Armée Blanche, de Maquis, ondernomen vanuit een schuilplaats diep in de Belgisch-Franse Ardennen.

Ik keek op en door de twee ruiten, die van dit kamertje en over het gangpad door die van de observatiepost der verpleegkundigen. Keek op en ontmoette het gezicht van een zuster. Een Surinaamse. Een breed, mooi, hazelnootbruin gezicht. Een haast teder lachje om de vlezige mond van haar, verzorgster van pijnen, naar mij, de wellicht aanstaande weduwe. Het lachje zei: gaat het een beetje? Ik deed met mijn ogen iets wat moest zeggen dat het wel ging dank u en bracht mijn blik weer bij de voeten, de overbekende, de dierbare, de veelgeziene, gevoelde.

De mijne die het altijd eerder koud hadden dan de zijne, mochten daar dan tussen. Hij sloeg één voet over ze heen, de ander eronderdoor. Stevig drukkend, koesterend, wrijvend langs die koude van mij. De warmte van de zijne heel langzaam voelen overgaan in die van mij, de weldaad van menselijke warmte die overgedragen wordt. Als in een spontane reactie op dit soort voelend denken kwamen mijn beide handen als vanzelf uit mijn schoot en vouwden zich om die ene voet van hem, de linker. Mijn warme handen om zijn door het herseninfarct verlamde linkervoet. Ik voelde de vertrouwde binnenzijde van de voetboog, de sterke tenen. Ik wreef niet, ik hield die voet zomaar stevig vast binnen mijn twee gevouwen handen. En voelde plotseling leven erin, een zacht trillen, een trekken. En schrok en keek nu dan toch naar zijn gezicht daar in de verte in het kussen en zag het gezicht van een oude man op zijn sterfbed, de mond open, slijm, wat bloed, ogen weggedraaid diep in de kassen. De zorgende Surinaamse was de beweging niet ontgaan, de verandering in mijn zitten. Ze was in een wip naast me.
'Hij bewoog... zijn voeten,' fluisterde ik geschokt.

'O, dat betekent niks hoor,' fluisterde ze terug. 'Dat is gewoon een onwillekeurige samentrekking van willekeurige spieren. Dat komt voor bij comapatiënten.' En ze maakte de voeten onzichtbaar, trok de kanariegele sprei eroverheen.
'Komt u maar mee. U zult wel trek hebben in een kop koffie.'
Zestien uur later was ik weduwe.