BOEKEN

BOEK

De vrouwenvanger

De vrouwenvanger

Mariëtte Haveman

Een groot, oud huis vlak bij de Duitse grens, waar het landschap weidser wordt. Een vader, moeder en hun dochter Lola zijn daar volkomen gelukkig.

Een groot, oud huis vlak bij de Duitse grens, waar het landschap weidser wordt. Een vader, moeder en hun dochter Lola zijn daar volkomen gelukkig. Dan komt een tweede gezin bij hen wonen. Markus Romeyn is een man met daadkracht en duidelijke idealen over hoe het leven geleefd moet worden. Over zelfverbouwd voedsel, het gebruik van windkracht en over de opvoeding van de kinderen. Hij gaat meteen aan de slag. De moestuin is een rommeltje en het oude huis heeft dringend onderhoud nodig.

Met adembenemende precisie vertelt Mariëtte Haveman hoe Lola en haar familie langzaam in de ban komen van een nieuwe levensstijl. Hoe verleidelijk het kan zijn je oordeelsvermogen af te staan aan een charismatische leider. Hoe radicale oplossingen in de plaats komen van realistische doelen. En waarom houden juist de vrouwen het vol, dit zogenaamd betere leven, zelfs als zij hun kinderen daarvoor in de steek moeten laten? Het is vooral deze pijnlijke vraag die dochter Lola jaren later nog steeds dwarszit.

   

De vrachtwagen zakte een eindje achteruit, terug naar waar hij vandaan kwam.
Een van de mannen stond ervoor met zijn armen te zwaaien. De ander, onzichtbaar achter de zwarte voorruit, draaide het bakbeest heen en weer tot het muurvast zat tussen de twee mosterdkleurige pilaren bij de ingang van ons voorplein. Een moment van volledige stilstand volgde: de vrachtwagen, ingeklemd tussen de pilaren, de man voor de wagen, zijn handen opgeheven in de lucht, wij drieën, toekijkend op het bordes. Zelfs de kauwen hielden zich koest. Toen begon het opnieuw.

Nauwkeurig hielden wij de millimeters speling tussen de vrachtwagen en de pilaren links en rechts in het oog, alsof we met onze verzamelde wilskracht ervoor konden zorgen dat die millimeters ongemoeid bleven. Het was alsof de kolos zich naar binnen groef. Met een piepende zucht van de luchtdrukremmen schoof hij als een groot, ongezond dier tussen de zuilen door en strekte zich in zijn volle omvang over het voorplein uit. De banden trokken geulen in het gras want de oprijlaan maakte een cirkel en de wagen was te groot om de bocht goed te nemen.
Het was gelukt.

Als eerste herinner ik me de schoenen van Markus: laarzen van suède met stukken glad leer langs de naden, dikke zolen, berekend op zwaar werk. Op die laarzen knerpte hij over het grind, regelrecht naar mijn vader: hand uitgestoken, sterke lach. Hij was een knappe, gezonde man, dat zag zelfs iemand als mijn vader die normaal volkomen blind was voor uiterlijkheden. Je kon zien dat hij een beetje onder de indruk was, net als ik. Hij zette een stapje achteruit, stak toen zijn hand uit en zei, ernstig en formeel: welkom.

Maar meer nog dan de laarzen staat mij de rand van schapenbont aan de onderkant van Markus’ jas nog voor ogen. Die was zacht en te warm voor de tijd van het jaar. Er sloeg ook een geur van af, bitter en zoetig zoals de geur van dieren. De jas van een pooljager. Zulke kleren droegen wij nooit. Mijn vader droeg altijd het jasje dat hij ‘s ochtends toevallig was tegengekomen. Hij had er een paar, allemaal oud en bruin. Mijn moeder gaf wel om haar uiterlijk. Zij zag er altijd leuk uit vond ik: kleurig en vrolijk, zelfs wanneer ze op haar rubberlaarzen door het hoge gras stapte met een tuinschaar voor zich uit en met een gezicht waaraan viel af te lezen dat ze weer eens van plan was definitief af te rekenen met de bramen.

Soms zong ze daarbij een min of meer toepasselijk lied. Apárt, zeiden andere mensen over haar. Al vroeg wist ik dat dat een woord was met twee kanten. Ondertussen was zij degene die de orde bewaarde tussen mijn kleurpotloden en de almaar aangroeiende stapels papier van mijn vader. Maar een strijkplank hadden wij niet. Kleren kwamen bij ons overal vandaan en ze mochten mee blijven doen zo lang het nog ging.

Na Markus kwamen smalle voeten in fijne bruinleren sandalen zijwaarts het trapje van de cabine af, effen kleren met nauwelijks een kreuk erin, en daarboven, nadat ze zich heel aarzelend omdraaide, Anna’s glanzende gezicht met de uitdrukking die het meestal had, zoals ik later ontdekte: een beetje zorgelijk, met een rimpel tussen haar wenkbrauwen, alsof het leven haar voor vragen plaatste waar zij het antwoord nog niet op had gevonden.

Ten slotte kwam het kind de vrachtwagen uit, plof, op het grind: bruine benen, witte sokken boven stevige schoenen met rode veters. Daar stond hij, ogen strak op mij gericht. Nu pas zag ik dat hij geen meisje was maar een jongen. Zijn lange krulhaar had me in verwarring gebracht, maar aan zijn kleine gestalte in korte broek en beige T-shirt zag ik nu dat hij een soort mini-uitvoering van zijn vader was. Op zijn rug hing een verschoten rugzak. Een van de draagriemen bungelde los over zijn schouder maar dat leek hem niet te storen. In zijn handen een blauwe houten doos, een sleets ding met krassen op de zijkant. Dat trof me. Ik nam aan dat zijn meest persoonlijke bezittingen daar in zaten.

Mijn eigen bezittingen bestonden uit mijn kleurpotloden, mijn stabilo-pen en een verzameling kiezelstenen, afgezien natuurlijk van de boeken in mijn kast. Je bent wat je hebt, ook al is het bijna niks.

Een tijdje stond de jongen boven zijn kist voor zich uit te koekeloeren. Eigenlijk zag hij eruit alsof hij geen benul had van waar hij terecht was gekomen. Zijn ogen bleven gericht op een punt ter hoogte van mijn linkerschouder. Afwezig, dacht ik, tot ik besefte dat hij keek naar de roodgroene salamander op mijn Chinese kimono. Ik had er drie. Vroeger waren ze van mijn oma geweest. Als ik ze oprolde boven de ceintuur, pasten ze precies.

Ik zond een kleine geruststellende glimlach uit, maar kreeg een blik retour die zo leeg was als een omgekeerde verrekijker.


Download het fragment als PDF

'Bijzonderder is Havemans gevoelige, bijna tere verteltrant, de beweging die de kinderlijke vertelster maakt: van aanvaarding naar verwondering en verzet. Bijzonder is ook hoe die voorzichtige stapjes contrasteren met haar volwassen omgeving, die op hol slaat en haar idealen verliest.' - Trouw

'Wat een sfeer, wat een ontroerende personages, wat een fascinerend gegeven!' - Algemeen Dagblad

'IJzersterke thriller.' - Margriet

'Het levert een boeiend verhaal op met een mooi, open einde.' - Noordhollands Dagblad

'Fascinerend' - Leeuwarder Courant

'Zinnen om van te houden' - Nederlands Dagblad

'Prachtige vertolking van de verwording van een ideaal' - Wim Brands, VPRO Boeken

'Beklemmend geschreven, vanuit de gedachtewereld van Lola. De onderlinge verhoudingen worden haarscherp geanalyseerd en het verhaal ‘ademt’ de dreiging van de steeds vreemder wordende situaties in huis.' - NBD|Biblion

Recensie op Trouw.nl

In romans van nu wordt graag teruggeblikt op de ideologische betweterij van de jaren zeventig. Mariëtte Haveman doet dat op een lichte, gevoelige manier.

Bron: Trouw.nl

Bespreking op Recensieweb.nl

In De vrouwenvanger, de tweede roman van kunsthistorica Mariëtte Haveman (1957), komen de schaduwkanten van eco-dorpen uit de jaren zeventig aan bod. Deze bestonden uit mensen die de kapitalistische en materialistische burgermaatschappij verlieten en een tegencultuur stichtten om zo het ‘goede’ voorbeeld te geven.

Bron: Recensieweb.nl

Interview bij VPRO's Boeken

Uit verzet tegen het burgerlijke moraal nam in de jaren zeventig het aantal woongroepen en leefgemeenschappen toe. Het invoeren en naleven van eigen leefregels was hierbij de sleutel naar het geluk.

Bron: Boeken.VPRO.nl

Vermelding op Margriet.nl

De vrouwenvanger is een ijzersterke thriller van Mariëtte Haveman.

Bron: Margriet.nl

geselecteerd voor de longlist van de Libris Literatuurprijs 2010