BOEKEN

BOEK

De vijgenboom

De vijgenboom

Ramiro Pinilla

Ramiro Pinilla, the grand old man van de Spaanse literatuur, heeft met dit buitengewoon spannende epos zijn meesterwerk geschreven.

In 1937 zijn vijf falangisten elke nacht in Baskenland onderweg om ‘roden’ te arresteren en ergens buiten op het platteland te executeren. In het dorp Getxo pakken ze de onderwijzer en zijn oudste zoon op. De falangist Rogelio Céron heeft de handen van de jongen nog maar net op de rug gebonden als hij plotseling diens kleine broertje ontwaart. Het joch kijkt hem strak aan, zijn blik is ondoorgrondelijk en is alleen gericht op hem, Rogelio. Die blik achtervolgt hem de volgende dag als ze de plaatselijke rechter ombrengen, en nog weken en maanden na de liquidatie.

Rogelio ontdekt dat iemand een graf voor de onderwijzer en diens zoon gedolven heeft en er een tak op heeft geplant; een gebroken tak ligt ernaast. Als hij de nacht daarna terugkeert, ziet hij dat ook de tweede tak is uitgerukt en er een nieuwe voor in de plaats is gestoken. Die nacht is het jongetje er ook. Zwijgend zet hij een volle gieter voor de voeten van de falangist. De tak blijkt de stek van een vijgenboom.

Na de oorlog raakt het graf in vergetelheid, het vijgenboompje verandert in een imposante boom, Rogelio’s boom, want iedere dag zit Rogelio er op een krukje in de schaduw. Als de gemeente besluit op de wei met de vijgenboom een school te bouwen, neemt het verhaal een onverwachte wending.

Tegen de achtergrond van de Spaanse burgeroorlog en de dictatuur vertelt De vijgenboom een universeel verhaal over schuld en boete, over angst en wroeging. En over de manier waarop mensen omgaan met de trauma’s van een oorlog.
Ramiro Pinilla, the grand old man van de Spaanse literatuur, heeft met dit buitengewoon spannende epos zijn meesterwerk geschreven.

   

De beslissing van de gemeente om het piepkleine lapje grond te onteigenen bracht het mannetje van de hut weer in beeld. Niet dat we hem vergeten waren, dat was onmogelijk, want hij zat vlak voor onze neus, op de velden van Fadura. Maar dat we hem niet vergaten, kwam vooral door de vreemde toestanden die hem van meet af aan omgaven, al sinds de oorlog, die toen alweer zo’n dertig jaar voorbij was.

Iedereen herinnerde zich hoe hij in juni ’37 zogezegd zijn entree maakte. Ineens was hij er, zonder aanwijsbare of logische reden. Want wie gaat er nu zomaar ergens in een veld op een steen of op de koude grond naar het onkruid zitten staren? Later kwam de stoel erbij. Als het regende of het koud was, zat hij onder een paraplu of droeg hij een jas en een rode baret. Nog later had hij een armoedig planken hutje met een golfplaten dak.

Pas als het donker was, trok hij zich terug – waar weten we niet – om de volgende dag weer te komen; althans, zo ging het de eerste dagen, want al snel nam hij er definitief zijn intrek. In droge tijden gaf hij ’s nachts iets water; wat wisten we niet, en er was ook niemand die op het idee kwam om in de uren dat hij weg was met een zaklamp te gaan kijken: zoiets banaals als het bevredigen van je nieuwsgierigheid was er in die jaren niet bij. Zijn obsessie met die plek duidde op een verwarde geest, wat kon ons het verder schelen of de man een distel of een margrietje water gaf? Toen maanden later het begin van een vijgenboom zichtbaar werd, wisten we wat hij zo teder had verzorgd. ‘Anders verveelt hij zich,’ zeiden sommigen. ‘Maar waarom is hij daar dan gaan zitten?’

Ik noem hem mannetje omdat ik nu weet welk onfortuinlijk lot hem beschoren was en ondanks het huiveringwekkende blauwe hemd, de zwarte broek en draagriem waarin hij in het begin was uitgedost; het tenue van de Falange. Het was er een, een falangist.

Het waren moeilijke tijden. Hoewel de Basken al door Franco waren ‘bevrijd’ en de oorlog voor ons eerder dan voor de rest van Spanje voorbij was, bracht die vroegtijdige naoorlogse periode zo mogelijk nog meer ellende. Het gros van het Baskische leger, bestaande uit zestig nationalistische bataljons, had zich bij Santoña overgegeven, hetgeen onze kleine Asier Altube bestempelde als verraad aan de Republiek en Manuel Goenaga, de onderwijzer van Algorta, als een soort etnische bescherming.

Onze mannen waren we kwijt, ze waren gesneuveld of gevangengenomen en ter dood veroordeeld of tot dertig jaar door militaire rechtbanken die in zeven minuten vonnis wezen. Om nog maar te zwijgen van de moorden die buiten die rechtsorde werden gepleegd door bendes in uniform, de ‘wandelingen’ waarvan je niet meer terugkeerde. Vroeg grijs geworden gevangenen, verlamd van angst bij het nachtelijke klonk-klonk van de stappen van de cipier, nog net in staat zwakjes te reageren als hun naam werd gebruld in de deur van een afgeladen cel.

'Voor mij is Ramiro Pinilla, die al in 1923 in Bilbao is geboren en tot de grote Baskische schrijvers behoort, een ontdekking. Ik hoop dat dit boek de aanleiding zal vormen voor de vertaling van zijn gehele oeuvre.' - Noordhollands Dagblad

Boekentip bij AVRO Opium

Een schitterende roman van de mij onbekende Baskische schrijver Pinilla (geboren in 1923!). 'De Vijgenboom' speelt in het Spanje van de Burgeroorlog en lang daarna.

Bron: Cultuurgids.Avro.nl

Recensie op 8weekly.nl

Vooralsnog zwijgt Spanje liever over de burgeroorlog (1936-1939) en het dictatoriale Franco-tijdperk. Maar het is wel een vaak gebruikt onderwerp in de Spaanse literatuur, zoals ook De Vijgenboom van de Baskische schrijver Ramiro Pinilla laat zien.

Bron: 8weekly.nl