BOEKEN

BOEK

De tweede familie

De tweede familie

Zeruya Shalev

De mislukking van een huwelijk is vaak een sluipende aangelegenheid. In de nieuwe roman van Zeruya Shalev besluit een vrouw een abrupt einde te maken aan dat pijnlijke proces, dat wel wat van een langzame vergiftiging heeft.

De mislukking van een huwelijk is vaak een sluipende aangelegenheid. In de nieuwe roman van Zeruya Shalev besluit een vrouw een abrupt einde te maken aan dat pijnlijke proces, dat wel wat van een langzame vergiftiging heeft. Van de ene dag op de andere verzoekt ze haar man hun woning te verlaten – voorgoed. Zij blijft achter met hun gemeenschappelijk kind en vervalt in getwijfel en getob. Plotseling ziet ze zich geconfronteerd met de angst voor grote eenzaamheid, met neerslachtigheid en met het vreselijke gevoel dat ze haar kind vaderloos heeft gemaakt.

Verwarrend is ook het langzaam doorbrekend besef dat je een persoon met wie je door een kind verbonden bent, nooit helemaal verlaten kunt. Een nieuwe liefde zorgt dan weer voor nieuwe kinderen uit een ander gescheiden huwelijk – en zo maakt de moedige en toch ook onzekere vrouw opeens weer deel uit van een volgend gezin, een hoogst gecompliceerde constructie met veel nieuwe verwachtingen. Het vergt heel wat acrobatische toeren om dat fragiele bouwsel in tact te houden.

   

Ik ben dood, schreeuwt hij opgewonden, als zijn tengere lichaampje voor me langs dartelt, ik ben helemaal dood, voor altijd dood, zijn mond staat wijdopen, je kunt zijn wankele melktandjes zien, die op het punt staan uit te vallen, ik ben alleen maar een droom, juicht hij, jouw droom, je zult nog eens uitvinden dat je helemaal geen kind hebt. Even is hij stil, zijn dansende oogjes kijken me onderzoekend aan, mijn schrik maakt hem vrolijk, zijn nieuwe boosaardigheid is vanmorgen, zes jaar nadat hij geboren is, nog sterker, en omhult hem al zoals de capes die hij vroeger zo graag droeg. Er ligt een kring van teddyberen om hem heen, ze hebben een dode vacht, en een blik van eeuwige verwachting in hun oogjes, en terwijl hij als een zeepbel ronddanst, wiebelt op zijn borst een uit papier geknipt hart waarop in grote drukletters zijn naam staat, opdat de nieuwe juf zal weten hoe hij heet, en de kinderen, en ook de nog kale muren om hem heen, die over een paar dagen bedekt zullen zijn met tekeningen van dieren en planten, fantasieën vol helden in kleuren van aarde, bloed en roet, zoals de wanden in de grotten van de oermens voordat het schrift werd uitgevonden.

Ik pers mijn lippen op elkaar, ze hebben de smaak van verschroeid rubber, het lijkt wel of in het hele huis een geur van een smeulend vuur hangt, alsof er ergens in een hoek een brandende band is verstopt, die rookslierten onze kant op stuurt. Mijn blik blijft hangen bij de boekenplanken, gisteren waren ze nog helemaal vol, nu gapen er gaten in, die als de holle ogen van een skelet naar me kijken, hoe weinig laten we achter, alleen wit stof is er over van de boeken die jarenlang zwijgend naar ons hebben gekeken.

Hij denkt dat hij voor altijd mijn aandacht heeft verloren en valt voor me neer, maar meteen probeert hij het weer, nu met een nog indringender boodschap, jij bent ook dood, schreeuwt hij, helemaal dood, voor altijd dood, je droomt alleen maar dat je leeft, straks zul je zien dat alles een droom is.

Zijn handjes, altijd vuil en met kortgeknipte nageltjes, zwaaien in het rond, ze zoeken hun weg naar mij, en nu knielt hij voor me neer op het kleed, alsof hij verslagen is, zijn hoofd ligt al op mijn knieën, maar hij staat meteen weer op, pakt een van zijn teddyberen en gooit hem met al zijn kracht naar me toe. Ik grijp het zachte goudkleurige beertje, druk het tegen me aan en wieg het in mijn armen om zijn jaloezie op te wekken, al was het maar om zo de troost van zijn onschuld aan mij en aan hem terug te geven.

Geef hier, hij is van mij, zegt hij dwingend, pappa heeft hem voor me meegenomen uit Schotlag, maar ik verberg het beertje achter mijn rug, Schotland, zeg ik, met schorre stem alsof ik jaren niet gesproken heb, zeg eens Schotland, en als hij naar me toe komt, alsof hij zoals vroeger geknuffeld wil worden, ga ik er meteen op in, ik spreid mijn armen al naar hem uit, maar hij springt op me af, grijpt met een triomfkreet het afgepakte beertje, en juicht met een slinks vonkje in zijn ogen, heb ik jou even voor de gek gehouden. En nu loopt hij rondjes om de tafel van de woonkamer, zoals tijdens het feest van Simchat Tora, alsof hij met een antieke wetsrollen in zijn armen danst, beertje Schotlag, zingt hij, alleen in een droom ben je van mij.

Verbaasd kijk ik hem aan alsof ik hem voor het eerst zie, zijn kordate zelfverzekerde gedaante brengt me vanmorgen meer dan ooit in verwarring, dit is een echt kind, blijkt, geen fantasieschepsel, geen figuur uit een oud kinderboek, niet een zoete geliefde vrucht waarin je af en toe hapt, niet een ingewikkeld stuk speelgoed, hij is een kind dat met gebalde vuisten door de schors van de werkelijkheid heen is gebroken. Ik probeer me alle informatie te herinneren die ik de afgelopen zes jaar vergaard heb, alle belangrijke details naast elkaar, maar vooral ook te letten op de minst belangrijke, want net als in een ingewikkeld verhoor kunnen die je juist naar een oplossing brengen: hij wil niet dat zijn haar geknipt wordt, en als hij slaapt liggen er zoveel krullen op zijn gezicht dat zijn mond vol haar raakt, hij vindt het leuk lopend te eten, hij gooit zijn armpjes erbij omhoog, en hij speelt als een roofdier met zijn eten. Als het donker wordt, staan er rimpels op zijn voorhoofd, zijn rug kromt zich van bezorgdheid, alsof hij zich afvraagt hoe hij de komende nacht met al zijn gevaren door zal komen, maar 's ochtends is hij zo vrolijk, dat het lijkt of hij een belangrijke overwinning heeft behaald. Hij is gek op zijn tientallen teddyberen, hij doet ze kleertjes aan uit zijn babytijd, hij verdeelt hen in families en geeft iedere familie een eigen steeds ingewikkelder wordende geschiedenis. In de fotoalbums zoekt hij alleen zichzelf, een foto waarop hij niet voorkomt brengt tranen in zijn ogen, feestjes waar hij niet bij was maken hem boos, alles wat er voor zijn geboorte gebeurd is maakt hem opstandig, over alle taarten die ik gebakken heb en waarvan hij niet heeft kunnen proeven, over alle dagen van sneeuw die we hebben gehad en waarvan hij niet heeft kunnen genieten, over alle tochtjes die we gemaakt hebben voor hij geboren werd, vooral als we zonder hem in een vliegtuig hebben gezeten, vraagt hij bedrukt, waar was ik toen, in je buik, alsof zijn verblijf in mijn buik hem in staat had gesteld deel te hebben aan het genot. Als ik moet bekennen, nee, je was nog niet in mijn buik, wentelt hij zich in zijn verdriet en huilt verslagen door de mogelijkheid van zijn niet-bestaan, waar was ik dan? En dan stel ik hem snel gerust, je was in mijn hart, vanaf de dag dat ik geboren werd, was je in mijn hart. Hij is een nauwgezette en fanatieke historicus van zijn korte leventje, hij heiligt zijn herinneringen, ieder feestje waar hij bij was krijgt een enorme betekenis, keer op keer vraagt hij naar de details, hoe laat ben ik geboren, wie heeft mij het eerst gezien, kijk hier ben ik, zegt hij blij als zijn gezichtje voor het eerst in het album opduikt, wie heeft me gefotografeerd, wie heeft dat mutsje voor me gekocht? En toch schaamt hij zich voor zijn ondervragingen, ik weet alles nog, ik vraag het zomaar, deelt hij me mee, ik weet ook wat er gebeurd is voor ik geboren werd, want in jouw hart was een raampje, daar heb ik door naar buiten gekeken en ik heb alles gezien, alles, zegt hij nadrukkelijk, bijna dreigend, alsof hij vanuit zijn geheime plekje ook heeft gekeken naar dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.

Bespreking op Iedereenleest.be

Typisch een boek vanuit een vrouwelijk standpunt geschreven. Pijn en schuld en twijfel bij het beëindigen van een relatie en opnieuw verliefd worden. Tedere moedergevoelens ook.

Bron: IedereenLeest.be