BOEKEN

BOEK

De hond en de Duitse ziel

De hond en de Duitse ziel

Christoph Buchwald

Harry Mulisch

Geen enkele Nederlandse schrijver heeft zich in zijn werk zo uitvoerig met de Duitse cultuur en vooral de Duitse geschiedenis beziggehouden als Harry Mulisch, bijvoorbeeld in zijn romans Het stenen bruidsbed, De aanslag en Siegfried. Dat lijkt op het eerste gezicht niet verwonderlijk: hij had een Oostenrijkse vader en een joodse moeder uit Frankfurt.

Maar dat Mulisch geboeid was door de Duitse cultuur, heeft bij nader inzien complexere gronden. Christoph Buchwald, die het werk van Mulisch met veel succes in het Duits uitgaf, heeft uitvoerig met de schrijver gesproken over diens obsessie voor het Derde Rijk, zijn werkwijze en esthetiek, zijn natuurwetenschappelijke nieuwsgierigheid, zijn belangstelling voor metafysica en kabbala, en telkens weer de Duitse cultuur, die verstand en psyche van de Haarlemse schrijver met Duitstalige ouders gevormd heeft. Zo is een kleine intellectuele autobiografie ontstaan die de samenhang van leven en denken zichtbaar maakt.

'Ik ben niet nadrukkelijk "Duits" opgevoed, maar ook niet joods, protestants, katholiek of zelfs maar atheïstisch. Ik heb de bijbel en de kabbala gelezen zoals andere boeken, ze boeiden me. Ik was vrij van de calvinistische ge- en verboden waarmee mijn klasgenoten worstelden en ik hoefde me later nergens van los te maken. Daar ben ik mijn ouders tot op de dag van vandaag dankbaar voor.'

   

Toen ik in 1997 op de tentoonstelling Zielespiegel ronddwaalde, die door Harry Mulisch in twaalf zalen van het Stedelijk Museum was ingericht, constateerde ik al snel dat ik door een spiegelkabinet liep waarin de intellectuele topografie van de auteur werd opgemeten en geïllustreerd met behulp van de geëxposeerde schilderijen, beeldhouwwerken, objecten en tekeningen. Typisch Nederlandse stukken waren in de minderheid; in plaats daarvan was in de museumvertrekken de Griekse Oudheid even duidelijk aanwezig als de Duitse klassieke periode. Bovendien waren er de schilderijen van Caspar David Friedrich met hun zeer Duitse, romantisch metafysische natuurervaring, de doeken van de hedendaagse schilders Markus Lüpertz en Anselm Kiefer met hun echo van Duitse mythen, en ertussendoor wegwijzers uit de Latijnse wereld, Carlo Maria Mariani, Giovanni Battista Piranesi, Pablo Picasso en Giorgio de Chirico; verwijzingen naar kabbala, alchemie, het schrift, de wetenschappen. Ze spiegelden vuurbakens en obsessies, culturele parameters en tradities in het werk van Mulisch.

Als in zo'n zielespiegel, dacht ik, inderdaad eigenschappen en affiniteiten programmatisch zichtbaar worden, dan vertoonde de ziel die zich daar liet zien, vooral verwantschap met de Duitse cultuurgeschiedenis, of ze was er op z'n minst mee vertrouwd. En als in het elfde vertrek, dat gewijd was aan het schrift en aan tekencollages, de verzameling omgeven zou zijn geweest door de bibliotheek van Mulisch, dan was de affiniteit van de in Haarlem geboren en opgegroeide zoon van Duits sprekende ouders met de Duitse cultuur nog zichbaarder geworden. Ze bestaat voor een aanzienlijk deel uit duidelijk gelezen en soms stukgelezen verzamelde werken van Duitse klassieke schrijvers als Goethe, Schiller, Kleist en Lessing, van filosofen, van Schopenhauer en Hegel tot Nietzsche en Heidegger, en voor een ander deel bevat die bibliotheek uitgaven van de grote Duitse schrijvers uit de twintigste eeuw, van Kafka tot Döblin en van Thomas Mann tot Günter Grass.
Wat brengt een nauwelijks twintigjarig intellectueel knaapje van twee turven hoog, zonder vast inkomen, ertoe om zich het verzameld werk van Mann aan te schaffen en zich in één keer heen te werken door Doktor Faustus, Joseph und seine Brüder en Die Buddenbrooks in de oorspronkelijke taal, in plaats van de nachten door te brengen, zoals zijn leeftijdgenoten, met 'negermuziek' van Duke Ellington en Charlie Parker.

Dat was nu net wat ik van Harry Mulisch wilde weten.

Ik ken de schrijver inmiddels al twintig jaar, en van die twintig ben ik er tien de redacteur van de Duitse vertalingen van zijn werk geweest, van De aanslag tot De ontdekking van de hemel, en omdat er in het begin van de jaren tachtig in Duitsland bijna alleen vertalers waren die het Nederlands enigszins machtig waren en het Duits maar half, kregen auteur en redacteur veel met elkaar te maken. Vanuit die samenwerking stelde ik Mulisch voor om een aantal gesprekken te voeren die zijn denken en de esthetische premissen van zijn schrijven in kaart zouden proberen te brengen. Mulisch ging akkoord, en medio juni 2001 zagen we elkaar voor het eerste gesprek in zijn huis aan de Leidsekade in Amsterdam.

'In de gesprekken die Christoph Buchwald, jarenlang Mulisch' Duitse redacteur en nu directeur van De Balie, met hem voerde, is zijn 'Duitse' kant het onderwerp. Het boekje waarin Buchwald de gesprekken stileerde tot een doorlopend verhaal in de ik-vorm, heet De hond en de Duitse ziel.' - de Volkskrant