BOEKEN

BOEK

De dag dat ze Jakob kwamen halen

De dag dat ze Jakob kwamen halen

Norbert Gstrein

Tot de dag dat een vrouw wordt vermist, en de dorpsagent Jakob komt halen.

Wintersportliefhebbers zijn verzot op de besneeuwde Oostenrijkse bergen, en de dorpsbewoners werken hard om het voor de toeristen zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Na jaren valt er eindelijk veel geld te verdienen met de kleine hotels en pensions. De dorpelingen hebben geen begrip voor iemand die daar niet aan mee wil doen.

Iemand als Jakob bijvoorbeeld. Voor het hectische werk in het hotelbedrijf van zijn familie is hij niet geschikt. Soms is hij dagenlang verdwenen, en als iemand naar hem vraagt, haalt zijn moeder haar schouders op, alsof ze bedoelt: Wat heb ik met hem te maken!

Tot de dag dat een vrouw wordt vermist, en de dorpsagent Jakob komt halen.

   

Nu komen ze Jakob halen. Plotseling is het geknetter gestopt dat het dorp al de hele ochtend teisterde en van de ene helling over de daken werd teruggekaatst naar de andere, en de jongelui, met z’n drieën zijn ze, staan te wachten aan de kant van de weg, met glimmende rode helmen in hun gehandschoende vuisten, ze hebben zonder haast hun motorfietsen aan de kant gezet, waar ze pas nog mee af en aan reden, in onvermoeibare cirkels door de kniehoge sneeuw die door de achterwielen metershoog werd opgestoven, en almaar weer dezelfde trap, vijf treden omhoog, en aan de overkant in één keer van het bordes weer omlaag, zodat de veren met een piepend geluid diep doorzakten.

Wanneer meteen daarna de bus vertrekt, schommelend in de onregelmatige geulen van bevroren sneeuw die elk jaar rond deze tijd in de schaduw van de huizen ontstaan, wanneer hij voor het Fendhotel nog even halt houdt en een groot pak inlaadt, op dat moment misschien, of is het toch pas wanneer hij de kerk al achter zich heeft gelaten en over de natte weg het dal uit glijdt, blauwglanzend in de zon, heeft de baas van het Fend op de wandklok gekeken: het was vijf over elf. Uit de winkel  Kruidenierswaren staat in afbladderende verf boven de ingang  zijn twee mannen in een olijfgroen skipak gekomen, met propvolle plastic tassen in hun handen, en op hetzelfde moment is ergens in de verte een hond beginnen te blaffen, eerst dreigend, en daarna onderdrukt, alsof hij geslagen werd.

Nu springt de wijzer van de schoolklok verder, blijft lichtjes trillend staan, precies elf uur, en de kinderen zetten hun stoelen in rijen, ze hebben in koor de meester goedendaggezegd, hun schooltassen gepakt en op hun rug gebonden, en ze duwen en stoten elkaar de klas uit naar buiten, waar het kluwen snel uiteenvalt in kleine groepjes, die sneeuwballen gooien en naar alle kanten wegrennen. Het dorp weet allang dat ze komen, en al wie tijd heeft staat bij het raam en kijkt vol spanning of er iets gebeurt tussen de huizen of verderaf op de weg, die glanzend zwart de talloze bochten van de besneeuwde hellingen volgt.

Bij de eerste slag van de pendule legt het oudje van de Rofenhoeve haar breiwerk neer en zet haar bril af, bij de vierde komt ze moeizaam, met stijve benen overeind, en als de klok voor de achtste keer slaat, is ze uit het warnet van draden losgekomen en heeft een blauwgroen gestreepte hoofddoek omgedaan, nu loopt ze schuifelend door de snikhete kamer, en als de voordeur zwaar achter haar in het slot valt is de laatste slag al weggeëbd. En ze kan alleen nog maar vermoeid de auto nakijken die net langs het Kleonhotel rijdt, en er en vloek achteraan sturen, of een gebed.

Nu komen ze, zegt moeder, die sinds het ontbijt onrustig door de keuken heeft gedrenteld, in steeds dezelfde cirkels rond het koude fornuis met de grote – nog steeds lege – pannen erop, en af en toe naar een van de ramen, waar ze eventjes bleef staan, ook al was het nog veel te vroeg. Ze leunt tegen het aanrecht, in haar blauwe werkschort, met haar gezwachtelde benen in haar enkellaarsjes, en terwijl ze de zin uitspreekt, heel rustig ineens, verdwijnt van haar gezicht de spanning die haar mondhoeken deed trillen alsof ze zo zou gaan huilen, en de vermoeidheid is haar duidelijk aan te zien, de slapeloze nacht en de vele glazen rode wijn die ze Novak één voor één liet opwarmen en vermengen met water en suiker. Ze komen eraan, en nu staan we op van tafel – het ontbijt is steeds nog niet afgeruimd –, en gaan bij moeder staan, die met gestrekte arm zwijgend naar buiten wijst.

bekroond met de Uwe Johnson Prijs