BOEKEN

BOEK

De oorlog van mijn moeder

De oorlog van mijn moeder

Yaël Vinckx

Geëvacueerd uit Vlissingen, verjaagd door de nazi’s, in een schuilkelder tijdens de Slag om Arnhem en naar Nederlands-Indië in de Bersiap-tijd – de kinderjaren van Inge waren vol gevaar, actie en spanning. Yaël Vinckx vertelt het verhaal van haar moeder, het verhaal van een familie op de vlucht.

De moeder van Yaël Vinckx moest in de eerste veertien jaar van haar leven vier keer vluchten, telkens weer voor nieuw gevaar. Nu spreekt ze voor het eerst met haar dochter over het verleden. ‘Het is een wonder dat we nog leven.’

De jonge Inge moest met haar Indische moeder in 1940 Vlissingen verlaten, toen de stad geëvacueerd werd na de inval van de Duitsers. Ze kwamen terecht in Scheveningen, waar de nazi’s hun nieuwe huis al snel tot Sperrgebiet verklaarden en het ontheemde gezin opnieuw op straat stond – zonder Inges vader, een bekend marineofficier, die als krijgsgevangene naar Oekraïne was afgevoerd. In onwetendheid over zijn lot, overleefden moeder en dochter in een Arnhemse schuilkelder ternauwernood een regen van raketten tijdens de Slag om Arnhem.

Na de oorlog stond haar vader plots op de stoep, maar rust werd het gezin niet gegund. Hij kreeg het commando over een marineschip waarmee hij de binnenwateren van Nederlands-Indië moest ‘zuiveren’ van opstandelingen. Voor Inge was Indië een groot en angstig avontuur, voor haar moeder was het een verschrikkelijke desillusie; Indië leek in niets meer op haar geboorteland.

In 2013 reist Yaël Vinckx met haar moeder Inge naar de plekken van toen. Naar het gebombardeerde koetshuis in Arnhem, de Vlissingse boulevard en naar Scheveningen. Ten slotte reist Yaël Vinckx naar Indonesië, maar haar moeder weigert mee te gaan. ‘Ik heb daar niets te zoeken,’ fulmineert ze. Pas later leert de auteur waarom haar moeder nog steeds zo reageert – en waarom haar ogen nog fel oplichten wanneer ze het woord ‘vrijheid’ hoort.

Ook leverbaar als eboek

   

Proloog

Mijn grootvader is een held. Niet omdat hij in de Tweede Wereldoorlog andere krijgsgevangenen hielp ontsnappen uit krijgsgevangenkamp Stanislau; niet omdat hij tijdens de politionele acties op Indonesische opstandelingen joeg; niet omdat hij de Nederlandse autoriteiten tartte door hun bevelen te negeren toen zij de strijd in Indonesië staakten; niet omdat hij vervolgens weigerde hun doekje voor het bloeden aan te nemen.

Mijn grootvader is een held omdat hij goed kan vlooien.

Iedere zondag als wij bij hem en mijn grootmoeder op bezoek gaan, zit hij al aan tafel. Daarop ligt een kleedje met twee bekertjes en een handvol plastic muntjes. Onder luid gelach wippen opa en ik de muntjes in elkaars bekertje. Daarna gaan we kaarten, eenendertigen. Opa krijgt het snel warm; hij stroopt zijn das af, knoopt de bovenste knoopjes van zijn witte overhemd open, veegt met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd.

Heel soms is hij te laat of zijn wij te vroeg, dan staat hij zich nog te scheren bij de wasbak in zijn slaapkamer.

Hij draagt een witte singlet en zijn bretels hangen los om de heupen. Hoewel het elektrische scheerapparaat allang zijn intrede heeft gedaan, scheert opa zich met de kwast. Geconcentreerd laat hij die in een bakje met scheerschuim ronddraaien. Ik sta ernaast en kijk bewonderend omhoog, naar hoe hij de kwast over zijn kaak draait en hoe hij daarna het vlijmscherpe mes over zijn wangen haalt. Aan het eind krijg ik ook een lik schuim, op m’n neus. Soms knipt hij met een klein schaartje de haren uit zijn neus en oren.

Op een ochtend voelt hij zich niet lekker. Diezelfde middag krijgt hij een hartaanval, hij wordt met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Ruim vierentwintig uur later krijgt hij nog een hartaanval. Dan is hij dood. Drie dagen eerder heeft hij nog met mij zitten vlooien. Daarna hebben we Laurel & Hardy gekeken.

Met de zakdoek die hij normaliter gebruikt om het zweet van zijn voorhoofd te wissen, heeft hij de tranen van zijn wangen geveegd. Tranen van het lachen. Met mijn grootvader was niks mis. Of het moest zijn dat hij een beetje moe was.

Dinsdagavond is hij daarom vroeg gaan slapen, zegt oma, die verslagen aan de keukentafel zit, sigaret in de hand.

Ik zie opa voor het laatst in het ziekenhuis. Hij ligt op zijn rug, op een wit laken, in een gesteven overhemd en een kraakhelder donker pak. Maar opa is opa niet meer. Hij heeft een vaalwitte kleur, zijn wangen zijn ingevallen. Iemand heeft de hoornen bril van zijn neus en de zakdoek uit zijn borstzak gehaald. Die zakdoek, dat lapje dat diende voor alles, voor zweet, tranen, een snotneus of een bloedende kinderknie – wat had ik die graag gehad, als aandenken aan mijn opa.

Maar ik ben twaalf, opa is de eerste dode die ik zie, en de laatste overigens, want na opa gaan vrienden nog wel dood – ze verdrinken, stikken in een brandend huis of krijgen kanker – maar ik zal altijd met stijf dichtgeknepen ogen langs hun opgebaarde lichamen strompelen. In die ziekenhuiskamer kan ik maar één ding denken: weg! Ik voel een brok in mijn keel, een steen in mijn maag, een knoop in mijn buik en trillingen in mijn knieën en dat alles terwijl ik met afgrijzen staar naar een man van wie ze zeggen dat hij mijn opa is, maar in wie ik niemand herken. Ik wil de kamer uit, de gang door, de roltrap af, de schuifdeuren door, naar buiten. Maar ik ben twaalf en ik blijf staan, mijn hand in de hand van mijn moeder.

Lang blijft mijn opa een held. Omdat hij goed kan vlooien, natuurlijk. Maar langzamerhand verandert mijn bewondering in nieuwsgierigheid. Wie was hij?

Wat deed hij in de oorlog? Wat voerde hij uit in Nederlands-Indië? Was hij goed of fout? Aan het eind van de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, bij mij thuis steevast de ‘politionele acties’ genoemd, wekte hij de toorn van hogere marineofficieren. Maar de marinemensen die ik ontmoet, zijn vol lof over hem. Je kunt trots op hem zijn, zeggen ze, hij was een man van stavast, een echte held.

Maar hoe kan ik trots zijn als ik zo weinig weet?

Ik besluit zijn verhaal uit te zoeken. De overlevenden, mijn moeder Inge en haar broer Carl jr., zijn op het moment dat ik begin te schrijven zesenzeventig en achtenzeventig jaar oud. En gaandeweg verandert het verhaal; tijdens de tochten van mijn moeder en mij door Nederland, tijdens mijn reis naar Indonesië. Ze weigert mee te gaan naar Indië: ‘Ik heb daar niets te zoeken,’ fulmineert ze. Maar als ik haar bel terwijl ik voor haar oude huis in Soerabaja sta, stokken onze stemmen door de ingehouden tranen.

In die maanden wordt het verhaal van mijn grootvader ook, en misschien wel vooral, het verhaal van mijn moeder, van Inge. In die maanden leer ik waarom ze op oudejaarsavond de gordijnen gesloten houdt. Waarom ze in haar opruimwoede mijn barbiepoppen in de vuilnisbak gooide. En waarom haar ogen vlammen als het woord ‘vrijheid’ valt.


Download het fragment als PDF

‘Een indrukwekkend verhaal. Yaël Vinckx’ inzet, als dochter, om te willen weten waarom haar moeder is zoals ze is, verdient bewondering.’ – Geert Mak

'Een vlot vertelde familieroman vol interessante feiten en anekdotes. Inge was vier toen de oorlog uitbrak en dertien toen het gezin terugkeerde uit het inmiddels onafhankelijke Indonesië.' - NRC Handelsblad

'Yaël Vinckx beschikt over een soepele pen en vertelt het verhaal van haar moeder op vlotte wijze.' - Noordhollands Dagblad

'Wie de familieroman De oorlog van mijn moeder leest, zal verbijsterd zijn over wat Yaëls moeder heeft meegemaakt. De jonge Inge werd met haar Indische moeder in 1940 uit Vlissingen geëvacueerd, beleefde vanuit de schuilkelder de Slag om Arnhem en daarna in Nederlands-Indië de Bersiap-tijd. Hoe meer Yaël te weten komt over dat verleden, hoe beter zij haar onvoorspelbare moeder begrijpt.' - Margriet

'Een in de geschiedenis gedrenkt verhaal, in mooie taal gedropte herinneringen, een eerbetoon aan de eigen voorzaten, een op non-fictie gebaseerd relaas. In de immer vliedende stroom van oorlogsboeken ligt sinds kort een steen: ‘De oorlog van mijn moeder’.' - Piet Kaptein

Blogrecensie van De oorlog van mijn moeder

Vinckx komt tijdens de missie naar het verleden van haar voorouders tot een vreemde conclusie: er is geen enkele oorlog geweest op Europees grondgebied die haar familie niet raakte: ‘op een of andere maner zijn wij altijd betrokken’. Het begon al in de Eerste Wereldoorlog met haar overgrootvader Anton, haar grootouders volgen met hun kinderen, Vinckx zelf komt in Joegoslavië terecht om een oorlog te verslaan. Het marine-gen stopte echter. Als jongste van de familie kreeg Yaël daarom vaak te horen dat ze maar ‘marva’ moest worden. In plaats daarvan schreef ze dit boek. Legde prachtig en met veel empathie al die oorlogen vast waaruit haar moeder is opgestaan en daarmee tevens zijzelf, als schrijfster. Warm aanbevolen.

Bron: Leeskost.nl

Het literaire paspoort van Yaël Vinckx

De oorlog van mijn moeder is een familiegeschiedenis. Mijn opa was een bekend marineofficier, hij zat krijgsgevangen in de Tweede Wereldoorlog. Mijn Indische oma zwierf met twee kinderen, onder wie mijn moeder, door Nederland. Ze had nog nooit een sneeuwvlok gezien, kon geen kachel aanmaken. Na de oorlog werd het gezin naar Nederlands-Indië teruggestuurd, de onafhankelijkheidsoorlog in. Een vreselijk avontuur.

Bron: LiteraireToerist.nl

Voorpublicatie op Athenaeum.nl

15 april verschijnt van Yaël Vinckx De oorlog van mijn moeder. Wij publiceren voor. 'Eigenlijk had ze het altijd koud. Vijf jaar geleden was ze vanuit het tropische Soerabaja naar het kille Vlissingen gekomen en ze kon maar niet wennen aan het klimaat. Ze klaagde over de regen die haar op de Zeeuwse dijk in het gezicht sloeg, over de wind die door de kieren van haar Haagse woning gierde. '

Bron: Athenaeum.nl