BOEKEN

BOEK

Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder

Waarom ik moet liegen tegen mijn demente moeder

Cyrille Offermans

Mijn moeder dacht dat het oorlog was, niet bij wijze van vergelijking maar in de bloedserieuze zin van het woord. Zij was gevangen genomen en werd nu door 'de vijand' bewaakt. Hoe wij zonder kleerscheuren door de vijandelijke linies waren gekomen en haar hadden gevonden, was haar een raadsel.

Van zeer nabij, met een precisie die liefde verraadt, beschrijft Cyrille Offermans de lotgevallen van zijn oude, dementerende moeder: hoe het begon, met vergeetachtigheid en wantrouwen, hoe moeilijk het is erop te reageren, hoe opname onvermijdelijk werd en hoe haar binnenwereld volledig desintegreerde.

De essayist, die zijn moeder jarenlang heeft helpen verzorgen, probeert haar schijnbaar betekenisloos geworden uitingen als zinvol en menselijk te duiden.

   

Op een koude namiddag in februari 2003 trof ik haar volkomen verdwaasd en bijna onherkenbaar aan. Ze zat aan de ronde tafel in de hoek van de kamer, alleen, met de rug naar de muur en het hoofd in de richting van de zijdeur. In de richting van, zeg ik, niet met de blik gericht op. Hoewel ik zoals gewoonlijk door die deur naar binnen kwam, zag ze mij niet. Ik had niet de indruk dat ze iets zag. Maar toen ik me met een groet over haar heen boog om haar op een wang te kussen, gaf ze zuchtend een blijk van herkenning.

Hoe ik haar hier had gevonden, vroeg ze smakkend met haar mummelmondje. Hoe ik hier binnen was gekomen. Gewoon, door de ingang, zei ik, zoals altijd.

De ingang… Ze sprak dat woord op een verbaasde toon uit, eerder afwerend dan vragend, alsof ze te kennen wilde geven dat ik echt niet moest proberen haar iets wijs te maken. Alsof niet alleen zíj, maar toch heus iedereen wel wist dat dit gebouw helemaal geen ingang had. Geen ingang en geen uitgang.

Zo had ik mijn moeder nog nooit gezien, ze zag eruit als een vogelverschrikker.

Ze had een bril op die niet van haar was, die zelfs niet op die van haar leek. Het brede, donkerbruine montuur zat te krap op haar gezicht, haar ogen bolden op in hun kassen, als de opengesperde kunstogen in een carnavalsbril. Haar wangen waren ingevallen, kennelijk had ze haar gebit niet in. Om haar mond, druipend tot op haar kin, zaten onbestemde etensresten. Toen ik een keukenkrukje had aangeschoven en naast haar was gaan zitten, zag ik dat ze in de buurt van haar middel onder de vlekken zat.

Voor haar op tafel stond een mok waarin nog een restje yoghurt zat met bruinige slierten en klonters aangestampte banaan.

Ze moest de mok hebben omgestoten. Op het met borduurmotieven versierde tafelkleedje zaten soortgelijke vlekken als op haar rok en bloes. Aan de randen daarvan was het vocht al ingedroogd, het moest al een tijdje geleden gebeurd zijn. Kennelijk was er niemand in de buurt geweest om de boel te verschonen en mond en kin van mijn moeder af te vegen. Toch moest er in het halfopen keukentje, op de afscheiding van de twee zogenaamde woonkamers, iemand zijn. Ik hoorde soppende geluiden en gerinkel van glaswerk. Te zien was er niemand. Of ik wist wat we met die vijf dingen aan moesten, vroeg mijn moeder.

Die vijf dingen? Welke vijf dingen?

'Dit is overigens niet het zoveelste feelgood of feelbad-essay voor lotgenoten, maar in de eerste plaats een kritische beschouwing over het geheimzinnige proces waarbij alle oude inzichten en verbanden langzaam eroderen.' - Vrij Nederland

'Offermans boekje is het mooiste uit de stapel, een klein juweeltje, tegelijk persoonlijk en het particuliere overstijgend. Gelegd naast de anderen is het, en dat is niet alleen als compliment bedoeld, ook een heel gepolijst boekje, niet alleen in de formulering maar ook in wat het beschrijft.' - NRC Handelsblad