BOEKEN

BOEK

Vriendendienst

Vriendendienst

Aleid Truijens

Als twee van de vrienden besluiten dat ze recht hebben op een zorgeloze levensavond op een kale berg, worden de scheuren in de vriendschap zichtbaar. Pijnlijke akkefietjes uit het verleden spelen op. Waarom haalde één van hen, Arend, bij lange na de vijftig niet?

Vijftig, zijn ze. Paula, Vincent, Marc, Reina, Thijs, Froukje en Joris. Ze vormden het hart van de slome, collectief stonede 4-gymnasiumklas van 1972. Zij zouden het leven heel anders aanpakken. Ze zouden nóóit het woord pensioen in de mond nemen, evenmin als de woorden koopsompolis, hypotheek en alimentatie. Ze wisten niet eens het verschil tussen credit en debet. Nog altijd zijn ze vrienden - uit gewoonte, gemakzucht en verknochtheid.

Na tien jaar studiefinanciering te hebben genoten, verlieten ze met of zonder diploma de universiteit. Banen waren er niet, maar dat gaf niks. Ze wilden de wereld mooier maken, maar wel na elf uur 's ochtends en met wat te drinken erbij. Nageslacht verwekten ze ook, hier en daar. Kinderen met co-ouders, stiefouders, verdwenen of onbekende vaders. Met die kinderen kunnen ze het uitstekend vinden. Dachten ze.

Als twee van de vrienden besluiten dat ze recht hebben op een zorgeloze levensavond op een kale berg, worden de scheuren in de vriendschap zichtbaar. Pijnlijke akkefietjes uit het verleden spelen op. Waarom haalde één van hen, Arend, bij lange na de vijftig niet?

   

‘Het is een oude varkensboerderij,’ zei Vincent. ‘Gebouwd in 1720. Maar die stank trekt nog wel weg. Zie je die schuur? Dat wordt het gastenverblijf. Voor jou jochie. Trois étoiles, met douche. Denk de weelderige tuin er maar omheen.’ Joris pakte zijn leesbril en bekeek de foto die zijn vriend hem onder de neus duwde.

Een boerenwoning met instortend dak, op een groot erf. Ooit moest het een imposante hoeve zijn geweest. De vierkante, uit brokken natuursteen opgetrokken bunker had kleine, loerende gaten zonder kozijnen. Van de schuur bestond alleen nog de onderste helft, die was volgegooid met oude autobanden, deuren en een gebarsten wastafel. Ernaast stond het verroeste karkas van wat ooit een eg was geweest, of een ploeg. Het wrakke stilleven werd omringd door gele, dorre heuvels. Joris probeerde drie eeuwen varkenspoep erbij te ruiken.

Nu moest hij iets aardigs zeggen. Een half jaartje verbouwen, schatte Vincent. ‘Tonnetje of twee, tweeëneenhalf erbij.’ Maar eerst moest Paula haar galerie van de hand doen, en de woning van haar vorig jaar overleden moeder. Vincent zou hun etage in de Govert Flinck goed proberen te verkopen. Geen probleem, want dat voormalige studentenhok, ooit gekocht voor een schijntje, nu voorzien van designkeuken, bijgetrokken zolderverdieping en dakterras, ging gebukt onder een ‘giga overwaarde’. Vincent dacht dat viervijfentwintig er wel in zat.

Sinds die zonloze straatjes achter de Albert Cuyp door de makelaars waren uitgeroepen tot het Quartier Latin van de stad, gingen de pijpenlades als warme broodjes van de hand. Vincent zakte behaaglijk onderuit en gaapte wijd. Zijn broek had hij losgeknoopt. Straks laat hij een scheet, dacht Joris. Na zoveel jaar vriendschap was ieder decorum weggesleten. Daar klonk zijn nasale geluid weer. Als de hele handel verkocht was, zei Vincent, zegde hij zijn baan op. Eindelijk.

Man! Ze keken hem onderhand weg bij Price Waterhouse; voor hem liever twee goedkope, gretige krachten. Eén jaarsalarisje handdruk zou hij er wel uit weten te slepen. ‘En dan, en dan… vertrekken Vince en Paulaatje, hop, naar Catalonië. Enkele reis, Joris. Misschien wel voor altijd.’ Paula, aan haar kant van de eindeloze bank, nestelde zich in de rode kussens, de blote voeten onder haar billen. ‘Niet misschien, Vince,’ zei ze glimlachend. ‘Geen slag om de arm. We gaan voor altijd.’ Joris keek verbluft van de een naar de ander. Een maand geleden, toen Vincent hem een paar schimmige prints van een makelaarssite had laten zien, ging het nog over een vakantiehuis in het zuiden. Van dagdroom naar voor altijd – het kon snel gaan.

‘Dus…jullie gaan emigreren?’ vroeg hij. Paula knikte, verkneukeld als een jarig kind. ‘Zo kun je het noemen ja,’ zei Vincent zonder Joris aan te kijken. ‘Wij gaan emigreren. Ik gebruik dat woord liever niet. Wat is altijd. We kunnen het zo weer verkopen, hoor.’ Paula vulde de glazen bij. ‘Ik neem een geit,’ zei ze, terwijl ze een hap nam van een geitenkaasje. Op het kaasje zat nu, net als op haar glas, een halve maan van rode lippenstift. ‘Misschien ga ik daar wel kaas maken,’ zei ze met volle pruilmond. ‘Of yoghurt. Wie weet heb ik zin om schilderweken te houden, in de zomer, voor overspannen types uit Amsterdam. Maar het hóeft niet, dat is het. Ik heb lang genoeg gewerkt.’

Ook Paula zeeg nu met een zucht breed terug in de kussens, haar armen uitgespreid. ‘Weet je Joris, níets hoeft straks meer! Stel het je eens voor. Geen gezeik meer van klanten. Geen jengelende kunstenaars. Nooit meer met kerst naar je schoonouders. Vince hoeft niet te wachten op die ellendige vut. Altijd mooi weer. We leven toch nú? Wij doen voortaan alleen nog maar waar we zin in hebben.’ Joris keek naar de koeien van Jan Cremer, de geëxalteerd springende kobolden van Jan Sierhuis en het in glas gevatte Tibetaanse kleed aan de wand.

Die hingen straks aan een eeuwenoude, ruwe muur. Geen gezeik meer van vrienden. Verlost van iedere plicht. Gepensioneerd dus. Als hij niet beter wist zou hij Paula, met haar sprieterige, bijna zwarte jongenskop, smal en lenig opgevouwen op de bank, zo’n 38 geven. Hij dacht aan Nemo. Die moest straks dus 1400 kilometers reizen voor de schaarse logeerpartijtjes bij zijn vader. ‘Wat heerlijk voor jullie,’ zei Joris.

'Dankzij de onweerstaanbaar sympathieke Joris, die het liefst gallig op de bank zit met slechte dvd's en een zak paaseitjes, is Vriendendienst een good read. Wat ook helpt is Truijens' vaardige schrijfstijl; ze maakt vaart, is gericht op de anekdote, dist kwieke oneliners op. En dat met humor.' - **** de Volkskrant

'Geen precies plaatje waarin we onszelf gretig danwel gekwetst kunnen aanwijzen maar een mooie evocatie van 's mensen midlife en overgang. Een boek waarop je als schrijver een beetje jaloers kunt zijn.' - Rob Schouten

'Vriendendienst eindigt zo met een harmonieus en hoopvol slotakkoord. Aleid Truijens heeft er een scherp maar liefdevol portret mee geleverd van haar eigen generatie.' - NRC Handelsblad

'Vriendendienst is meer dan een spottende terugblik op vervlogen idealen. Joris geeft zich rekenschap van het verstrijken van de tijd, de onomkeerbaarheid van dingen en het belang van liefde en vriendschap. Het roept de vraag op of idealen van de generatie van nu werkelijkheid zoveel beter of mooier zijn dan die van toen. Voor Joris is er nog tijd om het leven te omarmen. In Vriendendienst laat Truijens ook zien hoe de mens in de loop der tijd helemaal niet zo sterk verandert en vooral op zoek is naar liefde en iets dat blijft.' - Brabants Dagblad

'Maar toch zo'n kleine, mooie roman schrijven - dat mag gerust een wonder heten.' - HP/De Tijd

Boekverslag op Scholieren.com

Je kunt de roman natuurlijk ook een psychologische roman noemen over de teloorgang van een generatie vrienden die van jongs af aan met elkaar zijn omgegaan.

Bron: Scholieren.com

Discussietips op Vitaal.nl

Bron: Vitaal.nl

Bespreking op Recensieweb.nl

Dit clichébeeld over de verhouding tussen het heden en het recente verleden blijft voortbestaan, maar hoe komen we ervanaf? Door te ontkennen dat we in een materialistische tijd leven, of dat de jaren zeventig zo idealistisch waren? Aleid Truijens doet geen van beide en allebei tegelijk in haar boek Vriendendienst.

Bron: Recensieweb.nl