BOEKEN

BOEK

Mr. Foe en Mrs. Barton

Mr. Foe en Mrs. Barton

J.M. Coetzee

Wanneer Susan Barton door muiters overboord wordt gezet en in haar roeiboot aanspoelt op een eiland in de Atlantische Oceaan, ontmoet ze daar Robinson Cruso en Vrijdag. De twee mannen hebben op hun verder onbewoonde eiland een maatschappij gevestigd waar strikte regels gelden: Cruso is de baas en de neger Vrijdag, wiens tong is afgesneden zodat hij niet over de macht van het woord beschikt, is de slaaf. Op Susans vraag waarom hij in al die jaren geen boot heeft gebouwd om te ontsnappen antwoordt Cruso: 'Een geredde Cruso zou de wereld ernstig teleurstellen.'

Zij neemt het initiatief tot hun ontsnapping van het eiland. Het drietal wordt opgepikt door een passerende koopvaarder. Cruso sterft onderweg, en Susan komt met Vrijdag in Londen terecht, waar ze contact zoekt met de schrijver Daniel Foe. Foe blijkt echter niet zozeer geïnteresseerd in de geschiedenis van het eiland, als wel in het verhaal van Susan Barton zelf. Hij zal haar avontuur uiteindelijk in een boek verwerken.

Coetzee herneemt een heldenepos uit de wereldliteratuur, vertelt het vanuit het verrassende perspectief van een vrouw en laat zo een nieuw licht schijnen op het oude thema vrijheid en onderdrukking.

   

Ten slotte kon ik niet verder meer roeien. De blaren stonden in mijn handen, mijn rug was verbrand, mijn lichaam deed pijn. Met een zucht, haast zonder te plonzen, liet ik me overboord glijden. Met langzame slagen, terwijl mijn lange haar om me heen dreef, als een bloem van de zee, als een anemoon, als een kwal van het soort dat men in de wateren van Brazilië aantreft, zwom ik naar het vreemde eiland, enige tijd zwemmend zoals ik had geroeid, tegen de stroming in, en toen ineens uit de greep daarvan bevrijd, door de golven de baai in gevoerd en op het strand geworpen.

Daar lag ik languit op het hete zand, terwijl mijn hoofd was gevuld met de oranje gloed van de zon en mijn onderrok (het enige waarmee ik was ontsnapt) op me droog stoofde, vermoeid, dankbaar, zoals eenieder die gered is.

Een donkere schaduw viel over me heen, niet van een wolk maar van een man, omgeven door een verblindende halo. "Overboord gezet," zei ik met mijn dikke droge tong. "Ik ben overboord gezet. Ik ben helemaal alleen." En ik stak mijn zere handen uit.

De man hurkte naast me neer. Hij was zwart: een neger met een hoofd vol pluizige wol, naakt op een grove lange onderbroek na. Ik richtte me op en keek aandachtig naar het platte gezicht, de kleine doffe ogen, de brede neus, de dikke lippen, de huid die niet zwart was maar donkergrijs en droog alsof er een laagje stof op lag. "Agua," probeerde ik in het Portugees, en ik maakte een drinkgebaar. Hij gaf geen antwoord, maar bekeek me alsof ik een door de golven aangespoelde zeehond of dolfijn was, die spoedig de geest zou geven en vervolgens in stukken kon worden gesneden om op te eten. Naast zich had hij een speer. Ik ben op het verkeerde eiland terechtgekomen, dacht ik, en liet mijn hoofd zakken: ik ben op een eiland van kannibalen terechtgekomen.

Hij stak zijn hand uit en raakte met de rug ervan mijn arm aan. Hij probeert mijn vlees, dacht ik. Maar mijn ademhaling kwam langzamerhand tot rust en ik werd kalmer. Hij rook naar vis en naar schapenwol op een warme dag.

Daarna ging ik, omdat we zo niet eeuwig door konden gaan, rechtop zitten en begon opnieuw drinkgebaren te maken. Ik had de hele morgen geroeid, ik had sinds de vorige avond niets gedronken, het kon me niet meer schelen of hij me naderhand zou doden, zolang ik maar water kreeg.

De neger stond op en wenkte dat ik hem moest volgen. Hij leidde me, stijf en gepijnigd als ik was, over zandduinen en een pad dat omhoog voerde naar het heuvelachtige binnenland van het eiland. Maar nauwelijks waren we aan de klim begonnen of ik voelde een scherpe pijn en trok een lange doorn met een zwarte punt uit mijn hiel. Ondanks mijn wrijven zwol de hiel snel op totdat ik niet eens meer kon strompelen van de pijn. De neger bood me zijn rug aan, gebarend dat hij me zou dragen. Ik aarzelde om erop in te gaan, want hij was een tengere man, kleiner dan ik. Maar er zat niets anders op. Zo, gedeeltelijk hinkend op één been, gedeeltelijk meerijdend op zijn rug, terwijl ik mijn onderrok had opgenomen en met mijn kin langs zijn springerige haar streek, kwam ik de heuvel op, en mijn angst voor hem ebde weg in deze vreemde omgekeerde omhelzing. Hij lette niet op waar hij zijn voeten zette, merkte ik, maar vermorzelde met zijn voetzolen hele kluiten van de doorns die mijn vel hadden doorboord.

Bij lezers die zijn grootgebracht met reisverhalen, roepen de woorden onbewoond eiland wellicht een beeld op van een oord met zacht zand en lommerrijke bomen, waar beekjes stromen om de dorst van de schipbreukeling te lessen en het rijpe ooft hem in de handen valt, waar hij niets anders hoeft te doen dan doezelend zijn dagen te slijten totdat er zich een schip aandient dat hem weer thuisbrengt. Maar het eiland waarop ik was aangespoeld, was een heel ander oord: een reusachtige rotsige heuvel met een vlakke top, die zich aan alle kanten behalve één scherp vanuit de zee verhief, met her en der vale struiken die nooit in bloei stonden en nooit hun blad afwierpen. Voor de kust van het eiland groeiden velden van bruin zeewier die, na door de golven te zijn aangespoeld, een verpestende stank verspreidden en zwermen grote bleke vlooien in leven hielden.

Overal repten zich mieren, van hetzelfde soort als we in Bahia hadden, en in de duinen huisde nog een andere plaag: een miniem insect dat zich tussen je tenen verborg en zich in het vlees vrat. Zelfs Vrijdags harde huid was daar niet tegen bestand: hij had bloedende kloven in zijn voeten, al sloeg hij daar geen acht op. Ik zag geen slangen, maar op het heetst van de dag kwamen er hagedissen te voorschijn om zich te zonnen, sommige klein en behendig, andere groot en onbeholpen, met blauwe kragen om hun halskwab waarmee ze vlamden als ze geschrokken waren, en sisten en dreigden. Ik ving er een in een zak en probeerde hem te temmen door hem vliegen te voeren; maar hij weigerde dood vlees, dus liet ik hem ten slotte weer vrij. Ook waren er apen (waarop ik later nog zal terugkomen) en vogels, overal vogels: niet alleen zwermen mussen (zo noemde ik ze tenminste) die de hele dag kwetterend van struik naar struik schoten, maar op de rotsen boven de zee ook reusachtige scharen kobben en zeemeeuwen en jan-van-gents en aalscholvers, zodat het steen wit was van hun uitwerpselen. En in de zee dolfijnen en zeehonden en allerhande vissen. Dus als ik het gezelschap van bruten beu was geweest, had ik wellicht heel gelukkig kunnen leven op mijn eiland. Maar wie, die de rijkdom van de menselijke spraak gewoon is, kan zich tevreden stellen met gekras en getsjilp en gekrijs, en met het geblaf van zeehonden, en het gesteun van de wind?


Download het fragment als PDF

'J.M. Coetzee dringt diep in ons wezen door. Wat hij daar vindt is meer dan de meeste mensen ooit van zichzelf willen weten.' - Nadine Gordimer, Nobelprijswinnaar 1991

'De stijl en de sfeer blijven opmerkelijk compact. Eén verkeerd woord had deze krachttoer compleet kunnen ruïneren. Maar er staat in het hele boek niet één verkeerd woord.' - Daily Telegraph

Recensie op Groene.nl

Als we de vele romans moeten geloven die erover zijn geschreven, loopt de liefde tussen zwarte mannen en blanke vrouwen altijd fataal af. Wordt het 'andere land' van Baldwin dan nooit bereikt?

Bron: Groene.nl