BOEKEN

BOEK

Moederland

Moederland

David Albahari

‘Ergens in Moederland zeg ik dat als onze naasten er niet meer zijn, we pas beseffen hoe weinig we van hen weten. Als ik eraan denk hoeveel idiote dingen ik over diverse mensen weet, vooral over toneelspelers, popzangers en politici, en hoe weinig over de personen die werkelijk een deel van mij zijn geweest, ga ik me bijna schamen – terwijl ze voor mij veel en veel belangrijker zijn dan die bekende mensen. Over hen schrijven betekent voor mij die fout erkennen en ontzag betonen voor wat ze zijn geweest.’ – David Albahari

Door de virtuoze vervlechting van diverse herinneringen slaagt David Albahari erin een eigen stem te geven aan de persoonlijkheid van een buitengewone vrouw en aan zijn ontworteling. De dramatiek van het verhaal wordt telkens weer met ironie doorspekt, en dat verleent deze hechte roman een bewonderenswaardige lichtvoetigheid.

   

'Waar moet ik mee beginnen?' zegt moeder. Op hetzelfde ogenblik strek ik mijn hand uit en druk op de knop van de bandrecorder. Het is een oude bandrecorder. Dagenlang heb ik de winkels afgelopen en nagevraagd waar ik zo'n apparaat kon aanschaffen, het merk maakte niet uit. De verkopers waren vriendelijk, ze glimlachten, haalden hun schouders op, lieten me de nieuwste modellen cassetterecorders zien. Een van hen, in het winkelcentrum in het noordelijke deel van de stad, bekende me dat hij nog nooit een bandrecorder had gezien. Hij meende wel dat zijn vader, of eigenlijk zijn stiefvader, zo'n 'toestel' had gehad. Hij had er geen beter woord voor, zei hij, want in vergelijking met de tegenwoordige apparaten, zei hij en tikte op een rij nieuwe Japanse modellen, kon je ze ook niet anders noemen. Hij gaf me zijn visitekaartje. Voor alle zekerheid, zei hij, mocht ik me bedenken. Hij kon zich ook de spoelen met banden herinneren waar hij niet aan mocht komen, behalve aan de lege, van zwart of kleurloos plastic, die hij soms, dat was toegestaan, over de vloer liet rollen. Hij wist alleen zeker, zei hij, dat zijn stiefvader voortdurend naar opnamen van Buddy Holly luisterde. Ik stopte het visitekaartje in het borstzakje van mijn colbert. In datzelfde colbert had ik, toen ik me voorbereidde op mijn vertrek, mijn banden geschikt. Het colbert lag opgevouwen boven in de koffer en had ze niet tegen een flinke klap kunnen beschermen, ze werden trouwens beter beschermd door de kartonnen doosjes waarin ze waren verpakt, maar de mouwen van het colbert, die ik eroverheen kruiste, vastgezet met elastische banden, verzachtten de onzekerheid die ik voelde. Ik wilde niet afreizen, net zomin als ik wilde blijven, en de leegte van de mouwen, die de in een elektromagnetische registratie veranderde stem omhelsden, kon alleen maar bijdragen aan mijn twijfel, maar juist die twee leemten maakten dat ik het deksel liet zakken en de slotjes dichtdraaide. Ik vouwde de lijst met spullen op - kledingstukken, handdoeken, een paar boeken, sportschoenen, toiletartikelen - en stopte die tussen de papieren met adressen en telefoonnummers in mijn portemonnee. De banden stonden niet op de lijst. Ik had ze er later bijgedaan, toen de koffer al was gepakt. Ik was hem op de grond aan het inpakken, op mijn hurken, en toen richtte ik me op, liep naar de boekenkast en haalde de stoffige, rode doosjes met de banden van de plaats waar ze hadden gerust sinds ze waren opgenomen, achter de delen van het Woordenboek van de Servo-Kroatische taal van de Academie. Ik had ze veertien jaar niet aangeraakt, als ik de laatste keer witten niet meereken, zeven jaar geleden, toen ik alle boeken van de planken had gehaald, ze een voor een met een zachte doek had afgeveegd en uitgeschud en toen in grote dozen gedaan, die midden in de kamer stonden opgestapeld, onder de kroonluchter, die in een plastic zak gewikkeld was. Hoewel ik daarvoor niet was weggeweest, was ik eigenlijk teruggekomen om die banden te halen, dacht ik terwijl ik het bovenste deel van het colbert optilde, ze tussen de plooien van de stof legde en bedekte met de gevouwen mouwen. Veertien jaar geleden, nee, zestien jaar geleden is mijn vader gestorven. Hij stierf snel, in een oogwenk, zoals mijn moeder zei, hoewel ik ervan overtuigd was dat hij langzaam was gestorven, jarenlang, en dat hij met de dood was besmet op het moment dat hij veertig jaar daarvoor achter een omheining van prikkeldraad in een Duits kamp voor krijgsgevangen officieren terechtkwam. Mijn moeder ontkende dat natuurlijk. Je sterft maar een keer, zei ze, niemand loopt rond als een levende dode. Mijn vrienden stonden aan haar kant. Jij ziet de geschiedenis, zeiden ze, als een soort romanticus, het lot als een pastorale scène waarin uit het verborgene boze geesten loeren. Nee, zei ik, er zijn draden die de mens verbinden met beslissende momenten, wanneer de ziel losraakt, en daarna is het leven niet meer dan het afwikkelen van een spoel, totdat er een eind aan de draad komt, deze zich strak spant en de ziel uit haar versleten verblijfplaats rukt, daar is geen ander woord voor. Mijn vrienden wuifden dat weg, moeder schonk brandewijn in glaasjes, vrouwen brachten warme broodjes met kaas uit de keuken. Dat was na de begrafenis. De rabbijn sprak de gebeden zo zacht uit dat de mensen op hun tenen gingen staan om hem beter te horen. De volgende dag, toen we nog op elkaar botsten in de nieuwe leegte van de flat, zei ik tegen moeder dat ik haar bekentenis wilde opnemen. Ik spoel de band terug en druk op de knop waar 'Start' op staat. 'Waar moet ik mee beginnen,' zegt moeder en op hetzelfde moment zet ik de band weer stil. Ik wist niet wat ik haar moest zeggen. We zaten aan tafel in de eetkamer, voor mij lag een papier waarop ik de vorige dag 'Moeder: leven' had geschreven, voor haar stond de microfoon, op metalen pootjes die vastzaten in het gehaakte tafelkleed, de spoelen draaiden vergeefs, en ik staarde in haar donkerbruine ogen, die diep onder de wenkbrauwen lagen. Ik veronderstel dat ik nu bang ben voor die stilte. Maar eerst was ik bang voor haar woorden. Al twee jaar heb ik mijn taal niet gehoord, en die kon ik ook niet vaak horen, zo ver in het westen van Canada, in een stad waar iedereen immigrant is, en toen die uit de luidspreker van de bandrecorder weergalmde, wat het juiste woord is gezien het huisje waar ik woon, stortte ik gewoon in.

‘Een ontroerend boek over een grootse vrouw, geschreven door een bedachtzame auteur, die erin is geslaagd zijn last niet zwaar op ons te laten drukken: we voelen ons juist lichter omdat er zulke boeken bestaan.’ – Jüdische Allgemeine

Interview voor VPRO R.A.M.

Moederland is een kleine roman over de herinneringen van de hoofdpersoon aan zijn moeder. Door de virtuoze vervlechting van diverse herinneringen slaagt de schrijver erin stem te geven aan de persoonlijkheid van een buitengewone vrouw en aan zijn eigen ontworteling. De dramatiek van het verhaal wordt telkens met ironie doorspekt en dat verleent deze hechte roman een bewonderenswaardige lichtvoetigheid.

Bron: VPRO.nl