BOEKEN

BOEK

Mijn oom, vriend en verrader

Mijn oom, vriend en verrader

Susanne Schädlich

Hij was haar lievelingsoom, een charmante man met elegante tweed colbertjes, bekroond lid van de ‘Akademie der Wissenschaften’, een vrije geest.

Hij was haar lievelingsoom, een charmante man met elegante tweed colbertjes, bekroond lid van de ‘Akademie der Wissenschaften’, een vrije geest.

Zijn nichtje kon altijd met al haar zorgen bij hem terecht, hij had steeds een luisterend oor. Als twee jaar na de Wende duidelijk wordt, dat hij als ‘spion Schäfer’ jarenlang alles, maar dan ook alles over de familie van zijn broer aan de Stasi heeft gerapporteerd, stort Susanne Schädlichs wereld in elkaar. In 1977 mogen de Schädlichs eindelijk de DDR verlaten, maar ook in het Westen is de Stasi intimiderend aanwezig: ze bespioneren hun huis, bedreigen vrienden van Susanne’s ouders en zorgen ervoor dat de familie zich nergens thuis voelt. De lievelingsoom maakt zelfs plannen voor een ‘terugkeer’ van zijn broer Hans-Joachim naar Oost-Berlijn.

Susanne’s vader wordt steeds depressiever, het huwelijk strandt, Susanne en haar zusje moeten als scholieren voor zich zelf zorgen. De Stasi doet er alles aan om de familie kapot te maken. Met succes.

In het dossier staat: ‘1984 Mission erfüllt. Familie zerschlagen. Eltern unschädlich gemacht’. In december 2002 schiet ‘spion Schäfer’ zich met een pistool in de mond op een bankje in een Berlijns park. Pas enkele jaren later vindt Susanne de kracht om de vele ordners met verraad-dossiers te lezen. Zij probeert te begrijpen hoe iemand tegelijkertijd een liefdevolle oom én ‘spion Schäfer’ kon zijn.

‘Als je dit boek leest wordt je overmand door emoties en je legt het niet zonder beroering uit handen.’ - Frankfurter Rundschau

   

Het was maandag, beter gezegd maandag 5 december. Laat in de middag. Al donker. Misschien verregend. Koud was het zeker. Ik kwam van de muziekschool. Stapte uit de tram, stak de Mahlsdorfer Straße over en liep de Genovevastraße in. Links het bos, rechts het trottoir, spaarzaam licht van een enkele straatlantaarn. Ik weet niet op welk moment ik het op een rennen zette, maar op een gegeven ogenblik rende ik de rest van de Genovevastraße uit tot ik op de hoek van de Rotkäppchenstraße was. Niet omdat ik bang was voor spoken in het berkenbos. Niet uit angst voor de moordenaar over wie wij, kinderen, elkaar verhalen vertelden. Nog in het najaar hadden twee vrienden en ik op de stoeprand gezeten en het erover gehad wat we zouden doen wanneer er een man kwam die ons koekjes wilde geven. Niet aannemen natuurlijk. Een man die je koekjes wil geven, is een moordenaar.

Er kwam toen een man de straat inlopen. Hij had een pak koekjes in zijn hand en at. We keken begerig toe. Hij bood er ons een paar aan. Aarzelend schudden we nee. De man haalde zijn schouders op en gooide het pakje weg. We keken hem na. Op een gegeven moment stond ik op, raapte het pakje op en ging weer bij mijn vrienden zitten. We aten het hele pakje leeg. En we zaten te wachten tot we vergiftigd en wel dood zouden omvallen.
De man was geen moordenaar.

En de mannen die ’s avonds kwamen wanneer mijn ouders met vrienden hadden afgesproken? Dat gebeurde in die tijd vaker dan anders. Er viel veel te bespreken.
Ik lag in bed te wachten tot er werd aangebeld. En er werd gebeld. Ik liep naar het raam van de woonkamer, gluurde vanuit het donker naar de straat. Daar stonden ze. Altijd met z’n tweeën. Trenchcoat en hoed. Ze belden opnieuw aan. De deur zat niet op slot. Ze hadden de klink naar beneden kunnen drukken. Dat deden ze niet. Ze praatten. Ze keken naar boven naar mij. Lang. Ik wist dat zij wisten dat we alleen thuis waren. Ik weerstond hun blikken in het donker. Mijn ouders vertelde ik niets. Die mannen in hun trenchcoat kon ik best alleen aan.

Op de hoek van de Rotkäppchenstraße hield ik op met rennen. Langzaam, alsof er niets aan de hand was, liep ik naar nummer vijf. Ik belde aan, zoals gewoonlijk. Ik duwde de deur open, zoals gewoonlijk. Ik liep de trap op, zoals gewoonlijk. Moeder deed de deur voor me open. Niet zoals gewoonlijk. We liepen naar haar werkkamer, ze zei: ‘Ga zitten, ik moet je iets vertellen.’ Ik ging zitten op de witte ligbank met de blauwe matras. Moeder trok de deur achter zich dicht. ‘We gaan verhuizen. Naar het Westen. Zaterdag.’ Ze zei niet waarom. Dat hoefde niet. Ik wist dat het te maken had met de schrijvers die de afgelopen jaren telkens weer bij ons thuis gekomen waren, met datgene wat een jaar eerder begonnen was met het ontnemen van het staatsburgerschap aan Wolf Biermann, met het boek van mijn vader dat pas een paar maanden geleden in het andere Duitsland was verschenen.

Het Westen! Mijn ogen hebben waarschijnlijk gestraald. Wat ik op de televisie had gezien zou ik met eigen ogen gaan zien. Niet hoeven wachten totdat ik oma was. Dat waren mijn eerste gedachten. Toen: hoe moet het nu verder met mijn vrienden? En met school? En met onze spullen?

Zaterdag, dat duurde nog maar vijf dagen. Ik schijn te hebben gevraagd of ik nog naar school mocht. Hoe lang ze het al wisten. Of mijn broer Jan het wist. Hoe het met oma zat. Moeder zal mijn vragen wel beantwoord hebben.

Ik vroeg nog: ‘En onze poes?’
‘Die kan niet mee.’
Ik begon te huilen.
‘Je krijgt een nieuw poesje, dat beloof ik je,’ zei moeder. ‘Wanneer we eenmaal ginds zijn.’
Ik schijn haar te hebben geloofd.
‘Jan gaat ook niet mee.’
Ik huilde nog harder. Deze keer beloofde moeder niets.
Ik moest mijn tranen drogen. Glimlachen om mijn broer niets te laten merken. Het was al verdrietig genoeg, zei ze.

Ik glimlachte toen we naar vaders werkkamer liepen, waar hij boektitels dicteerde aan mijn broer die deze uittypte. Dat was ongebruikelijk en toch vroeg ik niet waar dat goed voor was. Het ritmische typen, de sonore stem van mijn vader hadden een kalmerende uitwerking. Misschien wierpen vader en moeder elkaar een blik van verstandhouding toe om te voorkomen dat het werk onderbroken werd. Ze is op de hoogte, ik heb het haar verteld, die zin in de ogen van moeder. Misschien knikte vader terwijl hij de titel, auteur, uitgever, verschijningsdatum van een volgend boek voorlas. Mijn broer keek niet op. Dat weet ik heel zeker. Moeder liep de kamer uit.

Ik bleef staan voor de plattegrond van Berlijn die aan een boekenplank bevestigd was en enkele rijen boeken aan het oog onttrok. De helft van de plattegrond was een witte vlek. Toen ik kleiner was, had ik er dikwijls voor gestaan en me afgevraagd waarom de stad daar ophield. Zou er misschien sneeuw liggen? Toen we een keer naar de Fernsehturm waren gegaan, zocht ik dat wit dat ik op de plattegrond had gezien. Ik zag huizen en bomen. Het wit zag ik nergens. ‘Daarginds ligt West-Berlijn,’ kreeg ik te horen. ‘Daar mogen we niet heen.’ De W op het kompas. Daar zouden we nu heengaan.

'Schädlich is op haar best wanneer ze haar mond houdt en de Stasi laat spreken. Uit hun rapporten, geschreven in de lingua securitatis, een taal die alles verdingt en geen mensen maar alleen 'onderzoeksobjecten' kent, stijgt de bedorven lucht op van wat beslist geen 'gezellige dictatuur' is geweest.' - Humo

Recensie op Humo.be

Schädlich is op haar best wanneer ze haar mond houdt en de Stasi laat spreken. Uit hun rapporten, geschreven in de lingua securitatis, een taal die alles verdingt en geen mensen maar alleen 'onderzoeksobjecten' kent, stijgt de bedorven lucht op van wat beslist geen 'gezellige dictatuur' is geweest.

Bron: Humo.be

Vermelding op ReformatorischDagblad.nl

Susanne Schädlich beschrijft in ”Mijn oom, vriend en verrader” hoe na de Wende bij het lezen van de Stasi­dossiers bleek hoe oom Karl Heinz in werkelijkheid spion (”Inoffiziëlle Mitarbeiter”) van de geheime dienst was en hen jarenlang had bespioneerd. Die lieve oom bleek heel veel narigheid op zijn kerfstok te hebben. In 2007 bracht hij zichzelf om het leven.

Bron: RefDag.nl

Vermelding op Duitslandweb.nl

Karlheinz Schädlich was in alles een atypische Oost-Duitser. De hoogleraar Geschiedenis was een bohémien, een anglofiel met een voorliefde voor tweedjasjes, goede whisky en jazz.

Bron: Duitslandweb.nl

genomineerd voor de Geschwister-Scholl Preis