BOEKEN

BOEK

Jongensjaren

Jongensjaren

J.M. Coetzee

J.M. Coetzee heeft het in zijn indrukwekkende oeuvre zelden direct over zichzelf gehad. Tijdens een hernieuwde kennismaking met het Zuid-Afrika van een halve eeuw geleden schrijft hij over zijn kindertijd, zijn emoties en zijn angsten.

De jongen van Jongensjaren groeit op in een provinciestadje in Zuid-Afrika. Hij leidt een dubbelleven met een vader voor wie hij geen enkel respect koestert en een moeder die hij niet alleen aanbidt, maar aan wie hij zich ook ergert. Op school is hij de briljante en de zich keurig gedragende leerling, thuis het tirannieke prinsje dat altijd bang is de liefde van zijn moeder te verliezen. Zijn eerste contacten met de literatuur, het ontwaken van seksuele gevoelens en een groeiend besef van de apartheid brengen hem compleet van zijn stuk.

Alleen zijn liefde voor het veld - op boerderijen vind je vrijheid en leven - geeft hem het gevoel ergens bij te horen.

   

Ze wonen in een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad Worcester, tussen de spoorlijn en het Nasionale Pad. De straten van de wijk hebben bomennamen, maar nog geen bomen. Hun adres is Populierlaan 12. Alle huizen in de wijk zijn nieuw en identiek. Ze staan op grote percelen rode klei waar niets wil groeien, gescheiden door hekken van ijzerdraad. In elke achtertuin bevindt zich een vierkant gebouwtje, bestaande uit een kamer en een wc. Hoewel ze geen bediende hebben, noemen ze deze 'de bediendekamer' en de 'bediende-wc'. Ze gebruiken de bediendekamer om dingen in op te bergen: kranten, lege flessen, een kapotte stoel, een oude kokosmatras.

Achter in de tuin bouwen ze een kippenren waarin ze drie kippen onderbrengen, die geacht worden eieren voor hen te leggen. Maar de kippen willen niet gedijen. Het regenwater, dat niet in de klei kan wegsijpelen, staat in plassen in de tuin.

De kippenren wordt een kwalijk riekend moeras. De poten van de kippen beginnen grove zwellingen te vertonen, als olifantshuid. Ziekelijk en humeurig raken ze van de leg. Zijn moeder raadpleegt haar zuster in Stellenbosch, die zegt dat ze pas weer zullen gaan leggen als de hoornachtige schubben onder hun tong zijn weggesneden. Zodoende neemt zijn moeder de kippen een voor een tussen haar knieën, drukt net zolang op hun kaken tot ze hun snavel opendoen en pulkt met de punt van een aardappelschilmesje in hun tong. De kippen schreeuwen en spartelen, met uitpuilende ogen. Hij huivert en wendt zich af. Hij moet denken aan hoe zijn moeder een stooflap op het aanrecht kletst en in blokjes snijdt; hij moet denken aan haar bloederige vingers.

De dichtstbijzijnde winkels zijn meer dan een kilometer verderop langs een naargeestige weg met eucalyptusbomen. Gevangen als ze zit in deze doos van een huis in de nieuwbouwwijk, heeft zijn moeder de hele dag niets anders te doen dan vegen en schoonmaken. Elke keer als het waait, wervelt er fijn okerkleurig kleistof onder de deuren naar binnen, dringt zich door de kieren in de raamkozijnen, onder de dakranden door, door de naden in het plafond. Als het een hele dag heeft gestormd, ligt het stof centimeters hoog tegen de voormuur.

Ze kopen een stofzuiger. Elke morgen sleept zijn moeder de stofzuiger van kamer naar kamer en zuigt het stof in de brullende buik waarop een lachende, rode kobold over een horde lijkt te springen. Een kobold: waarom?

Hij speelt met de stofzuiger, verscheurt papier en kijkt hoe de snippers de slang invliegen als bladeren in de wind. Hij houdt de slang boven een stoet mieren en zuigt ze op, hun dood tegemoet.

Er zijn mieren in Worcester, vliegen, vlooienplagen. Worcester ligt maar honderdveertig kilometer van Kaapstad, maar hier is alles nog erger. Hij heeft een kring van vlooienbeten boven zijn sokken, en roofjes van het krabben. Soms kan hij 's nachts niet slapen van de jeuk. Hij snapt niet waarom ze uit Kaapstad weg moesten.

Zijn moeder is ook onrustig. Ik wou dat ik een paard had, zegt ze. Dan kon ik tenminste gaan rijden in het veld. Een paard! zegt zijn vader: Wil je soms lady Godiva worden?

'Jongensjaren is, afgezien van het openhartige karakter, helemaal Coetzee. De onopgesmukte stijl, het doeltreffende proza - Coetzees barre jeugd in het Zuid-Afrika van de jaren vijftig komt in Jongensjaren pijnlijk navoelbaar tot leven' - Margot Engelen in NRC Handelsblad

'Angst maakt vindingrijk. Wantrouwen kweekt scherpe waarnemers. Schaamte vraagt om verzinsels die ongerijmde verhalen kloppend maken. Oprechte leugens. Fictie die waarachtiger is dan de miezerige werkelijkheid. Doordat de jongen in Jongensjaren, eeuwige buitenstaander, noodgedwongen in zijn verbeelding leeft, wordt hij bijna vanzelf een schrijver. Zelf weet hij het nog niet, de puber die een jaar of vijftien is als het boek eindigt, maar hij is er al eentje. In Jongensjaren zijn we getuige van de geboorte van een schitterend schrijverschap. Deze jongen mogen we dankbaar zijn. Ik ben hem dankbaar.' - Aleid Truijens over Jongensjaren tijdens het Coetzee-festival

Recensie op Volkskrant.nl

De lange weg terug naar een verscheurde jeugd

Bron: Kunst.Volkskrant.nl