BOEKEN

BOEK

In het hart van het land - midprice

In het hart van het land - midprice

J.M. Coetzee

In de debuutroman van Coetzee woont Magda in een afgelegen boerderij waar ze de eenzaamheid én de schoonheid van haar omgeving onderkent. Ze woont er samen met haar vader en een aantal bedienden. De situatie escaleert als haar vader een jonge zwarte minnares neemt en Magda zich uitgestoten voelt.

Ook verkrijgbaar als eboek

   

1. Vandaag heeft mijn vader zijn nieuwe bruid mee naar huis gebracht. Ze kwamen aanklepperen over de vlakte in een dogkar, getrokken door een paard met een wuivende struisveer op zijn voorhoofd, bestoft na de lange tocht. Of misschien werden ze getrokken door twee gepluimde ezels, ook dat is mogelijk. Mijn vader droeg zijn zwarte pandjesjas en zijn hoge zijden, zijn bruid een breedgerande zonnehoed en een witte japon die nauw rond haar hals en middel sloot. Meer bijzonderheden kan ik niet geven, tenzij ik me in gissingen verlies, want ik heb niet gekeken. Ik zat op mijn kamer, in het smaragdgroene halfduister van een late namiddag achter gesloten blinden, en las een boek, of wat nog waarschijnlijker is, lag op mijn rug met een vochtige handdoek over mijn ogen tegen de migraine te vechten. Ik ben degene die op haar kamer blijft om te lezen of te schrijven of om tegen de migraine te vechten. Het wemelt van zulke ongetrouwde vrouwen in de buitengewesten, maar geen ervan, denk ik, drijft het zo ver als ik. Mijn vader is degene die over de vloerplanken ijsbeert, heen en weer, op en neer, met zijn trage zwarte laarzen. En dan is er als derde de nieuwe vrouw, die lang in bed blijft liggen. Dat zijn de tegenspelers.

2. De nieuwe vrouw. De nieuwe vrouw is een lui grofgebouwd wellustig katachtig wezen met een brede traag glimlachende mond. Haar ogen zijn zwart en sluw als twee bessen, twee sluwe zwarte bessen. Ze is een grote vrouw met smalle polsen en lange mollige spits toelopende vingers. Ze eet met smaak. Ze slaapt en eet en luiert. Ze steekt haar lange rode tong uit en likt het zoete schapenvet van haar lippen. 'O, wat is dat lekker!' zegt ze en ze glimlacht en rolt met haar ogen. Ik kijk gebiologeerd naar haar mond. Dan keert ze de brede glimlachende mond en de sluwe zwarte ogen mijn kant op. Ik kan haar glimlach maar moeilijk verdragen. We vormen geen gelukkig gezin, wij drieën.

3. Zij is de nieuwe vrouw, dus de vorige is dood. De vorige vrouw was mijn moeder, maar die is zo lang geleden gestorven dat ik me haar nauwelijks herinner. Ik moet erg jong zijn geweest toen ze stierf, misschien nog maar pasgeboren. Uit een van de diepste kerkers van mijn herinnering put ik een vaag grijs beeld, het beeld van een vage grijze broze zachtaardige liefhebbende moeder die ineengedoken op de grond zit, een beeld zoals iedere vrouw in mijn positie zich licht zal vormen.

4. Mijn vaders eerste echtgenote, mijn moeder, was een broze zachtaardige liefhebbende vrouw die leefde en stierf onder de duim van haar man. Haar man heeft haar nooit vergeven dat ze hem geen zoon kon baren. Zijn meedogenloze geslachtsdrift leidde tot haar dood in het kraambed. Ze was te broos en te zachtaardig om de ruwe ruige erfzoon ter wereld te brengen die mijn vader zich wenste, dus ging ze dood. De dokter kwam te laat. Nadat er ijlings iemand op de fiets was gesprongen om hem te waarschuwen, moest hij nog zestig kilometer over een landweggetje jakkeren in zijn ezelswagentje. Toen hij aankwam lag mijn moeder al kalm op haar doodsbed, geduldig, bloedeloos, verontschuldigend.

5. (Maar waarom kwam hij niet te paard? Maar waren er wel fietsen in die dagen?)

6. Ik heb niet gekeken hoe mijn vader zijn bruid thuisbracht over de vlakte omdat ik zat te kniezen en mijn tijd afwachtte op mijn kamertje in de donkere westelijke vleugel van het huis. Ik had klaar moeten staan om hen te verwelkomen met glimlachjes en thee, maar dat deed ik niet. Ik was afwezig. Ik werd niet gemist. Mijn vader slaat geen acht op mijn afwezigheid. Voor mijn vader ben ik mijn hele leven al afwezig. Daarom ben ik, in plaats van de vrouwelijke warmte in het hart van dit huis, altijd een nul, een niets geweest, een vacuüm dat alles naar zich toe zuigt, een turbulentie, gedempt, grijs, als een kille tocht die door de gangen wervelt, veronachtzaamd, wraakgierig.

7. De avond valt, en mijn vader en zijn nieuwe vrouw stoeien in de slaapkamer. Hand in hand strelen ze haar schoot, wachtend tot deze zal ontluiken en opbloeien. Ze strengelen zich ineen; zij omhult hem met haar vlees; ze gniffelen en kreunen. Het zijn mooie tijden voor hen.

8. Mijn leven lang al woon ik in een huis dat door het noodlot als een H is gevormd, in een door kilometers draad omrasterd theater van steen en zon, en weef mijn spoor van kamer naar kamer, doem dreigend op voor de bedienden, de barse weduwdochter van de duistere vader. Zonsondergang na zonsondergang hebben we tegenover elkaar gezeten boven het schapenvlees, de aardappels, de pompoen, vreugdeloos voedsel bereid door vreugdeloze handen. Hebben we misschien gesproken? Nee, we kunnen niet gesproken hebben, we moeten elkaar zwijgend hebben aangekeken en ons een weg door de tijd hebben gekauwd, terwijl onze ogen, zijn zwarte ogen en mijn zwarte ogen die ik van hem heb geërfd, nietszeggend over hun gezichtsveld dwaalden. Daarna gingen we slapen, om te dromen in allegorieën van gefnuikte begeerte die we gelukkig niet kunnen verklaren; en 's morgens beijverden we ons in ijzig ascetisme om als eerste op te staan en het vuur aan te maken in de koude haard. Het leven op de boerderij.

9. In de schemerige hal tikt dag en nacht de klok. Ik ben degene die hem opwindt en wekelijks gelijkzet aan de hand van zon en almanak. De tijd op de boerderij is de tijd van de wijde wereld, geen tittel of jota meer of minder. Ik ga resoluut voorbij aan de blinde subjectieve tijd van het hart, haastig op momenten van opwinding en traag op momenten van verveling: mijn polsslag volgt de gestage secondewijzer van de beschaving. Op een dag zal een nog ongeboren geleerde in de klok het mechanisme herkennen dat de wilden heeft getemd. Maar zal hij ooit de troosteloosheid kennen van het slaan van het siësta-uur in koele groene huizen met hoge zolderingen, waar de dochters van de buitengewesten met hun ogen dicht liggen af te tellen? Het land wemelt van de zwaarmoedige oude vrijsters zoals ik, verloren voor de geschiedenis, trieste kakkerlakken in ons voorvaderlijk huis, die het koper blinkend houden en jam maken. Aanbeden door onze bazige vaders toen we klein waren, zijn we opgegroeid tot bittere Vestaalse maagden, voor het leven bedorven. De verkrachting van de jeugd: de kern van waarheid in deze fantasie zou eens nader bestudeerd moeten worden.

10. Ik leef, ik lijd, ik ben hier. Desnoods met list en bedrog vecht ik ertegen een van de vergetenen van de geschiedenis te worden. Ik ben een oude vrijster met een afgesloten dagboek, maar dat niet alleen. Ik ben een onbehaaglijk bewustzijn, maar ook dat niet alleen. Als alle lichten uit zijn, glimlach ik in het donker. Mijn tanden blikkeren, maar dat zou niemand willen geloven.


Download het fragment als PDF

Bespreking op Iedereenleest.be

Ik vind Coetzee één van de beste levende schrijvers en dat bevestigt hij wederom met deze prachtroman.

Bron: IedereenLeest.be