BOEKEN

BOEK

Ik heet Anne, zei ze, Anne Frank

Ik heet Anne, zei ze, Anne Frank

Jacqueline van Maarsen

Het onthutsende verhaal van een meisje wier vader een joodse Nederlander was en de moeder een katholieke Française, haar wederwaardigheden in de oorlog, en haar vriendschap met Anne Frank, die haar leven diepgaand zou beïnvloeden.

Het onthutsende verhaal van een meisje wier vader een joodse Nederlander was en de moeder een katholieke Française, haar wederwaardigheden in de oorlog, en haar vriendschap met Anne Frank, die haar leven diepgaand zou beïnvloeden.

Jacqueline van Maarsen groeide op in de roerige jaren dertig van de vorige eeuw. Haar vader was Nederlander, haar moeder Française. Hij was joods, zij katholiek, maar na verwoede pogingen lukte het hem in 1938 zijn vrouw ingeschreven te krijgen bij de Joodse Gemeente, en vanaf dat moment golden ook de kinderen als joods. Niet veel later, in de oorlog, leed Jacqueline onder de vervolging van de joden. Op het Joods Lyceum ontmoette ze in 1941 Anne Frank. In het laatste jaar voordat Anne moest onderduiken, waren ze de beste vriendinnen (in Anne's dagboek komt Jacqueline voor als Jopie).

Jacqueline ontsnapte aan deportatie: met doortastend optreden wist haar moeder in 1942, met een verwijzing naar haar katholieke achtergrond, de inschrijving bij de Joodse Gemeente ongedaan te maken - en nu gold ook Jacqueline plotseling weer als niet-joods. Een ontwikkeling ten goede natuurlijk, maar langzamerhand kreeg ze wel het gevoel dat ze nergens bij hoorde.

Anne maakte overal een feest van. Nooit meer heb ik iemand ontmoet die zo met volle teugen van het leven genoot als zij. Ik koesterde mij in haar warme genegenheid en schonk haar zoveel mogelijk mijn vriendschap.

   

Een jaar lang wijdde Eline zich aan moederschap en huishouding. Maar geleidelijk aan begon ze haar werk te missen. Ze wilde echter niet voor de derde keer naar haar vroegere werkkring terug. Ze overwoog dat ze in Amsterdam haar eigen couturezaak zou kunnen vestigen, ook al omdat ze merkte dat Hijman het liefst weer naar Amsterdam terug wilde.

Zijn broer Arie had als compagnon in Amsterdam het bedrijf van Hijman voortgezet; hij had zich toegelegd op het importeren van Franse en Engelse stoffen. De samenwerking verliep goed, maar hij wilde naar Santpoort verhuizen, waar zijn verloofde als verpleegster in het gesticht werkte. Er werd vanuit Amsterdam enige druk op Hijman uitgeoefend om terug te komen.

Ze huurden een groot herenhuis aan de Willemsparkweg, gebouwd aan het eind van de negentiende eeuw. Op een marmeren hal kwamen twee grote kamers uit, de salons, die ingericht werden naar het voorbeeld van de salons in de Parijse modehuizen. De antieke Franse meubelen, meegebracht uit Parijs, kregen daar een plaats. De suite werd verdeeld in een 'roze salon' en een 'groene salon', waar vloerbedekking, zijden jacquardgordijnen en zijden meubelbekleding in dezelfde kleur waren uitgevoerd.

Dat was een idee van Hijman geweest. Alleen het grote bureau met het met leer beklede blad dat in de groene salon stond en waarop de stalenboeken met de stoffen lagen, verried dat het hier ging om de salon van een modezaak. En de met roze zijde beklede miroir brot, een driedelige spiegel die in de spiegelspeciaalzaak Maison Brot in Parijs was aangeschaft, gaf aan dat de roze salon de paskamer was. Hier ontving Eline haar klanten. In een zijkamer op dezelfde verdieping had Hijman zijn kantoor.

Vlak bij de Willemsparkweg lag het Vondelpark, waar Mathilde, het inwonende Duitse dienstmeisje, dagelijks met het kind ging wandelen. De huizen aan de Willemsparkweg en de straten daarachter hadden souterrains met een grote keuken aan de straatkant, een grote tuinkamer aan de achterkant en kamers voor het huispersoneel. De tuinkamer werd overdag het domein van het kind, en daar werden ook de maaltijden gebruikt. Na het avondeten trokken Eline en Hijman zich terug in de serre achter de salons, waar ze thee dronken uit sèvres-porseleinen kopjes. Hijman las er het Algemeen Handelsblad en Eline Le Figaro, die haar dagelijks uit Parijs werd toegezonden.

Daar, aan haar empirebureautje, schreef Eline brieven aan haar ouders en haar Franse kennissen. In de serre ontvingen ze ook hun gasten. Familie of intieme vrienden ontvingen ze beneden in de tuinkamer.
Op de bovenste verdieping, de slaapverdieping, werd het atelier ingericht. Er stonden paspoppen, naaimachines en twee grote tafels waaraan eerst vier en al gauw zes meisjes aan het werk waren. Ze droegen witte mouwschorten, waarin ook Eline rondliep als ze geen klanten op bezoek had. De klanten spraken Frans, de taal die in die tijd vloeiend gesproken werd in de hogere kringen, waartoe haar clientèle behoorde.

Regelmatig gingen Eline en Hijman naar Parijs. Eline bezocht daar de shows van de belangrijkste modehuizen. Ze kocht de calques van de modellen die ze uitgezocht had. Dat waren met waterverf ingekleurde tekeningen op transparant papier, die ze in Amsterdam aan haar klanten toonde. Deze konden daaruit een keus maken, waarna de patronen besteld werden. Daarna bekeek ze samen met haar klanten de stoffen uit de stalenboeken van de stoffengrossiers uit Parijs. De stoffen werden door Hijman telefonisch besteld en door de klm soms al de volgende dag afgeleverd. De patronen, gemaakt van ongebleekte katoen, 'toiles' genaamd, werden op paspoppen gedrapeerd volgens de maten van de klant, waarna het zo ontstane patroon werd overgebracht op de uitgezochte stof.

Ze logeerden soms bij hun ouders in het dorp. Het kind werd overdag door de grootouders verzorgd. Als Eline en Hijman 's avonds aankwamen was het hele huis al doortrokken van de geuren van de Franse maaltijd. Artisjokken, champignons en knoflook, het waren groenten die hier vers van het veld kwamen en in Holland nog nauwelijks bekend waren. Hijman bracht uit Holland kaas, koekjes en chocolade mee, en om zijn schoonouders een indruk te geven van het Hollandse landschap kocht hij schilderijen voor hen, die onmiddellijk in de kamer opgehangen werden. De reproductie van een schilderij van Nicolaas Maes, de oude biddende vrouw, die hij voor zijn schoonmoeder meegenomen had, hing zij boven haar bed.

Met Elines vader had Hijman lange gesprekken over de politieke situatie in Europa en over de heersende economische crisis die het zakendoen bemoeilijkte en veel armoede teweegbracht. Hun gezamenlijke interesse, de negentiende-eeuwse Franse literatuur, kwam ook telkens aan de orde: Balzac, Flaubert, Baudelaire, Zola.

De laatste ontlokte op een keer een discussie tussen de beide mannen over de affaire-Dreyfus: de arrestatie op beschuldiging van hoogverraad van kapitein Alfred Dreyfus, diens levenslange gevangenisstraf en verbanning naar het Duivelseiland. Kapitein Dreyfus was het slachtoffer geweest van een samenzwering, op touw gezet door hoge Franse officieren met een vervalst bewijsstuk, dat zijn schuld moest aantonen. Uiteindelijk zou Emile Zola met zijn geschrift J'Accuse, een open brief in L'Aurore, het militaire, het kerkelijke en het aristocratische establishment trotseren, met als gevolg de vernietiging van het vonnis en eerherstel van de door vooroordelen achtervolgde kapitein.

Eline en haar moeder keken elkaar aan. Eline wist dat haar vader indertijd evenals de doorsnee-Fransman de kant van de officieren gekozen had. Het had zelfs een huiselijke twist veroorzaakt, want haar moeder had intuïtief geweten dat antisemitisme de drijfveer van de officieren was geweest. Eline zorgde ervoor dat het gesprek beëindigd werd door aan te kondigen dat het eten klaarstond.

Nadien ruimden de vrouwen af. Op mooie zomeravonden zaten ze daarna op het terras; hangend over de balustrade maakten zij een praatje met voorbijgangers, allemaal bekenden uit het dorp. Of ze wandelden naar de buren met wie ze de laatste nieuwtjes uitwisselden. Onverwachts kondigde zich een tweede kind aan. Dat strookte helemaal niet met de plannen van Eline. De opbouw van haar nieuwe zaak eiste veel van haar energie en ze nam hete baden in de hoop de zwangerschap te kunnen afbreken. Het mocht niet baten.

In januari 1929 werd een tweede dochter geboren. Het viel mee: in tegenstelling tot haar zusje, die dag en nacht om aandacht vroeg en veel huilde, was dit een rustige baby die alles volgens het boekje deed.

'Ik heet Anne, zei ze, Anne Frank is een mooi, ingetogen levensverhaal geworden. Over de haute couture in de jaren dertig, ontsnappen aan deportatie en een puberende Anne Frank. Met een glansrol voor haar Franse moeder.' - NRC Handelsblad