Het minste kwaad

BOEKEN

BOEK

Het minste kwaad

Het minste kwaad

Michael Ignatieff

Bij zijn soms verrassende conclusies staat altijd één gedachte centraal: als wij onze democratische ziel verliezen, verliezen we ook de strijd tegen het terrorisme.

Zouden wij de strijd tegen het terrorisme, die nu allerwegen wordt gevoerd, ook kunnen verliezen? En hoe groot is het gevaar dat in deze strijd essentiële democratische rechten beperkt of afgeschaft worden? En als we geweld genadeloos met geweld beantwoorden, wat is dan nog het morele verschil tussen ons en onze vijanden?
In Het minste kwaad probeert Ignatieff antwoorden te geven en oplossingen te vinden, zonder onze democratische waarden op te offeren. Bij zijn soms verrassende conclusies staat altijd één gedachte centraal: als wij onze democratische ziel verliezen, verliezen we ook de strijd tegen het terrorisme.

   

Een democratie die tegen het terrorisme vecht, verdedigt de stelling dat haar politieke leven vrij van geweld moet zijn. Maar om terreur te verslaan is geweld nodig. Ook kunnen dwang, misleiding, geheimhouding en schending van rechten vereist zijn. Hoe kan een democratie naar deze middelen grijpen zonder de waarden waarvoor ze staat te vernietigen? Hoe kan ze de weg kiezen van het minste kwaad zonder te vervallen in het grote kwaad? In dit boek tracht ik deze vraag te beantwoorden. Het is weliswaar geschreven als reactie op de gebeurtenissen van 11 september 2001, maar ik heb inspiratie geput uit bronnen die ver van onze tijd verwijderd zijn, van Euripides tot Machiavelli en van Dostojevski tot Conrad, allemaal schrijvers die diep hebben nagedacht over het morele dilemma van het gebruik van dubieuze middelen om lofwaardige doelen te bereiken. In dit boek zijn ideeën uit de literatuur, het recht, de ethiek, de filosofie en de geschiedenis bijeengebracht als leidraad voor burgers en leiders bij het maken van de moeilijke keuzes die in de strijd tegen het terrorisme moeten worden gemaakt.

Op de maatregelen die de vrije democratieën na 11 september hebben genomen om zich te verdedigen zijn veel waardevolle commentaren verschenen.1 Daar wil ik er niet nog een aan toevoegen; ik heb gekozen voor een breder perspectief en gekeken hoe staten in de negentiende en twintigste eeuw hebben getracht terroristische dreiging het hoofd te bieden zonder hun constitutionele identiteit op te offeren. 11 September werpt zijn schaduw over dit boek en het zwaartepunt ligt bij de dilemma's waar Amerika voor staat; toch heb ik ook geprobeerd te leren van noodsituaties onder terroristische dreiging in het Verenigd Koninkrijk, Canada, Italië, Duitsland, Spanje en Israël, en in meer afgelegen landen als Sri Lanka. Ook heb ik vooruitgekeken en de duistere scenario's overwogen die zich voordoen als terroristen de beschikking krijgen over chemische, nucleaire en biologische wapens.

In het eerste hoofdstuk, 'De democratie en het minste kwaad', leg ik uit waarom het gebruik van dwang in een vrije democratie als een 'geringer kwaad' wordt beschouwd, niet alleen tijdens een noodtoestand maar ook in normale tijden. Deze specifieke visie op de democratie sluit het opschorten van rechten in een noodtoestand niet uit, maar verplicht de regering wel om de betreffende maatregelen publiekelijk te verdedigen, ze te onderwerpen aan gerechtelijke herziening en er beëindigingsclausules aan te verbinden, zodat ze niet permanent worden. De grondrechten van burgers hoeven geen onneembare barrières te vormen voor actie door de overheid, maar elke inbreuk erop moet wel worden onderworpen aan democratische toetsing.

Ik probeer een middenkoers te varen tussen het zuivere vrijheidsdenken, waarin een schending van burgerrechten nooit te rechtvaardigen is, en een zuiver pragmatisch standpunt, waarin antiterroristische maatregelen louter op hun effectiviteit worden beoordeeld. Ik stel dat daden die een fundamentele inbreuk vormen op de rechten en de waardigheid van het individu - marteling, onwettige opsluiting, onwettige executies - nooit door de beugel kunnen. Het punt is alleen dat het niet zo moeilijk is de grenzen theoretisch vast te stellen, maar heel wat problematischer om ze in de praktijk te verdedigen en er van geval tot geval aan vast te houden, ook als redelijke mensen van mening verschillen over wat nu precies marteling is, wanneer opsluiting onwettig is, welke executies niet aan de wettelijke norm voldoen en welke preventieve acties in feite agressie zijn. Noodzaak noch vrijheid, gevaar voor de openbare veiligheid noch individuele rechten geven de doorslag als er over deze kwesties een beslissing moet worden genomen. Goede democraten zullen het over deze kwesties altijd oneens zijn; het is daarom van cruciaal belang dat ze in ieder geval eensgezind zijn in hun steun aan het proces van democratische toetsing, waarin over deze zaken wordt beslist. Als democraten van mening verschillen over de inhoud moeten ze het eens zijn over de procedure, om de democratie te beschermen tegen zowel onze vijanden als onze eigen onbezonnenheid.

In het tweede hoofdstuk, 'De ethiek van de noodtoestand', onderzoek ik de invloed die het opschorten van burgerlijke vrijheden in een noodtoestand heeft op de rechtsstaat en op de mensenrechten. De vraag waar het om draait is of een beperking van rechten in geval van nood de rechtsstaat beschermt of juist in gevaar brengt. Ik neem het standpunt in dat uitzonderingen het recht niet tenietdoen maar juist redden, op voorwaarde dat ze tijdelijk zijn, publiekelijk worden gerechtvaardigd en alleen in geval van nood worden aangewend.

In breder perspectief speelt de vraag welke rol de mensenrechten moeten spelen in het overheidsbeleid bij een noodtoestand onder terroristische dreiging. De meeste mensenrechtenconventies voorzien wel in een beperking of opschorting van bepaalde rechten als er sprake is van een noodtoestand. Het opschorten van rechten is een oplossing van het minste kwaad, maar tast wel de status aan van de mensenrechten als een verzameling vaste, onveranderlijke criteria. Als je eenmaal toegeeft dat mensenrechten in geval van nood kunnen worden opgeschort, accepteer je daarmee dat mensenrechten geen stelsel zijn van ondeelbare absolute waarden, en dat bij hun toepassing een afweging moet worden gemaakt tussen vrijheid en noodzaak en tussen puur principe en gezond verstand. Dat reduceert de mensenrechten nog niet tot een instrument van politiek opportunisme.

Integendeel, realistische beperkingen op rechten hebben meer kans dat ze hun doel bereiken dan onrealistische. De internationale mensenrechtenconventies zijn er om democratieën die een oorlog tegen terreur uitvechten eraan te herinneren dat zelfs hun vijanden rechten hebben die niet zijn gebaseerd op wederkerigheid of goed gedrag. Ook herinneren ze staten eraan dat hun acties niet alleen aan nationale maar ook aan internationale normen moeten voldoen. Mensenrechten kunnen deze functie echter alleen vervullen als ze zo flexibel zijn dat enige afwijking van de absolute norm uit politieke noodzaak of in een noodsituatie mogelijk is.
In het derde hoofdstuk, 'De zwakte van de sterkere', tracht ik te verklaren waarom vrije democratieën altijd te fel reageren op terroristische dreiging, alsof hun voortbestaan op het spel stond. Waarom verkwanselen vrije democratieën hun vrijheid zo gemakkelijk? Verontrustend genoeg leert de geschiedenis dat de meerderheid minder inzit over een vrijheidsbeknotting die minderheden treft dan over haar eigen veiligheid. Deze historische tendens om het meerderheidsbelang boven individuele rechten te stellen heeft de vrije democratieën verzwakt. De politieke uitdaging die het terrorisme stelt overleven ze meestal wel, maar daarbij loopt hun eigen raamwerk van rechten blijvende schade op. Terrorisme is veel meer dan een incidentele dreiging: het heeft de democratie aangetast in haar institutionele ontwikkeling en de achterkamertjespolitiek versterkt ten koste van de open democratische toetsing.

In het vierde hoofdstuk, 'De kracht van de zwakkere', richt ik mij op het terrorisme zelf. Terrorisme wordt vooral gerechtvaardigd met de stelling dat onderdrukte groepen politiek nooit iets bereiken als ze zich altijd van geweld tegen burgers onthouden. Tegenover onderdrukking en een sterkere macht rechtvaardigt terrorisme zichzelf als de enige strategie die de onderdrukten de overwinning kan bezorgen. Dit argument vanuit een zwakte stelt democraten voor een heikel probleem, aangezien in de theorie van de vrije democratie altijd het recht is erkend van de onderdrukten om als laatste uitweg de wapens op te nemen, als hun zaak rechtvaardig is en vreedzame middelen niets uithalen. Mijn stelling is dat de beste remedie tegen terrorisme is ervoor te zorgen dat de onderdrukten altijd vreedzame rechtsmiddelen tot hun beschikking hebben. Als hun deze middelen worden ontzegd, wordt geweld onvermijdelijk. Terroristen buiten onrecht uit en beweren dat ze een rechtvaardige zaak vertegenwoordigen. Een antiterreurstrategie die niets doet aan onrecht, die geen kanalen openhoudt waarlangs de benadeelde partij zijn recht kan halen, kan niet met louter militaire middelen slagen. Het centrale dilemma is dat onrecht met politieke middelen moet worden aangepakt zonder dat daarbij aan terroristen een legitieme status wordt gegeven.

Het vijfde hoofdstuk, 'De verlokking van het nihilisme', behandelt de duistere mogelijkheid dat in de strijd tussen een vrije constitutionele staat en een terroristische vijand beide zijden in de verleiding komen in puur nihilisme te vervallen, dat wil zeggen, in geweld om het geweld. De ondervragers in de geheime staatsgevangenissen en de guerrillastrijders of opstandelingen kunnen gaandeweg ongevoelig worden voor hoogstaande principes en morele scrupules. Beide partijen beginnen misschien met hooggestemde idealen, maar plegen daar op den duur verraad aan. Een criticus van de ethiek van het minste kwaad zou kunnen stellen dat iedereen die zich met kwaad inlaat, al is het met de beste bedoelingen, uiteindelijk zal afglijden naar nihilisme. In dit hoofdstuk wordt onderzocht hoe deze neergang plaatsvindt en hoe hij kan worden vermeden.

Het laatste hoofdstuk, 'Vrijheid en Armageddon', gaat over het verwerven van massavernietigingswapens door terroristische groeperingen. Dat zou betekenen dat de ultieme machtsmiddelen van de staat in particuliere handen terechtkomen, hetzij die van een internationale terroristische beweging als Al Qa'ida, hetzij die van een supermachtige eenling, een eenzame burger die wrok koestert en over de middelen beschikt om zijn hele land in gijzeling te houden. Als deze scenario's werkelijkheid worden, komen we in een nieuwe wereld terecht waarin het terrorisme niet langer een eeuwig zij het wel hanteerbaar probleem vormt, maar een potentieel dodelijke vijand wordt. Het boek eindigt dan ook met het doordenken van het donkerste scenario, met de bedoeling de vragen waarmee dit boek begon zo scherp mogelijk te stellen: zijn onze democratieën sterk genoeg om deze gevaren het hoofd te bieden, en hoe kunnen we de instellingen die we hoe dan ook moeten verdedigen, versterken?

'Als je Het minste kwaad leest heb je het gevoel een gesprek te voeren met een uiterst redelijke maar overtuigde en zeer overtuigende man. Het is onmogelijk zijn oproep om in deze dingen behoedzaam en alert te zijn te lezen zonder te denken aan het deprimerende gebrek aan die deugden bij de manier waarop Bush en de zijnen de burgerlijke vrijheden hebben aangetast, in naam van de bestrijding van de terreur.' - The New York Review of Books

Vermelding op VVD.nl

Na de aanslagen van 11 september 2001 voerden tal van westerse landen maatregelen in ter bestrijding van het terrorisme. Vooral in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië werden daarbij speciale uitzonderingen voorzien op de heersende rechten en vrijheden van de burgers.

Bron: VVDdenhaag.nl