BOEKEN

BOEK

Geen nacht zonder

Geen nacht zonder

Aleid Truijens

Aleid Truijens beschrijft deze ingrijpende periode die niet alleen 'zwaar' was glashelder, op beschouwende maar ook lichtvoetige toon, waarbij ze goedkope sentimentaliteit en emotionele kitsch weet te vermijden.

Linde met haar grappige hoedjes, Joram de virtuoos op de Nintendo, Ricardo de gore-moppentapper, Kevin de bedplasser - zij tuimelden uit de statistiek. Als ze al ergens tegen 'knokten', dan was het tegen het idee dat zij ineens geen gewone kinderen meer waren. Ze verheugden zich op sinterklaas, ze maakten mooie kerstkaarten met de knutseljuf; ze leerden over de nieuwe Balkanstaten, het meewerkend voorwerp, over herkauwers en carnivoren, hectoliters en decimeter - nuttige kennis. Ze kregen pianoles en een eigen computer. En toen gingen ze dood.

Aleid Truijens schrijft met een verbazingwekkende precisie en invoelingsvermogen over het leven met een erg ziek kind, de veerkracht van een kleuter, de pech van het gezonde zusje, de magische kracht van een knuffeldier, over doodsangst en wrok, ziektewinst en sprakeloosheid. Zo helder hebben wij iets wat met hart en hersens bijna niet te begrijpen is, nog nooit beschreven gezien.

Tom ruilde twee jaar lang de kleuterschool in voor een alternatief schoolklasje: een zaaltje op de kinderafdeling van een academisch ziekenhuis. De kinderen daar waren niet opgenomen voor een liesbreuk of ontstoken keelamandelen - ze hadden kanker. Bij Tom werd kort na zijn vierde verjaardag leukemie geconstateerd.

Van de ene op de andere dag is niets meer hetzelfde in het leven van Tom, zijn zusje en zijn ouders. Plotseling wonen zij in de hermetisch gesloten wereld van de zieken, waar heel andere spelregels aan de orde zijn en hun kijk op alles verandert: de toekomst, de dood, het verleden en de liefde.

Aleid Truijens beschrijft deze ingrijpende periode die niet alleen 'zwaar' was glashelder, op beschouwende maar ook lichtvoetige toon, waarbij ze goedkope sentimentaliteit en emotionele kitsch weet te vermijden.

   

Wanneer hij zijn naam heeft gekregen, weten we niet precies. Ooit zag hij eruit als een poesje, maar de s was lastig uit te spreken. Zeker is dat hij elfeneenhalf jaar Iemand is. Voor die tijd verbleef hij, een knuffel met een labeltje, in het voorgeborchte, een plank in de babykamer. Op een dag legde Puck, toen drie, het grijze, mollige poesje naast haar pasgeboren broer Tom. Hij ligt er nog. Poefje.
Mollig is hij niet meer en het lichtgrijs werd vaal bruingroen. Zijn vacht sleet weg onder duizenden strelingen, zijn oren zijn bijna weggekruimeld, zijn pootjes vier platte, glimmende stroken stof. Hij stinkt. Een beetje gronderig, met een vleug nijlpaard, net als het haar van Tom, als het lang niet is gewassen. Heerlijk.
Met Poefje smijten of op hem zitten is streng verboden, hem koddige kleertjes aantrekken een belediging. Wassen is uitgesloten. Als je van achteren in zijn hoofd knijpt, lijkt hij verdrietig. Druk je op de zijkanten, dan is hij een geinponem. Trek je zijn verkreukelde kopje glad, dan kijkt hij verbaasd, een beetje dommig. Dat is zijn
ware aard. Poefje weet niks, maar begrijpt alles.

's Ochtends geeft de jongen die een vooraanstaand achtstegroeper is, spits bij Buitenveldert d5 en voor de donder geen mietje, hem een vluchtige kus. En nog een, en nog een. Het dekbed wordt zorgvuldig tot aan zijn snorharen getrokken. Dag Poefje, tot straks.

's Middags leest Poefje mee in de Voetbal International of doet hij een spelletje op de computer. Soms buigt hij zich over staartdelingen en breuken, al is hij beslist géén nerd. Poefje kent alle opstellingen van alle nationale elftallen van buiten. Komende winter breekt hij zich het hoofd over de middelbare-schoolkeuze.

's Nachts heeft Poefje Tom voor zich alleen. Uit hun kamer klinken zachte smakgeluidjes. Hij wordt tegen de Ajax-pyjama aangeklemd. Eén keer is Tom uit logeren geweest zonder zijn vriend. Niet omdat hij bang was uitgelachen te worden - dat benepen stadium zijn Poefje en Tom allang voorbij - maar omdat de angst dat Poefje onder de voet zou worden gelopen door tien schreeuwende jongens op een slaapfeest groter was dan de kwelling van een eenzaam verblijf in een slaapzak. Ware liefde kan een nacht zonder. Poefje komt zelfs voor in zijn dromen, zegt Tom.
Iedereen zou wel iemands Poefje willen zijn. Van veel mensen is niet half zoveel gehouden als van deze tweehonderd gram beduimeld katoen. Daar staat tegenover dat Poefje veel heeft meegemaakt.

Hij werd ettelijke keren bijna achtergelaten op morsige hotelkamers en natte campings. Hij bungelde uit een autoraampje, boven het asfalt van de A1, en zijn lot zou verschrikkelijk zijn geweest als niet vier mensen hem panisch, een fatale aanrijding riskerend, als één man terug naar de levenden hadden gegrist. Dat hele erge was ons al tien jaar eerder overkomen, toen Deki, de lieveling van Puck - ook wel Deki i, met zijn lekkere koude randjes -, voor altijd achterbleef in een toeristenbus. Pucks opa heeft nog in zijn beste Spaans een brief naar de busmaatschappij geschreven, waarin hij pleitte voor groepsgewijs uitkammen van alle voertuigen, maar het mocht niet baten. Dat nooit meer.

Poefje sliep vaak op F8 Noord van het Academisch Ziekenhuis. Wel honderd nachten. Alle artsen en verpleegkundigen kenden hem. Ha, Poefje! Waar Poefje was, kon Tom niet ver zijn. Hij mocht, nee moest mee, de kamer in waar dokter Taco - 'Dat is geen naam, dat is eten!' schreeuwde Tom nog vergeefs - elke dag de infuusnaald in Toms polsader drukte. Ook Poefje kende na een tijdje alle Bassie & Adriaanvideo's uit zijn hoofd. Hij werd fijngeknepen tijdens beenmergpuncties. Bij de ingang van de operatiekamer moest hij wachten.

Maar 's nacht was hij er weer, altijd. De eerste tijd mochten bezoekers alleen Toms kamer in als zij een gele jas aantrokken, een raar mutsje opzetten en een lapje voor hun gezicht bonden. Drie keer per dag kreeg Tom een ontsmette tandenborstel. Maar tussen de wasbleke jongen en de infuuspaal waaruit paars vocht zijn lijf indruppelde - Joop heette die paal, altijd een naam geven, zulke dingen - lag bacteriënbom Poefje. Zónder lapje.

Eén keer was hij kwijt, maar dat wisten we gelukkig niet. Lopend door lange ziekenhuisgangen troffen we ineens Poefje aan, zittend in een raamkozijn. Hij hief een slap handje. Hé Tom, je dacht toch niet dat ik ervandoor was? Kom op, zeg!
Zonder Poefje ging het niet. Hij was erbij, altijd. Die twee jaar lang, de jaren waarin de onheilsgeur van ziekenhuis zich in zijn rafelige lijf vermengde met die van snot, kots en chocomel. En alle jaren erna. Trouw als een hond. Poefje kan wat hebben.

Boekverslag op Scholieren.com

Qua stijl verdient Truijens alle bewondering : de licht ironische hier en daar zelfs sarcastische stijl zorgt voor prachtige zinnen. Een voorbeeld : Vrede is het vruchtwater, waarin wij hier, in de betere wereld, al zestig jaar zelfgenoegzaam ronddobberen. Of: Het kindje van de buren - dat ziek is- houdt je timide bij de les. Maar op een dag ben je zelf de buren”.Hoewel de ziekte van een kind gemakkelijk kan leiden tot sentimentele beschrijvingen van ellende, laat ze zich hiertoe niet verleiden. Het boekje verdient een groot publiek.

Bron: Scholieren.com

Verstuur het omslag als e-card

Bron: Covercards.nl

Discussietips op Vitaal.nl

Een boek over groot verdriet, zonder sentimentaliteit geschreven.

Bron: Vitaal.nl