BOEKEN

BOEK

De smaak van appelpitten

De smaak van appelpitten

Katharina Hagena

Na de dood van haar grootmoeder erft Iris het oude huis in de appelboomgaard. Na vele jaren staat ze weer op de magische plek van haar zomervakanties bij oma. Ze dwaalt door de kamers, de appelkelder en de tuin - door een wereld die niet van deze tijd is.

Na de dood van haar grootmoeder erft Iris het oude huis in de appelboomgaard. Na vele jaren staat ze weer op de magische plek van haar zomervakanties bij oma. Ze dwaalt door de kamers, de appelkelder en de tuin - door een wereld die niet van deze tijd is.

Maar wat moet ze met deze sprookjesachtige, evenzeer zoete als bittere herinneringen aan de ‘appelzomers’ van toen, waarin een stockoude appelboom maar liefst twee keer achtereen in bloei stond? En wat met al die verhalen over de tantes en hun vrijers, het nichtje Rosemarie op het dak van de veranda, grootvader en zijn dubieuze politieke avonturen en die knul die appels met pitten en al at? En wat moet ze überhaupt met dit oude huis in dit afgelegen dorpje? Om haar onrust te overmeesteren verzorgt ze haar grootmoeders graf, gaat zwemmen, kust de broer van een oude vriendin, scharrelt met potten en oude inmaaketiketten en werkt in de moestuin. Tot iets gebeurt, wat – ‘zo als alle bewegingen van het lot in onze familie’ - weer met een appel te maken heeft…

De smaak van appelpitten vertelt over drie generaties vrouwen, over de bedrieglijkheden van het herinneren en de (ambigue) kracht van de nostalgie. Katharina Hagena schrijft erover „ontroerend, sensueel en oergeestig”. Op een manier dat het vertrouwde opeens in een verrassend licht verschijnt. Niet voor niets hebben er meer dan een miljoen lezers intens deze appelpitten genoten.

   

Tante Anna stierf op haar zestiende aan een longontsteking die vanwege haar gebroken hart en de nog niet ontdekte penicilline niet te genezen was. De dood trad in op een late julimiddag. Toen Anna’s jongere zus Bertha vervolgens huilend de tuin in holde, zag ze dat met Anna’s laatste reutelende ademtocht alle rode aalbessen wit waren geworden. Het was een grote tuin, de vele oude bessenstruiken bogen door onder de zware vruchtenlast. Ze hadden allang geplukt moeten worden, maar toen Anna ziek werd, dacht niemand meer aan de bessen.

Mijn grootmoeder had me dat vaak verteld, want zij was destijds degene geweest die de treurende aalbessen had ontdekt. Sindsdien stonden er alleen nog zwarte en witte bessen in de tuin van mijn grootmoeder, en elke latere poging om een rode bessenstruik te planten mislukte, aan de takken groeiden alleen witte bessen.

Maar dat stoorde niemand, de witte smaakten bijna even zoet als de rode, bij het sap maken ruïneerden ze niet je hele schort, en als de gelei klaar was, had hij een bleke, glanzende, geheimzinnige doorzichtigheid. ‘Ingemaakte tranen’ noemde mijn grootmoeder het. En op de planken in de kelder stonden nog steeds potten in alle maten en soorten met aalbessengelei uit 1981, een bijzonder tranenrijke zomer, Rosmaries laatste. Een keer vond mijn moeder, op zoek naar ingemaakte augurken, een potje uit 1945 met de eerste naoorlogse tranen. Dat gaf ze cadeau aan de Molenvereniging, en toen ik vroeg waarom ze in vredesnaam oma’s heerlijke gelei aan een oudheidskamer ten geschenke gaf, zei ze dat die tranen te bitter waren.

Mijn grootmoeder Bertha Lünschen, geboren Deelwater, stierf tientallen jaren na tante Anna, maar toen wist ze allang niet meer wie haar zuster was geweest, hoe ze zelf heette en of het winter of zomer was. Ze was vergeten wat je met een schoen, een draad wol of een lepel moest doen. In de loop van tien jaar stroopte ze haar herinneringen af met dezelfde voortvarende luchthartigheid waarmee ze haar korte, witte krullen uit haar hals streek of onzichtbare kruimels op tafel bij elkaar veegde. Het geluid van de harde, droge huid van haar hand over de houten keukentafel herinnerde ik me beter dan haar gelaatstrekken.

Ook dat haar beringde vingers zich altijd stevig om de onzichtbare kruimels sloten, alsof ze probeerden de voorbijtrekkende schimmen in haar geest vast te houden, maar misschien wilde Bertha alleen maar de grond er niet mee vol kruimelen, of de mussen ermee voeren die in de vroege zomer zo graag in het zand in de tuin baadden en dan de radijsjes uitgroeven. Later was de tafel in het verzorgingshuis van kunststof, en haar hand verstomde. Voordat haar geheugen haar helemaal in de steek liet, bedacht Bertha ons in haar testament.

Mijn moeder Christa erfde het land, tante Inga de effecten, tante Harriet het geld. Ik, de laatste nakomeling, erfde het huis. De sieraden en meubels, het linnengoed en het zilver moesten tussen mijn moeder en mijn tantes worden verdeeld. Helder als regenwater was Bertha’s testament – en even ontnuchterend. De effecten waren niet veel waard, op het grasland van de Noord-Duitse laagvlakte wilde behalve koeien niemand wonen, het geld was niet veel, en het huis was oud.

Bertha moet zich hebben herinnerd hoezeer ik het huis vroeger had liefgehad. Van haar laatste wilsbeschikking hoorden we echter pas na de begrafenis. Ik was alleen gekomen, het was een verre, ingewikkelde reis met verschillende treinen: ik kwam uit Freiburg en moest het hele land door voordat ik ten slotte in het noorden van het dorp Bootshaven bij de halte tegenover het huis van mijn grootmoeder uit een bijna lege lijnbus stapte die vanaf een spookachtig station in een klein stadje door allerlei gehuchten was geboemeld. Ik was kapot van de reis, het verdriet en de schuldgevoelens die je altijd hebt wanneer iemand gestorven is die je liefhebt, maar niet goed hebt gekend.

Ook tante Harriet was gekomen. Alleen heette ze intussen niet meer Harriet, maar Mohani. Toch droeg ze geen oranje gewaden en had ze geen kaal hoofd. Alleen een ketting van houten kralen met het portret van de goeroe wees op haar nieuwe, verlichte staat. Met haar korte, hennarode haar en haar Reebok-sportschoenen zag ze er niettemin anders uit dan de rest van het zwarte gezelschap dat zich in groepjes voor de kapel verzamelde. Ik was blij tante Harriet te zien, al bedacht ik beklemd en onrustig dat ik haar dertien jaar geleden voor het laatst had gezien. Dat was toen we Harriets dochter Rosmarie moesten begraven. Die onrust was me heel vertrouwd, tenslotte moest ik elke keer dat ik mijn gezicht in de spiegel bekeek aan Rosmarie denken. Haar begrafenis was onverdraaglijk geweest, waarschijnlijk is het altijd onverdraaglijk als een vijftienjarig meisje moet worden begraven.

Dus verloor ik destijds, zoals ze me later vertelden, het bewustzijn. Ik herinnerde me alleen nog dat de witte lelies op de kist een warme, zoet-vochtige geur verspreidden die mijn neus dicht kleefde en blaasjes in mijn luchtpijp veroorzaakte. Ik kreeg geen lucht meer. Toen cirkelde ik weg in een wit gat.
Later werd ik in het ziekenhuis wakker. Tijdens mijn val had ik mijn voorhoofd opengescheurd aan de trottoirband, en dat gat moest worden gehecht. Boven mijn neuswortel bleef een litteken, een bleek merkteken. Het was de eerste keer dat ik flauwviel. Daarna ben ik nog vaak flauwgevallen. Vallen zit bij ons in de familie.


Download het fragment als PDF

'Mooi in Hagena's proza is de zinnelijkheid ervan: geuren, kleuren, schoonheid en onvervulde verlangens weet ze als het ware tastbaar te maken. Inderdaad, De smaak van appelpitten is een bijzonder boek.' - De Telegraaf

De smaak van appelpitten is puur genot!’ - Martin Walser

’Hagena vertelt op indrukwekkende wijze hoe het lot de meisjes en vrouwen de afgelopen decennia parten heeft gespeeld – en hoe het daarbij nogal onbeheerst te werk ging.’ – Die Zeit

‘Ongelooflijk goed geschreven, een literair superieur boek, briljant met een ingehouden stijl. Hoe is het mogelijk dat dit een debuutroman is! Dus: in ieder geval lezen.’ – Nürnberger Nachrichten

Interview op Athenaeum.nl

Na de dood van haar grootmoeder erft Iris het oude huis in de appelboomgaard. Na vele jaren staat ze weer op de magische plek van haar zomervakanties bij oma. Ze dwaalt door de kamers, de appelkelder en de tuin - door een wereld die niet van deze tijd is.

Bron: Athenaeum.nl

Bespreking door boekhandel Quist

Een nostalgisch, zomers boek over herinneren en vergeten, drie generaties vrouwen en een bijzondere tuin...

Bron: Quistboeken.nl

Recensie op Volkskrant.nl

Het geheugen schijnt een onbetrouwbare metgezel te zijn. Het werkt als een zeef: bepaalde belevenissen en ervaringen blijven erop liggen, maar andere vallen door de mazen en verdwijnen. Herinneren en vergeten lijken dicht bij elkaar te liggen. Alleen: waar verloopt de grens?

Bron: Kunst.Volkskrant.nl

Bespreking op Cultuurbewust.nl

De smaak van appelpitten doet eer aan de titel. De roman verleidt de lezer met eigenzinnige personages en meeslepende sfeerbeschrijvingen.

Bron: Cultuurbewust.nl

Videorecensie door Boekhandel Kramer

De smaak van appelpitten, een nieuw boek van Katharina Hagena. Drie generaties vrouwen. De jongste duikt in het leven van haar grootmoeder omdat zij het huis met de grote boomgaard erft.

Bron: Boekhandelkramer.nl