BOEKEN

BOEK

De macht over het stuur

De macht over het stuur

Jan van Mersbergen

Het leven van Ronnie heeft zo op het oog een beperkte horizon: zijn crossauto, bier, meisjes en zijn werk als hulpje in de bouw.

Het leven van Ronnie heeft zo op het oog een beperkte horizon: zijn crossauto, bier, meisjes en zijn werk als hulpje in de bouw. De gebruikelijke branie van hemzelf en van de jongens met wie hij verkeert, raakt plotseling vleugellam als Leon, hun ongekroonde leider, met zijn auto tegen een boom knalt. Alles komt in een stroomversnelling, die Ronnies leven binnen enkele dagen volledig uit zijn voegen tilt.

De crossauto, bier, meisjes en zijn werk als hulpje in de bouw - daartoe beperkt de wereld van Ronnie zich. De gebruikelijke grootspraak van hemzelf en zijn vrienden slaat plotseling nergens meer op als Leon, hun ongekroonde leider, met zijn auto tegen een boom knalt. Het onvermogen te praten over zichzelf en wat hem overkomt, leidt tot wurgende dagen - de trillende boor in zijn handen tijdens het werken zegt meer dan er aan woorden uit zijn mond kan komen. De begrafenis van Leon valt samen met de jaarlijkse kermis in het dorp, normaal een welkom verzetje, maar nu een beangstigend festijn. Een van de kermisklanten is bovendien een jongen die vanwege zijn natuurlijke charme en - niet minder belangrijk - zijn opvallende auto alle jongens uit het dorp naar de kroon steekt. Ook Ronnie ontsnapt niet aan diens uitstraling.

Ook verkrijgbaar als eboek

   

Zeven dagen na het ongeluk van Leon zag hij de kermiswagens het dorp inrijden. Ze kwamen uit het noorden, van de provinciale weg, en langzaam reden ze hem tegemoet, tussen de huizen door, waar de hitte van de dag nog hing. Eigenlijk wilde hij wegrijden voordat de wagens bij het kruispunt zouden zijn, maar iets weerhield hem ervan. Hij kwam achter het stuur van zijn auto vandaan, leunde op het portier en wachtte. Zijn schoen schraapte over de tegels van de oprit.

Zijn aandacht werd niet getrokken door het schommelende lint van vrachtwagens met grauwe zeilen, van keten, van auto's met huizen op wielen erachter. Zelfs van de metalen armen van een spin die boven de andere wagens uitstaken, haast even hoog reikend als de bomen langs de straat, keek hij niet op. Het was een donker motorgeluid dat hem dwong te kijken, een geluid dat hij herkende en dat toch onbekend voor hem was. Het steeg op vanachter de stoet, ritmisch, zwaar en krachtig, en het kwam ongeduldig dichterbij alsof het de complete kermis het dorp door wilde duwen.

Toen de eerste wagen de bocht voor het huis nam kwam zijn zusje door de garage aanlopen en hij zei: Moet je kijken, Lin.
Ze liep om de auto heen, ging voor hem op de motorkap zitten en zei: Is dat de kermis al?

Daar zul je ze hebben, zei hij.
De karavaan krulde zich om de lantaarn die op het kruispunt stond, gleed door het licht. Het geluid naderde, werd sterker. De zon was verdwenen achter de horizon van daken en schoorstenen. De lucht boven het dorp werd donkerblauw. De mannen die de auto's bestuurden en de bijrijders waren schimmen, met de oranje gloed van dashboardlichtjes op hun gelaat. Voor de ramen van de caravans hing vitrage. Lin wees naar een vrachtwagen met een oplegger en zei: Dat is de Rollerbob.

De oplegger was zeker vijftien meter lang, misschien wel twintig. Op het zeil stond een afbeelding van vliegende schotels die om een ruimteschip bewogen. De naam stond eronder geschreven. Alles leek te draaien, zelfs de letters. Moeizaam rolde hij de bocht om. De chauffeur stuurde langzaam, keek voortdurend in zijn zijspiegels.
Ben jij daar vorig jaar niet zo misselijk in geworden? vroeg hij.
Dat was niet vorig jaar.

Hij keek naar zijn zus. De hakken van haar schoenen stonden op het profiel van het voorwiel. Haar handen hield ze op de verhoging van de motorkap, op het rood. Haar ogen draaiden even in zijn richting, toen keek ze weer naar de straat.

Op de laatste vrachtwagen stond met grote letters Lucky Cranes geschreven, en achter die wagen klonk het pompende geluid van de motor. Het galmde tussen de huizen. Hij voelde het ritme van de cilinders kloppen in zijn keel. De vrachtwagen ging de hoek om en een Alfa 33 verscheen, een gele, met de typische omgekeerde driehoek boven de bumper, en twee paar koplampen. Hoewel de auto het tempo van de andere kermiswagens aanhield deed hij de klinkers in de straat en de tegels van de oprit trillen. Hij had brede banden, donkere ruiten en een lange antenne. Vanaf de neus liep een lijn schuin omhoog naar de achterkant, alsof het geluid van de motor niet genoeg was en ook de vorm van het blik snelheid uit moest stralen. De auto reed onder de straatlantaarn door en het geel flitste even op. Het geluid veranderde van hoog naar laag, grommend, de uitlaat kuchte, en hij dacht: Die heb ik niet besteld.

Denk je dat die er ook bij hoort? vroeg Lin.
Natuurlijk.
Hoezo?
Als ie er voorbij had gewild dan had ie dat allang gedaan.
Hij keek de auto na. De achterlichten brandden breed en rood, ze knipperden tussen de bomenrij door die de straat naar het grasveld in het midden van het dorp leidde. Hij probeerde het laatste brommen in de verte te horen en toen alles weer stil was zei zijn zusje: Waren het er nou meer dan de vorige keer?
Hij haalde zijn schouders op, zijn mond vertrok.
Wat denk je?

Ieder jaar komen ze met dezelfde dingen.
En die tent, die komt toch ook?
Die zat hier niet tussen.
Volgens mij waren het er meer, zei Lin.
In ieder geval is dat draaiende apparaat waar jij vorig jaar zo in moest kotsen er ook weer.

Dat was het jaar daarvoor.
Lin keek hem aan. Haar blonde haar hing zacht en glanzend over haar schouders. Ze leunde achterover op de motorkap en hief haar kin zoals ze vrouwen in films had zien doen, en zo keek ze ook naar hem. Ze zei: Die auto van daarnet, hè, dat was nou echt een mooie auto, Ronnie.
De mijne is zwaarder. Hij tikte op het dak, streek met zijn hand over de carrosserie, over het gladde rood dat het zonlicht van die dag geabsorbeerd had.
Ik had het over de kleur, zei ze.
Kleur?

Ja, een mooie kleur.
Hij ging achter het stuur zitten, sloeg het portier dicht en mompelde: Hij is goddomme geel.
Hij startte de auto. Lin keek hem aan en hij gebaarde dat ze op moest stappen. Even drukte hij met zijn voet op het gaspedaal en de motor bromde. Ze trok haar benen op, hield zich met een hand vast aan de ruitenwisser en met de andere aan de carrosserie boven het wiel. Ze lachte uitdagend naar hem. Hij draaide het raampje open en vroeg: Blijf jij daar zitten?
Ze knikte.

Dan moet je het zelf weten.


Download het fragment als PDF

'In dit werk zoemt en lispelt een grote woede.' - Kees 't Hart