Charlie Johnsons laatste woord

BOEKEN

BOEK

Charlie Johnsons laatste woord

Charlie Johnsons laatste woord

Michael Ignatieff

Zijn boek toont indringend aan dat de oorlog alles verwoest en aanvreet, ook de waarden en de morele integriteit van een Charlie Johnson.

Wat moet er gebeuren tot iemand al zijn ervaring en behoedzaamheid laat varen en tegen alle redelijkheid in elk risico aangaat? En op welk moment gebeurt dat?
In het leven van de oorlogscorrespondent Charlie Johnson is dat nauwkeurig aan te geven: op de onscherpe still is de commandant duidelijk te herkennen. Die trekt de hand waarin hij zijn aansteker houdt, terug, en een jonge vrouw uit Kosovo die in lichterlaaie staat, rent op de camera af; haar krijsen is bijna letterlijk hoorbaar.
Het volgende ogenblik heeft Johnson haar al op de grond gegooid om de vlammen te doven. Vanaf dit moment zet hij alles op het spel om de commandant op te sporen. Voor zijn redactie in Londen en zelfs voor zijn gezin is hij vanaf dat moment niet langer bereikbaar.

Michael Ignatieff zou niet de internationaal bekende romanschrijver en essayist zijn, als hij alleen maar een indringende en genuanceerde roman over de oorlog in Kosovo had geschreven waarin een ervaren oorlogscorrespondent zijn neutraliteit opgeeft en zich in de oorlog mengt. Zijn boek toont indringend aan dat de oorlog alles verwoest en aanvreet, ook de waarden en de morele integriteit van een Charlie Johnson.

   

Toen Charlie de helikopter zag, wist hij dat alles goed zou komen. Het toestel landde vlak naast de tenten van de vluchtelingen op het stoppelveld dat bezaaid lag met vuilnis, en was zo dichtbij dat hij met zijn handen haar gezicht moest beschermen tegen de wolken stof en afval die door de rotors werden opgeworpen. Charlie voelde zich weer jong - alsof het Danang in '71 was - toen hij de hospikken hun riemen los zag maken, de brancard naar buiten zag zwaaien en in elkaar gedoken onder de rotors door zag rennen. Ze hadden helmen op, twee jonge Amerikaanse gezichten achter brillen met zonneklepjes, en met het insigne van de Zesde Vloot op hun schouders. Charlie wist dat het belachelijk was, maar hij kreeg tranen in zijn ogen bij het idee dat ze nu veilig onder de hoede van de wereldmacht waren.

Ze knielden naast haar neer, een van hen controleerde het infuus dat Jacek omhooghield en stak zijn duim naar hem op, terwijl de ander haar hartslag opnam, vingers op de halsslagader, blik op zijn horloge, waarna hij zijn maat vanachter zijn zonnebril een korte ondoorgrondelijke blik toewierp. Toen trok hij haar kleren op tot aan haar schouders en keek zonder een spier te vertrekken onderzoekend naar de wond. Ze bekommerden zich niet om Charlies handen, die zo dik in het verband zaten dat hij zich een kind voelde met wanten aan die vier maten te groot waren. Geweldig hoe snel ze waren, hoe ze zich tot het belangrijkste beperkten, hoe ze haar op de brancard tilden met getrainde behendigheid, een-twee-drie, zorg omgezet in effectief handelen. Toen renden ze gebukt naar de heli, met Charlie fladderend achter hen aan, zijn handen voor zich uit gestoken, terwijl Jacek Charlie zo'n beetje vasthield zodat hij zijn evenwicht niet zou verliezen.

Omdat Charlie het zelf niet kon, zetten ze hem een radiohelm op het hoofd en snoerden hem in de gordels naast de brancard. De hospik schudde 'nee' naar Jacek, die teleurgesteld keek maar achteruitweek, in elkaar dook en zich omdraaide. Toen ze opstegen - de brancard door de deur op zijn plaats gehouden en Charlie op de klapstoel ernaast - kon hij niet anders dan met zijn pandahanden naar Jacek zwaaien, die, terwijl de helikopter aan hoogte won, steeds kleiner werd en om zijn as leek te draaien, zijn lange, blonde haren wapperend in de rotorwind, moederziel alleen in het veld.

De hele lange nacht had ze liggen kreunen en met haar hoofd heen en weer gerold, maar nu zweeg ze en hield ze haar ogen gesloten. Hij nam aan dat ze geen pijn meer voelde, dat haar vermogen om pijn te voelen weggeschroeid was. Een van de hospikken had op een onaangetast stuk van haar linkerarm de verschroeide stof van haar jurk weggeknipt en gaf haar een injectie. De ander trok Jaceks infuus eruit en legde een nieuwe aan. De heldere vloeistof steeg op en liet zout en glucose in haar aderen stromen.

Buiten, in het veld, was het hem niet opgevallen, maar hier in de helikopter merkte hij dat ze stonk. Een mengsel van vrouwelijkheid, zweet, urine en de zoetige lucht van verschroeid vlees. Ze konden daar onderweg niets aan doen, en aan wat ze via de radio aan de basis doorgaven viel niets toe te voegen. Hij hoorde het gepraat door de koptelefoon en voelde zich gesterkt door hun soldateske stemmen: een vrouw, twintig à vijfentwintig jaar, in burger, derdegraads op vijfentwintig procent, geen zicht op overige verwondingen tot nader onderzoek, en toen een stel gegevens over polsslag en bloeddruk die Charlie niets zeiden en nog wat heen en weer gepraat ter voorbereiding van haar komst. Een goed gevoel: ze stonden al op haar te wachten, de traumatologen van de marine, in een glanzend witte operatiekamer.

Charlie wilde dit tegen haar zeggen, maar ze hadden geen gemeenschappelijke taal en het lawaai van de heli maakte iedere communicatie onmogelijk. Trillend en schuddend vlogen ze wolkenbanken in en uit, en toen haar ogen weer opengingen, gloeiden ze zacht op in het flikkerende licht. Ze tuurde omhoog naar het grijsgroene isolatiemateriaal aan de binnenkant van de heli, keek naar de kronkels van de radiosnoeren die in hun helmen verdwenen en schudde mee met de schokken van het toestel, dat in noordelijke richting voorthotste. Toen keek ze naar hem en bleef hem aankijken, uitdrukkingsloos. Hopelijk besefte ze dat haar redding nog maar een paar minuten op zich zou laten wachten. Hij pakte haar niet-geblakerde hand en bleef die weer vasthouden tussen zijn omzwachtelde handen.

Het enige dat ze gemeen hadden was de herinnering aan wat ze hadden meegemaakt. Maar dat was genoeg. Al hadden ze wel met elkaar kunnen spreken, het hoefde niet. Nu het einde van haar lijden in zicht was en de redding nabij, kreeg ze door haar shocktoestand een wazige blik. Haar ogen vielen dicht, Charlie liet haar los en schoof iets achteruit omdat hij door de stank bijna moest kokhalzen. Hij hapte naar lucht en draaide zijn hoofd naar het raam.

Ze hadden gedaan wat ze konden - of liever gezegd, Jacek had gedaan wat hij kon: het infuus aanleggen, het verband uit de eerstehulpdoos met repen van zijn t-shirt vastzetten op haar rug. Ze hadden per satellietverbinding de helikopter opgeroepen en de hele nacht bij de jeep gewacht. Omdat hij niet wist wat hij anders moest, had Charlie haar hand vastgehouden toen ze bewusteloos was van de pijn. Het was afschuwelijk geweest om te moeten wachten tot het licht werd en het zou opklaren. 'We staan klaar om op te stijgen, maar kunnen geen hoogte maken,' zei de vluchtleiding steeds weer via de satelliettelefoon. 'Klaar om op te stijgen, rot op.

Hoogte maken, rot op. Hier komen!' had hij geschreeuwd, en toen de hoorn erop gesmeten. Doorgaans was het een oppepper voor Charlie om zich te laten gaan in gerechtvaardigde woede, zoals George C. Scott het deed in de rol van Patton, maar deze keer had hij bij het neersmijten van de hoorn zo'n pijn aan zijn handen dat hij het had uitgeschreeuwd. Toen had Jacek hem de telefoon afgenomen, en of het nu aan Jaceks Poolse geduld of aan zijn gebeden had gelegen, vrij snel daarna kregen ze toestemming op te stijgen. Nog een uur, dan zou er redding zijn, en wát voor redding: het beste wat de Amerikanen op het gebied van traumatologie hadden, in tenten op het vliegveld. Charlie kende de plek, een maand geleden had hij er een paar mensen van de Jordaanse vredesmacht geïnterviewd die in een mijnenveld terecht waren gekomen en er weer opgelapt werden. Degenen die nog konden praten, degenen van wie meer over was dan een in verband gehulde homp vlees die met een hart-longmachine in leven werd gehouden, ze hadden hem allemaal verzekerd dat deze artsen de beste waren. Zij zou dus ook de besten krijgen.

Als ze eenmaal in veiligheid waren, als het wat beter met haar ging, zou hij haar vertellen hoe goed ze zich had gehouden terwijl ze, verbrand en gewond als ze was, in het donker over het karrenspoor vanuit de vallei waar haar huis had gestaan omhoog klauterde en struikelde naar de bossen aan de andere kant van de grens, tot aan de rand van het vluchtelingenkamp. Ze was maar één keer bezweken, ging zonder een kik te geven onderuit, als een sjaal die op de grond valt. Charlie had niets kunnen doen vanwege zijn handen, maar Jacek en Benny hadden elkaars polsen gepakt en haar zo, zittend, meer dan een kilometer gedragen, totdat ze op vlak terrein kwamen. Hij was vol bewondering voor Jacek, die met de kiezen op elkaar haar gewicht had getorst. En Benny, tja, Benny was in staat om tot in de eeuwigheid in het donker een lichaam bergopwaarts te dragen. Toen ze haar neerzetten, was ze blijven staan en toen gewoon weer doorgelopen, het pad af, alsof ze wist dat ze maar één kant op kon als ze zichzelf in veiligheid wilde brengen.

Ze zal het pad wel goed gekend hebben. Het begon pal tegenover haar huis aan de andere kant van de weg, in de bossen aan de rand van haar dorp. Alleen zullen daar vóór de oorlog geen honden, sluipschutters en patrouilles geweest zijn. Het was gewoon een pad, een van de tientallen paden die de herders gebruikten. Toen de oorlog uitbrak zal ze de strijders - haar strijders - gehoord hebben als die 's nachts over het pad liepen, vanaf het plateau aan de andere kant van de grens langs haar huis, om het op te nemen tegen de blauwe rupsvoertuigen en de militie-eenheden in de vallei. En nu, in uiterste nood, heeft ze waarschijnlijk gedacht: mijn bekendheid met de omgeving zal me redden. Ik zal deze buitenlanders de weg wijzen zodat ze niet verdwalen, en als we boven zijn zal iemand een eind maken aan deze pijn. Dus toen Jacek en Benny haar hadden neergezet, liep ze voorop. Een zwaargewonde vrouw had hen in het donker in veiligheid gebracht.

De shock was te hevig geweest, ze had te veel pijn om achterom te kijken. Haar huis brandde tot de grond toe af, haar dorp stond in lichterlaaie. Charlie wist wat zij nooit te weten moest komen, wat ze nooit zou moeten zien: de manier waarop de handen voor het gezicht werden geslagen, het lichaam ineenkromp en de benen ingetrokken werden in een vergeefse poging zich tegen de vlammen te beschermen. Als ze hem zo had gezien, haar eigen vader, was ze misschien gaan liggen en had het opgegeven. Maar nu bleef ze doorlopen naar boven. Ze bleven haar water geven, en zij bleef maar lopen. Ze hadden niet gedacht dat ze het zou halen, maar het was gelukt.

'De vaardige pen van Michael Ignatieff leidt tot een roman met een verbijsterende openingsscène en een meeslepend slot.' - Times Literary Supplement

'Charlie Johnson is een Hamlet in oorlogstijd. Het zijn de nauwkeurige details die in deze roman zo overtuigend zijn, en de genuanceerde stijl, die - opnieuw - de superioriteit van de schrijver Ignatieff aantoont.' - Telegraph

'Charlie Johnsons laatste woord is alles behalve een vrolijk boek en toch heb ik bij de lectuur een aantal keer een glimlach niet kunnen onderdrukken. Ik ben er vrij zeker van dat dat niet in Michael Ignatieffs bedoeling lag. Charlie Johnsons laatste woord is namelijk een bloedernstige roman over bloedernstige feiten. Goddank is het ook een goedgeschreven, heldere roman, anders was het een draak geworden. Charlie Johnsons laatste woord stelt belangrijke vragen over de ethiek van oorlogsjournalistiek. Volgens Jaceks wijze vrouw magda, is het onmogelijk om door het oorlogsgeweld niet te worden aangetast. Verlossing, zegt ze, is alleen nog mogelijk door geweld. Geweld moet door geweld worden gezuiverd. Ignatieff stuurt de lezer met vaste hand door dit ethische doolhof naar het onvermijdelijke tragische einde.' - Vrij Nederland