Badhuisweg

BOEKEN

BOEK

Badhuisweg

Badhuisweg

Hans Croiset

Zo op het oog lijkt alles vredig aan de Badhuisweg: de jongen is intelligent, beleefd en gemakkelijk in de omgang, en de familie heeft de oorlog bijna ongehavend overleefd. Maar als je vader een beroemd acteur is en jijzelf ook acteur wilt worden, is het leven één grote beproeving.

De vader ziet in zijn zoon al snel het talent. En hij moet en zal hem altijd overtreffen. Wat hij met zijn quasivriendelijke maar vernietigende opmerkingen niet voor elkaar krijgt, namelijk zijn zoon in een zo groot mogelijk ongeluk storten, bewerkstelligt de laatste zelf met bravoure: hij wordt een meester in de zelfvernedering. Leven met lijf, hart en ziel kan hij alleen in (toneel)rollen. En die speelt hij wanhopig, zonder afstand, met volledige inzet – en weldra met zo’n groot succes dat hij zijn vader dreigt te overvleugelen.

Die neemt de wapens op en verhindert met intriges, die je eerder in een toneelstuk zou verwachten, dat zijn zoon mag spelen in het klassieke vader-zoon drama bij uitstek. Koning Lear, het stuk waarin de zoon de tirannieke vader vernietigt.
Hans Croiset ziet in zijn autobiografische verhaal niet om in wrok, maar eerder met distantie en verfijnde ironie. Hij heeft een groots, klassiek verhaal geschreven, waarin ook de echo’s van de tijd in alle nuances doorklinken.

Vóór het doek twee mannen in een drama zo oud als de mensheid zelf: vader en zoon, onontwarbaar in elkaar verstrikt.

   

Omdat mijn vader mij een paar maanden toneelles had gegeven, en er niet zeker van was of ik wel talent had – wat is talent bij een zestienjarige puber? – stuurde hij mij naar een bekende toneelspeler, een collega en vriend van hem, met het verzoek om mij een paar lessen te geven. Ik had die speler vaak gezien op de zondagmatinees die ik met mijn broertje een paar seizoenen bezocht, verschillende voorstellingen wel drie keer. Van het oordeel van deze man zou afhangen hoe het verder met mij zou moeten, zei mijn vader: auditie doen bij de Haagsche Comedie voor een plek als volontair, of als dat niet zou lukken, toch in ’s hemelsnaam maar naar de Amsterdamse Toneelschool.

Dat wilde ik zelf wel want dan kreeg je behalve een officieel diploma ook een vast engagement van twee jaar bij een van de grote Nederlandse toneelgezelschappen, het liefst natuurlijk bij de Haagsche Comedie. En als dat allemaal niet zou lukken kon ik me nog altijd bij een reizend groepje spelers aansluiten dat de werkkampen in de polders afstroopte – ja, mijn vader had overal een oplossing voor. Als het maar niet de Toneelschool werd, dat voelde ik aan alles.

Die bekende toneelspeler vond het leuk, dat verzoek van zijn collega. Toneelspelers praten tijdens de repetities veel over hun kinderen met elkaar, misschien om een voet aan de grond te houden in hun spelende bestaan, waarin kinderen nauwelijks voorkomen. Al zijn ze gescheiden, al zien ze hun kinderen nooit, al laten ze de opvoeding over aan huishoudsters en oma’s, al rollen ze van de ene verovering in de andere – toch willen ze de indruk wekken dat ze in het achterhoekje van hun bestaan ook normale mensen zijn, wat ze natuurlijk niet zijn.

Ik moest van mijn vader zelf de afspraak maken. Hij wist heel goed dat ik geen held in het telefoneren was en er vreselijk tegenop zag om zomaar een onbekende op te bellen.

‘Wie durft er nou niet te telefoneren,’ zei hij keer op keer, ‘komt er soms vuur uit?’ Pas na een lange week van dralen en plagerige aansporingen kwam de afspraak met veel gestotter tot stand. Op een vrije woensdagmiddag fietste ik naar het huis van de bekende toneelspeler in een zijstraat van de Waalsdorperweg. Bob de Lange heette hij, maar die naam had voor mij geen enkele betekenis, hij was gewoon een toneelspeler, een hele mooie toneelspeler, en een hele bekende toneelspeler in de stad waar ik woonde, Den Haag. Hij had een bijzondere stem, een stem als een fagot uit het Residentie Orkest. Mijn vader had geen toneelstem, geen stem als een muziekinstrument. Mijn vader was mijn vader.

Toen hij mij binnenliet deed de bekende toneelspeler boven aan de trap of hij een van de twee mannetjes uit de Revisor van Gogol was, die hij samen met mijn vader speelde. Was dat om mij te verrassen, of voor de gek te houden? Ik had die voorstelling al drie keer gezien, de bekende toneelspeler speelde zijn rol iedere keer een klein beetje anders, en nu boven aan de trap speelde hij weer een beetje anders. Mijn vader speelde steeds op dezelfde manier, waardoor ik hem almaar beter vond worden, maar bij de bekende toneelspeler was het onverwachter. Vreemd, die twee manieren van spelen.

Zijn vrouw was vast geen toneelspeelster, ze sprak heel zachtjes en ze was ook heel vriendelijk. Alle toneelspeelsters die ik tot nu toe had ontmoet spraken allemaal ietsje luider dan gewone mensen, ik wist niet zeker of ik dat prettig vond. Ik werd een huiskamer binnengeleid die vol stond met zwaar donker meubilair, maar omdat de zon er stralend naar binnen scheen hing er toch een vrolijke sfeer. Het was er zo vol dat ik geen idee had waar ik straks moest gaan staan om mijn voordracht te houden, misschien tussen die twee kastjes, daar was nog wat ruimte, of misschien wel in een andere kamer, dit hier was vast een ontvangstsalon. Mijn vader had geen ontvangstsalon op de Regentesselaan, een ontvangstsalon was helemaal niet nodig, er kwamen nooit andere mensen bij ons op bezoek. Eén keer had ik thuis een vreemde gezien en toen was het huis meteen helemaal vol.

Tussen die chique meubels voelde ik me belachelijk in mijn te korte lange broek. Het leek wel of ik slecht gekleed in een chique etalage van Pander op het Noordeinde stond, ook omdat er een knoop aan mijn bloes ontbrak. De toneelspeler en zijn stille vrouw hadden dat natuurlijk meteen gezien. Zouden ze kinderen hebben? Vast niet.
Zou ik lesgeld moeten betalen? Moest ik daar niet eerst over beginnen? En zo ja, hoeveel dan? En zou ik dat wel kunnen betalen, want veel zakgeld kreeg ik niet. Ik woonde pas sinds kort bij mijn vader, dus over zakgeld durfde ik niet te praten, daar was de atmosfeer te grimmig voor.

Er werd thee geserveerd op een zilveren dienblad vol met kopjes en schotels en blinkend zilveren kannetjes, eentje met melk en eentje met heet water en schaaltjes met verschillende soorten koekjes, allemaal verleidingen. Omdat ik kampioen van Scheveningen was in het laten vallen en omgooien van breekbaar servies, maakte ik heel bescheiden geen gebruik van de suiker, de melk en koekjes. Het kopje trilde wel dreigend op zijn schoteltje, maar dat was gezien de spanning verantwoord en op zijn minst interessant. De thee was heet, niets laten merken, een beetje verbrande tong was vast een inspirerende handicap bij het voordragen.

'Dit boek geeft niet alleen een indringend beeld van het leven van een acteur maar ook van het toneelmilieu waarin hij verkeerde. Het is af en toe wat warrig geschreven, maar het boeit toch, vooral door de menselijke toon.' - NBD|Biblion

'Een autobiografie met de allure van een roman.' - Algemeen Dagblad

'Badhuisweg is een genadeloos zelfportret.' - Het Parool

'Badhuisweg levert interessante informatie op over de Nederlandse theatergeschiedenis van de laatste vijftig jaar, over de onzekerheden van het vak en de persoonlijke hoogtepunten in Croisets spel, door de auteur 'verdwijnmomenten' genoemd.' - De Telegraaf
 

Verstuur het omslag als e-card

Bron: Covercards.nl

Hans Croiset bij De Avonden

Begin september sprak Anton de Goede al even met de derde interviewgast in De Avonden deze week: Hans Croiset (1935), acteur, regisseur, toneelleider en sinds 2008 schrijver. Dat laatste was aanleiding om hem toen, tijdens het boekenevenement Manuscripta, te interviewen over de relatie tussen literatuur en theater.

Bron: Avonden. Radio6.nl

Bespreking op Recensieweb.nl

De in 1935 geboren Hans Croiset beschrijft in Badhuisweg zijn ontwikkeling als acteur en regisseur, waarbij Shakespeares stuk King Lear in verschillende levensfasen terugkomt: van de eerste keer dat Croiset in de rol van Gekke Tom kroop tot het moment dat hij zelf als koning Lear op het toneel schittert.

Bron: Recensieweb.nl