BOEKEN

BOEK

Dat is wat ik bemin

Dat is wat ik bemin

Isabelle Rossaert

De betoverende geschiedenis van een liefde die nooit heeft kunnen bestaan, en van de poging daarmee in het reine te komen.

Wanneer op een vroege morgen de mannen van Cucuron, aan de voet van het ruige Luberon-gebergte, de jacht op een bijzonder groot everzwijn openen en Max niet komt opdagen, zoeken ze er niets achter en vertrekken ze zonder hem. Na hun eerste schoten, hoog op de bergrug, horen ze een schreeuw – maar niet van een everzwijn.

Valérie is de laatste in het dorp die Max levend heeft gezien, de avond voor het jachtongeval. Het duurt een jaar tot ze beseft waarom ze naar Parijs vertrok: ze moest afstand van hem nemen. Had ze zijn laatste woorden, die hij haar die avond toefluisterde, wel begrepen? Had ze wel door dat hij zijn toekomst niet zonder haar voor zich zag? Haar geboortedorp werd te benauwd voor Valérie, en ze gaat aan de Sorbonne studeren. Maar Max en het everzwijn laten haar niet los.

Jean-Michel, die Valérie in Parijs leert kennen, reist naar Cucuron en probeert in het dorp aan de hand van de geruchten, roddels en verhalen te reconstrueren wat er die ochtend op de berg daadwerkelijk is gebeurd. Dat is wat ik bemin is een boek over schoonheid op onverwachte plaatsen en over het ontstaan van mythes en legendes. Bovenal is het een sfeervol romandebuut over de levensreddende kracht van verhalen – omdat het idee van wat had kunnen zijn, meestal sterker is dan iedere realiteit.

Ook verkrijgbaar als eboek

   

Ik heb van je gedroomd vannacht. Ik zag je liggen, een gewond dier. Ik had je willen aanraken, je hand vastnemen, mijn hand op jouw hart leggen en het voelen kloppen. Maar in het zwart van je ogen zag ik een gier weerspiegeld die al zijn trage cirkels maakte. Trage cirkels boven de Mourre Nègre. De afschuw maakte me wakker.

Ik heb van jou gedroomd. Toen ik me over je heen boog, lag er een glimlach om je lippen. Het was een flits, en toen was het voorbij en wist ik dat ik gewoon in Parijs was, in mijn bed lag, en wakker was geworden. Maar ik voelde een scheur in mijn borstkas, ik voelde duizend mieren die van binnenuit mijn hart opvraten.

Ik probeerde mijn ogen gesloten te houden, de droom af te maken. Ik probeerde jou te zien, jou te zeggen dat je dit niet mocht doen, dat je voor jouw leven moest kiezen. Ik probeerde opnieuw je hand in mijn hand te voelen, maar het lukte niet. Het beeld vervaagde. Er bleef alleen dat bijten, dat krioelen in mijn borstkas. Het leek alsof je me had willen zeggen: ik heb dit voor jou gedaan. En ik wil dit niet. Dit heb ik niet gewild.

Het kostte me moeite om op te staan. Ik ben koffie gaan drinken op een terras in de Rue Mouffetard. Ik ben de kerk van Saint-Etienne-du-Mont binnengegaan, naar de kaarsen gaan kijken bij het schrijn van Sainte Geneviève. Ik heb geprobeerd tot rust te komen in de middeleeuwse tuin van het hotel de Cluny. Bij het parkje voor het museum heb ik over de schoen van Montaigne gewreven, over die gekke damesschoen van hem die steeds meer gaat blinken van het vele wrijven en ik heb hem in de ogen gekeken, zoals ik vaak doe, als ik eraan herinnerd wil worden hoe voorbijgaand alles is. Ik heb over de kade van de Seine gelopen, langs de eindeloze rij boekenstandjes tot aan de Pont Neuf, en daar heb ik lang, heel lang, naar het kolkende water gekeken, maar niets hielp.

Het is een warme dag vandaag. Mijn voeten zijn beurs van het stappen. Bij Dubois, naast het panthéon, waar ik zo graag naar de kleurpotloden en pastelkrijtjes kijk, heb ik dit schrift gekocht. Ik zit bij Patrice. Straks dien ik hier op, maar ik heb nog even tijd. Binnen spelen ze Cassandra Wilson. ‘Love is blindness’ En ik schrijf. Ik wil jou schrijven.

De dagen zijn lang nu de colleges nog niet begonnen zijn. Iedereen is weg, naar familie op het platteland, naar zee. Genieten van de nazomer. Ik blijf in Parijs. Ik kom niet meer terug. Je moet begrijpen dat dit hier mijn leven is. Daarover wil ik jou schrijven. Over hoe mijn leven hier is. Dat het altijd de bedoeling was dat dit mijn leven zou zijn. Ik had nooit je vrouw kunnen worden.

Zondag 7 september

De zon begint al te zakken, er hangt een dampig licht in de straat. De muren zijn warm. Het blijft hier lang warm op dagen als vandaag en hoe later het wordt hoe beter de jazz die Patrice draait.

De droom is nog niet uit mijn gemoed verdwenen. Ze blijft knagen.

Laat ik je vertellen over de eerste keer dat ik Parijs bezocht. Ik was dertien en mijn ouders hadden me meegenomen. We hadden een hotel met zicht op de Eiffeltoren. We wandelden over het plein voor het Trocadero met zijn manshoge gouden standbeelden. We bezochten het Louvre. Ik herinner me hoe teleurgesteld ik was toen we voor de Mona Lisa stonden. Je moet goed turen, tussen de vele bezoekers door, om er een glimp van op te vangen en het schilderij was veel kleiner dan ik me had ingebeeld. Het was zo weinig magisch. Ik kon niet begrijpen waarom dit het beroemdste schilderij ter wereld was. Ik had verwacht betoverd te worden.

We bezochten Mont-Martre, wandelden voorbij de Bateau-lavoir. Mama vertelde dat Picasso er had gewoond toen hij nog verschrikkelijk arm was.

Op de Place Saint-Michel, ’s nachts, verkocht iemand fluorescente buisjes die je om je hals kon sluiten als een halssnoer van groenig licht. Iemand anders verkocht plastic duiven die je kon opwinden en die vlogen. Het klapwiekende geluid dat ze maakten leek precies op dat van de echte duiven op en rond de fontein. Ik kreeg het halssnoer. In het Quartier Latin aten we bij een Griek waar de ober me behandelde als een prinses. Mama en papa dronken wijn uit een fles met een asymmetrische buik en dikke ribbels in het geblazen glas waar de vingers van een volwassen hand tussen pasten, een fles met een greep. Ik vond ze zo mooi, ik kreeg ze mee. De ober had de flessenhals met zilverpapier afgesloten, zodat er geen restjes wijn zouden lekken op mijn jurk.

Probeer je mij in te beelden, toen. Het was een jurk van lichtblauw Indisch katoen, met op het korte bovenlijfje een geborduurde bloem. Mama had ze voor me gemaakt. Ik weet nog goed dat het die jurk was, want dat is de herinnering die ik heb vastgehouden van mijn eerste bezoek aan Parijs.

Het is nacht. Ik zit in de metro met op mijn schoot die vreemde fles die ik met mijn twee handen omklem. Een man die op een bankje schuin tegenover me zit kijkt naar mij. Ik zie dat hij het hele verhaal ziet –ik, de eerste keer in Parijs, met mijn ouders, met die fles op mijn schoot, met dat lichtgevende halssnoer. Ik ben me bewust van zijn blik en ik voel dat hij dat weet. Het is een geheim tussen ons. Er is een twinkeling in zijn ogen die me optilt. Ik voel me een filmster. Het is de eerste keer dat een man zo naar me kijkt. Mijn oerherinnering aan Parijs is dit gevoel van opgetild worden.

Zaterdag 13 september

Ik koester nog een ander beeld van Parijs. Geen herinnering maar een foto. Mama en papa die hand in hand de hoge trappen naar de Sacré-Coeur oplopen. Ik moet hen voor zijn geweest, al sneller de trappen zijn opgeklommen.

Ze zien er verliefd uit. Verliefd en vrij. Mama, energiek zoals ze toen was, is al een trede hoger dan papa, een brede glimlach om haar mond. Onder hen de benedenstad. Het was nog in de tijd van de onschuld. Voor de kanker toesloeg.

De foto staat bij papa op het nachtkastje. Ik keek er vaak naar als ik bij hem was. Het is de laatste foto van mijn ouders voor hun levens veranderden. Voor de diagnose hun levens veranderde.

Een jaar voor haar dood gingen mama en papa samen een lang weekend naar Parijs. Een verjaardagscadeau van hem aan haar. Ze droeg geen pruik. Papa had voor haar een carrè van Hermès gekocht die ze als een piraat om haar kale hoofd knoopte. Ze maakte haar ogen op met zwarte kohl, haar blik hield je gevangen.

Haar rebellie tegen de ziekte. Mijn amazone, noemde papa haar.
Het ergste van de chemo was voorbij. Ze had weer levenslust. Er zat een soort dons op haar schedel in die dagen, verborgen onder de kleurige zijde. Heb jij haar ooit gezien? In de zomer kwamen we wel eens met z’n drieën naar de markt in Cucuron, mama met een grote rieten mand. Ik herinner me jou nog, met die ouwe van je. Jullie waren een vreemd stel. Angstaanjagend vond ik jullie, met die dode beesten. Maar jullie deden goede zaken.

Natuurlijk was ik jaloers –zij twee in Parijs, ik bij tante. Een voorschot op later, maar dat wist ik toen nog niet. Binnenkort gaan we samen, zei mama sussend. We gaan met ons drietjes terug, en dan gaan we lekker eten bij Paul op het ÃŽle de la Cité, dan gaan we naar de vlooienmarkt in Saint-Ouen, dan gaan we naar het kerkhof van père lachaise. Allemaal dingen die we die eerste keer niet gedaan hadden. En we gaan weer, wij met z’n tweetjes, naar de Dame met de eenhoorn, zei ze, terwijl ze haar arm om mijn middel sloeg en me tegen zich aantrok. De Dame met de eenhoorn was ons geheim.

Mama leefde van zulke plannen. Ze leefde er langer door dan de dokters haar gegeven hadden.

We zaten op het strand. Mama in badpak, met een strooien hoed op die verborg dat het met haar haar nooit meer goed is gekomen. De zee rolde golf na golf aan op de keien. Het was al laat op de dag. Mama had het grootste deel van de tijd geslapen. Toen ze wakker werd richtte ze haar bovenlichaam op, leunde op haar onderarmen en keek uit over de zee. ‘Ze hebben de tentoonstelling in Beaubourg verlengd, fijn hè. In september kunnen we er vast heen.’

Waarom september? Waarom opnieuw september?

'In dit opmerkelijke debuut vormen cultuur, natuur en de kunst van het verhalen vertellen de rode draad. Een zorigvuldig geschreven roman die nazindert.' - Gazet van Antwerpen ****

‘De romantische ziel is terug in de literatuur. De fijne, ritmische zinnen scheppen een aangename sfeer. Mooi zijn de melancholieke typeringen van Parijs, in Modiano-noir.’ – de Volkskrant

'Als de schillen van een ui pelt Isabelle Rossaert in haar debuut het verhaal van Valérie af. Het is een verhaal dat tegelijk kwetsbaar en krachtig is, melancholiek en poëtisch. Rossaert laat met dit tegendraadse verhaal over liefde te zien over een geheel eigen stem te beschikken. Veel laat zij ongezegd, maar ze maakt het tussen de regels door stilzwijgend duidelijk. Met liefde, haast filmisch, beschrijft zij het stugge Provençaalse landschap en zijn al even stugge, zwijgzame bewoners.' - Noordhollands Dagblad

‘Isabelle schrijft met een betoverende passie en liefde over Parijs en Luberon, over een relatie die nooit was en een andere die ontluikt. De auteur slaagt erin om de stad en de natuur voor je ogen tot leven te brengen in dit romantische en tragische liefdesepos. Over de troostende schoonheid van kunst, het temmen van eenhoorns, over thuiskomen in je gedachten, de lokroep van de bergen en de verbindende kracht van de liefde over leven en dood. Suggestieve ontroering… tot tranen toe.’ – Psychologies Magazine

'Rossaert slaagt er in haar debuutroman onder woorden te brengen hoe stilzwijgen zo veelzeggend kan zijn.' - Read Shop Hedel

‘Rossaert zet hoog in en is er in geslaagd om een feeëriek, van sfeer doordesemd boek te produceren. Een tekst waarvan je onderbuikmatig aanvoelt dat die goed is, goed doet. Maar waarom het verhaal dat opwekt kun je niet helemaal precies verklaren. Dat is dus literatuur op z’n best. Rossaert balanceert geweldig, terwijl ze een wankelend bestaan optekent. Het is mooi om te zien hoe verschillende schrijvers vrijwel gelijktijdig aantappen bij iets dat we dan maar de universele inspiratiewolk zullen noemen. Isabelle Rossaert is een zéér veelbelovende schrijver, net zo fijnbesnaard als een andere Vlaming: Bart Stouten. Zomaar uit de slushpile gevist, de berg van manuscripten die bij een uitgeverij binnenkomen. Een unicum, al schijnt dat bij uitgeverij Cossee ook al het geval te zijn geweest met Bregje Hofstede en Lodewijk van Oord. Dat is wat ik bemin is een ontroerende, troostrijke roman in een ragfijne taal, gebruikmakend van de mystiek van het rurale en de samensmedende kracht van mond-tot-mond verhalen.’ – Tzum

'Rossaerts debuut Dat is wat ik bemin is een zoektocht naar een verklaring, strak gecomponeerd en met mooie beschrijvingen die de lezer moeiteloos meenemen naar het zuiden van Frankrijk. De grootste kracht van Dat is wat ik bemin ligt in de mooie beschrijvingen. Rossaert kan schrijven: wanneer ze Jean-Michel naar de Luberon stuurt bijvoorbeeld, reist de lezer moeiteloos met hem mee. Ook wie die berg niet kent, maakt zich een voorstelling dankzij beeldende beschrijvingen. Isabelle Rossaert weet wat ze wil vertellen en neemt daarbij geen zijpaden of omwegen. Aan het eind van de roman heeft Jean-Michel de dramatische gebeurtenissen gereconstrueerd; ook voor de lezer blijft er weinig te raden over. De paar verhaallijnen worden aan het einde keurig bij elkaar gebracht en afgehecht.' - Recensieweb

'Wat een betoverend  mooi debuut is dit. Sfeervol, fijnbesnaard, gevoelig, met een mij zeer aansprekende ontvankelijkheid voor de schoonheid van kunst en bovendien nog prachtig van taal. Wat mij betreft heeft de Nederlandstalige literatuur er een topschrijfster bij! Qua sfeer deed het me denken aan de prachtige films Jean de Florette en Manon des Sources die zich in dezelfde streek afspelen. Ik kreeg zin om onmiddellijk naar Parijs te gaan om die wandtapijten te gaan bekijken en wil heel gauw weer naar de Provence!' - Boekhandel Het Leesteken, Purmerend

'Rossaert biedt de lezer niet alleen een subtiele en mysterieuze vertelling die overloopt van liefde voor zowel Parijs als de Provence. Vooral haar taal en stijl beklijven. De sfeer die ze neerzet, is tastbaar, zeker in het eerste deel. Het maakt dit boek tot intiem en doordringend leesplezier voor fijnbesnaarde boekenliefhebbers.' - Kirstin Vanlierde

'Dat is wat ik bemin is een mooi, sprookjesachtig liefdesverhaal, op ambachtelijke wijze geconstrueerd.' - De Telegraaf

Blogrecensie van Dat is wat ik bemin

Dit romandebuut van de jonge Vlaamse schrijfster Isabelle Rossaert is al even geleden verschenen (augustus 2015). De samenvatting intrigeerde me, net als de omslag en het fragment dat op de site van Cossee te lezen is. Soms weet ik dan al bijna zeker of het iets voor mij is en ik werd dit keer niet teleurgesteld. Een romantisch en liefdevol verhaal over rouwen en afscheid nemen, over schuldgevoelens en loslaten, om opnieuw verder te kunnen en weer lief te hebben. En toch ook een spannend verhaal.

Bron: MijnBoekenkast.blogspot.nl

Bespreking op Recensieweb

Boven op de Luberon in de Provence staan twee gedenkstenen: één voor een everzwijn en één voor een jager. Het zette de verbeelding van Isabelle Rossaert in werking: wie was Max, voor wie de ene steen was geplaatst? En bestond dat everzwijn wel of was zijn bestaan slechts een mythe in het dorpje Cucuron? Rossaerts debuut Dat is wat ik bemin is een zoektocht naar een verklaring, strak gecomponeerd en met mooie beschrijvingen die de lezer moeiteloos meenemen naar het zuiden van Frankrijk.

Bron: Recensieweb.nl

Bespreking op Scholieren.com

De betoverende geschiedenis van een liefde die nooit heeft kunnen bestaan, en van de poging daarmee in het reine te komen. Wanneer op een vroege morgen de mannen van Cucuron, aan de voet van het ruige Luberon-gebergte, de jacht op een bijzonder groot everzwijn openen en Max niet komt opdagen, zoeken ze er niets achter en vertrekken ze zonder hem. Na hun eerste schoten, hoog op de bergrug, horen ze een schreeuw – maar niet van een everzwijn.

Bron: Scholieren.com

Bespreking op Literatuurplein.nl

De Vlaamse Isabelle Rossaert (1966) is redacteur, freelance verslaggever en docent journalistieke schrijftechnieken en nu met Dat is wat ik bemin romandebutante. Rossaert zet hoog in en is er in geslaagd om een feeëriek, van sfeer doordesemd boek te produceren. Een tekst waarvan je onderbuikmatig aanvoelt dat die goed is, goed doet. Maar waarom het verhaal dat opwekt kun je niet helemaal precies verklaren. Dat is dus literatuur op z’n best.

Bron: Literatuurplein.nl

Recensie in de Volkskrant

De romantische ziel is terug in de literatuur. Althans, met de stem van debutant Isabelle Rossaert (1966). In Dat is wat ik bemin schrijven de personages elkaar échte brieven, lezen ze Petrarca, bieden bergtoppen sublieme uitzichten. Als hoofdpersoon Valérie, een twintiger, voor het eerst in La Défense komt, het Parijse zakendistrict vol wolkenkrabbers en beton, is ze verbijsterd. 'In La Défense word je nietig verklaard, de mens is er niet meer van belang.' Ze komt er nooit meer terug.

Bron: Volkskrant.nl

Blogartikel over Dat is wat ik bemin

Woensdag 26 augustus staat met potlood en een vraagteken aangeduid in mijn agenda. Die avond presenteert Isabelle Rossaert om 19u30 haar romandebuut Dat is wat ik bemin (Uitgeverij Cossee/Van Halewyck) in Barboek. De lof van die Leuvense boekhandel hebben we hier al eens uitgebreid gezongen. Schrijfster, journaliste en schrijfdocent Isabelle Rossaert is een vriendin met wie ik samenwerk(te) bij Psychologies en Triple P, het opvoedmagazine van de provincie Antwerpen. En Dat is wat ik bemin is (volgens de flaptekst…die deze keer niet overdrijft) ‘een boek over schoonheid op onverwachte plaatsen en over het ontstaan van mythen en legendes’ alsook ‘een sfeervol romandebuut over de levensreddende kracht van verhalen.

Bron: ThisisHowWeRead.be